Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 21 april 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:10741Zaaknummer SGR 26/2465

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
SGR 26/2465
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr.M.J. Bronsveld, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/2465

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [woonplaats], verzoeker,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv ([gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de besluiten van 19 februari 2026 en 23 februari 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

1.2.

Het Uwv heeft in het besluit van 19 februari 2026 bepaald dat de toeslag op de WAO-uitkering van verzoeker met terugwerkende kracht wordt beëindigd per 21 september 2025. In het besluit van 23 februari 2026 heeft het Uwv bepaald dat verzoeker een bedrag van € 6.489,80 moet terugbetalen voor de te veel ontvangen uitkering.

1.3.

Verzoeker heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Verzoeker verzoekt de rechtbank om de uitvoering van de besluiten te schorsen totdat op de bezwaarschriften is beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

3. Verzoeker voert aan dat zijn WAO-uitkering zonder toeslag onvoldoende is om van te leven. Hij beschikt niet over spaargeld, vermogen of andere financiële middelen. Indien verweerder overgaat tot invordering of verrekening van zijn uitkering, komt hij in een situatie waarin hij niet meer kan voorzien in zijn primaire levensbehoeften zoals huur, energie, voedsel en medische kosten. Ook geeft hij aan dat hij schulden heeft. Hij heeft nog geen bijstandsuitkering aangevraagd vanwege onderhoudswerkzaamheden aan de website. Hij heeft de gemeente [woonplaats] per e-mail geïnformeerd over zijn situatie en hen verzocht om met spoed ondersteuning te bieden.

4. Verweerder geeft aan dat geen sprake is van een spoedeisend belang omdat verzoeker zijn stellingen niet heeft onderbouwd met stukken. Ook is niet duidelijk of verzoeker al een bijstandsuitkering bij de gemeente heeft aangevraagd.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker in het geheel niet met stukken heeft onderbouwd dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit niets is gebleken dat verzoeker in een onomkeerbare financiële situatie terechtkomt.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr.M.J. Bronsveld, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.