Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Den Haag, 23 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:17813Zaaknummer SGR 26/1257

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/1257
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster heeft verweerder met een beroep op de Woo verzocht om openbaarmaking van informatie. Voor zover verzoekster de rechtbank in deze proceduure vraagt om vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit, kan de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter daarover geen oordeel geven. Verzoekster kan zich tot de civiele rechter wenden. De voorzieningenrechter overweegt verder dat verzoekster niet uitlegt waarom het Woo-besluit van 9 september 2025 volgens haar niet juist is. Daargelaten de vraag of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de behandeling van haar verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, heeft het bezwaar van verzoekster alleen daarom al geen redelijke kans van slagen. Verzoek afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.

De griffier is verhinderd te tekenen

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] , uit [woonplaats] ( [land] ), verzoekster
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Wat vindt verzoekster?
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/1257

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] ( [land] ), verzoekster

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?

2. Verzoekster heeft verweerder bij e-mail van 1 juli 2025 met een beroep op de Woo[_6d97d057-bfd0-4667-8c57-0c371f867854] verzocht om openbaarmaking van alle documenten uit het naturalisatieverzoek van haar vader. Daarbij heeft zij specifiek verzocht om documenten die aantonen dat verzoekster als minderjarig kind niet is opgenomen in het naturalisatieverzoek van haar vader. Verweerder heeft in de beslissing opgenomen dat externe stukken uit een IND-dossier kunnen worden opgevraagd door de betrokken persoon of door een derde die daartoe gemachtigd is. Deze stukken worden niet verstrekt op grond van de Woo omdat deze op een andere wijze kunnen worden opgevraagd. Om verzoekster tegemoet te komen worden de stukken evenwel bij het besluit van 9 september 2025 aan haar verstrekt.[_4f09a398-6303-4a13-b5c7-95a75c566ec4] De aangetroffen interne controlelijst van 10 maart 2004 die behoort bij het besluit op het naturalisatieverzoek (van de vader) wordt met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo gedeeltelijk verstrekt. Verzoekster heeft op 6 februari 2026 een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Deze zaak gaat over de vraag of dit verzoek moet worden toegewezen.

Wat vindt verzoekster?

3. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 september 2025 op haar Woo-verzoek. Zij wenst graag volledige inzage in haar persoonlijke IND-dossier. De weigering hieromtrent door verweerder is volgens haar onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig, omdat er geen concrete belangenafweging per document is gemaakt.[_2e5e9aa0-2109-4bef-933c-ac32355a9b32] Zij heeft een spoedeisend belang bij de behandeling van haar verzoek gelet op haar onzekere verblijfsrechtelijke positie en de directe gevolgen voor lopende procedures, en voor haar toegang tot zorg op grond van de Wlz[_6786e7fb-c49b-4ef6-a4af-06e36913ffe8]. Zij verzoekt de voorzieningenrechter om verweerder op te dragen om haar inzage te geven in haar persoonlijke dossier. Verder vraagt zij de rechtbank om te bevestigen dat zij (ook als minderjarige) een van haar vader afgeleid verblijfsrecht heeft in Nederland. Verzoekster licht desgevraagd toe dat haar verzoek zich niet uitsluitend richt tegen één individueel besluit,[_a0387f19-288f-4540-8cc5-730b31e3f3a8] maar tegen de bredere weigering van de IND om haar volledige inzage te geven in haar dossier, wat volgens haar essentieel is om haar rechtspositie te kunnen onderbouwen.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

4. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat voor zover verzoekster de rechtbank vraagt om vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit (een zogenaamde artikel 17 RWN[_0ab334ef-6ebf-4cd5-8491-7569d9590a53]-procedure), de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter hierover geen oordeel kan geven. In het geval dat verzoekster een dergelijk verzoek nog niet heeft gedaan, kan zij bij de civiele rechter alsnog een verzoek indienen tot vaststelling van haar Nederlanderschap. Eerder in de procedure heeft de rechtbank verzoekster al geïnformeerd dat deze zaak daarom alleen betrekking heeft op het Woo-besluit van 9 september 2025.

5. De voorzieningenrechter overweegt verder dat uit de stukken niet kan worden afgeleid dat in deze zaak een bezwaarprocedure is gevolgd. De rechtbank heeft daarom aangenomen dat het beroepschrift moet worden gezien als een bezwaarschrift tegen het besluit van 9 september 2025.[_2ccfde8b-6567-4ac1-a321-a076e45a2fd4] Zij heeft het beroepschrift daarom doorgestuurd naar verweerder, zodat deze de behandeling ervan kan overnemen.

6. Wat betreft het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dat hier voorligt, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster geen concrete gronden lijkt te hebben gericht tegen de beslissing van 9 september 2025. De voorzieningenrechter begrijpt dat de beslissing van 9 september 2025 ziet op de openbaarmaking van het naturalisatieverzoek van de vader van verzoekster. Verzoekster legt niet uit waarom het besluit van 9 september 2025 volgens haar niet juist is. Zij licht uitsluitend toe waarom zij van mening is dat verweerder haar inzage zou moeten verlenen in haar eigen IND-dossier. Daargelaten de vraag of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de behandeling van het verzoek, heeft het bezwaar van verzoekster alleen daarom al geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter ziet om die reden geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.

De griffier is verhinderd te tekenen

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.