Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 8 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:15571Zaaknummer NL26.31316

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31316
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo – hangende verzet – afgewezen – geen spoedeisend belang – geen pkv.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] , verzoeksterV-nummer: [V-nummer]
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.31316

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoeksterV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. van Werven),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het beroep van verzoekster hiertegen met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft bij brief van 2 juni 2026 tegen deze uitspraak verzet gedaan. Zij heeft verder op diezelfde datum de voorzieningenrechter in de verzetprocedure verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat zij de behandeling van het verzet in Nederland mag afwachten.

Verweerder heeft desgevraagd op 5 juni 2026 een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft[_b2b8f053-8908-491f-8870-95c5ee79e5fb] en het onderzoek op 5 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook tijdens een verzetsprocedure als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb kan een voorlopige voorziening worden gevraagd.[_2072f8f3-812c-452e-ac21-8ad32ad8f9c5]

2. Verzoekster stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1992 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Bij kennisgeving van 2 juni 2026 is door verweerder aan verzoekster meegedeeld dat haar overdracht naar Zwitserland gepland staat op 9 juni 2026 om 12:15 uur in het kader van de Dublinverordening.[_7ef5282c-1674-4b39-849f-085909bfbdff] Verzoekster heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen om haar overdracht te voorkomen, omdat zij aanwezig wil zijn bij de behandeling van haar verzetschrift op zitting. Een overdracht aan Zwitserland zou volgens verzoekster tevens leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM,[_dfeaedb3-8514-4418-b2e3-843b624297f1] dan wel artikel 4 van het Handvest.[_e2ce36de-0284-4f57-9df1-e1309d42595f] Het belang van verzoekster bij een toewijzing van de verzochte voorziening dient volgens verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerder.

3. Verweerder stelt zich in het verweerschrift primair op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat de overdracht van verzoekster op 4 juni is geannuleerd nadat zij met onbekende bestemming is vertrokken. Subsidiair meent verweerder dat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft. Hetgeen verzoekster in het verzetschrift heeft aangevoerd is een herhaling van zetten die niet tot de conclusie kan leiden dat verzoekster ter zitting gehoord had dienen te worden. Daarbij heeft verzoekster in beroep nagelaten haar medische dossier te overleggen en heeft verweerder destijds alle kenbare medische informatie meegewogen in de besluitvorming. In de bestreden uitspraak van 13 mei 2026 is volgens verweerder voldoende gemotiveerd ingegaan op de standpunten van verzoekster ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

4. De voorzieningenrechter stelt op basis van het verweerschrift vast dat op dit moment niet langer sprake is van een geplande overdracht voor verzoekster aan Zwitserland. De aangekondigde vlucht van 9 juni 2026 is door verweerder geannuleerd op 4 juni 2026. Om die reden is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat op dit moment dan ook geen sprake is van een spoedeisend belang, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 8 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.