Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 29 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:10561Zaaknummer NL 25.13409
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 april 2026
- Publicatiedatum
- 6 mei 2026
- Zaaknummer
- NL 25.13409
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek om niet uit te zetten tot op het bezwaar is beslist; verweerder verzet zich niet; verzoek toegewezen als kennelijk gegrond.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt verboden verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat verweerder de proceskosten van verzoekster moet vergoeden tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.13409
[v nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], geboren op [geboortedag] 1959, van Ghanese nationaliteit, verzoekster
(gemachtigde: mr. L.T.M. Hooijmans),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).
Procesverloop
1. Bij besluit van 20 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft verzoekster op 21 maart 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt haar uitzetting te verbieden totdat op haar bezwaar is beslist.
Verzoekster is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op 26 augustus 2025 heeft verweerder de rechtbank laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoekster totdat er een beslissing is genomen op haar bezwaar.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat van uitzetting van verzoekster moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen moet verweerder aan verzoekster een proceskostenvergoeding betalen. De voorzieningenrechter stelt deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt verboden verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat verweerder de proceskosten van verzoekster moet vergoeden tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.