Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 28 juli 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:28188Zaaknummer 23/989
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 juli 2025
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23/989
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. Eiser krijgt een schadevergoeding van de Staat van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding aan eiser van € 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/989
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek, verweerder
(gemachtigde: P.J.J.P. van der Zalm).
Verder heeft als partij aan deze zaak deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).
Procesverloop
Bij drie primaire besluiten van 12 augustus 2022 heeft verweerder een beslissing genomen over het verzoek van eiser van 3 mei 2022 om vaststelling van de verschuldigdheid van dwangsommen naar aanleiding van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 april 2022 in een aantal procedures tussen eiser en verweerder[_d41afa1b-8b0b-4523-acbf-2839dac0a0e7].
Bij besluit van 19 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser van 22 september 2022 tegen de besluiten van 12 augustus 2022 ongegrond verklaard, onder aanpassing van de motivering van die besluiten.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft de gedingstukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2025. Eiser en verweerder waren vertegenwoordigd door hun gemachtigde.
Overwegingen
1. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of verweerder het bezwaar van eiser terecht ongegrond heeft verklaard. Het oordeel van verweerder (ook na heroverweging in bezwaar) is dat in alle procedures terecht het standpunt is ingenomen dat verweerder geen dwangsom was verschuldigd. Verweerder heeft in het bestreden besluit de grondslag en de motivering van zijn standpunt aangevuld.
2. Het bestreden besluit beoordeelt in de eerste plaats het bezwaar tegen het (eerste) primaire besluit van 12 augustus 2022 dat ziet op de uitspraken van de CRvB met de zaaknummers 20/3436, 20/3437 tot en met 20/3443 en 20/3444 tot en met 20/3445. In de desbetreffende uitspraken heeft de CRvB geoordeeld dat het hoger beroep niet slaagt en dat de rechtbank de beroepen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. In de uitspraken heeft de CRvB verder het volgende overwogen, waarbij eiser wordt aangeduid met appellant en verweerder met het dagelijks bestuur:
“Ter zitting bij de Raad heeft de gemachtigde van appellant er op gewezen dat het dagelijks bestuur in deze procedure veel te laat op de aanvraag heeft beslist en appellant in de beroepsprocedure bij de rechtbank geen rechtsbijstand had. Onder deze omstandigheden had volgens de gemachtigde van appellant van de rechtbank een (meer) actieve houding mogen worden verwacht, in die zin dat de rechtbank appellant had moeten wijzen op de mogelijkheid van artikel 8:55c van de Awb. Op grond van artikel 8:55c, tweede lid, van de Awb stelt de rechtbank, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de verbeurde dwangsom vast. Niet in geschil is dat appellant in zijn beroepschrift en ter zitting bij de rechtbank niet aan de rechtbank heeft verzocht om een dwangsom vast te stellen. Weliswaar zou denkbaar zijn geweest dat de rechtbank hierop had doorgevraagd bij appellant, het voert echter te ver om bij nalaten hiervan de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Overigens kan appellant worden gevolgd in zijn stelling dat de aangevallen uitspraak niet inhoudt dat het dagelijks bestuur de verschuldigdheid van de dwangsommen niet (meer) bij beschikking hoeft vast te stellen”.
3. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eiser vastgesteld dat geen dwangsom is verschuldigd. Hiertoe heeft verweerder het volgende overwogen met betrekking tot de zaken waarin (uiteindelijk) de CRvB uitspraak heeft gedaan:- in de procedure 20/3436 sprake was van een kennelijk ongegronde aanvraag. Ingevolge artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7:14 van de Awb is verweerder in zo’n geval geen dwangsom verschuldigd; - in de procedures 20/3437 tot en met 20/3443 ging het om aanvragen voor bijzondere bijstand in de kosten van het griffierecht vanwege procedures bij de rechtbank. Nadien is eiser in die procedures vrijgesteld van de betaling van griffierecht, ofwel het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht. Daarom was er sprake van aanvragen zonder redelijk doel, zodat eiser misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt dan evenzeer voor het indienen van een rechtsmiddel, het in gebreke stellen en indienen van een dwangsomverzoek. Daarnaast wijst verweerder op artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 7:14 van de Awb; - in de procedures 20/3444 tot en met 20/3445 was sprake van aanvragen en bezwaren die zonder redelijk doel gehandhaafd werden, terwijl (op enig moment) duidelijk had moeten zijn dat de kosten waarop de aanvraag zag, zich niet (meer) voordeden. Daarnaast wijst verweerder op artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 7:14 van de Awb. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzingen gehandhaafd, waar nodig onder aanvulling van de motivering.
4. Wat eiser tegen dit onderdeel van het bestreden besluit aanvoert komt erop neer, dat verweerder eiser inzake de verzoeken om vaststelling van een dwangsom misbruik van recht tegenwerpt, terwijl de CRvB in de desbetreffende uitspraken heeft geoordeeld dat misbruik van recht een te streng oordeel was.
Aan eiser kan worden toegegeven dat de CRvB in de bedoelde uitspraken niet het standpunt van verweerder heeft overgenomen dat bij het indienen van de aanvragen sprake was van misbruik van recht. Dit neemt niet weg dat verweerder bij de beoordeling van de eventuele verschuldigdheid van een dwangsom rekening mag houden met doel en strekking van de onderliggende aanvraag. Indien een aanvraag kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is, is een bestuursorgaan geen dwangsom verschuldigd. Dit volgt uit artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c van de Awb. Met die bepaling is beoogd misbruik te voorkomen. Het is niet de bedoeling dat de dwangsomregeling tot gevolg heeft dat het voor een willekeurige belangstellende lucratief wordt om maar zoveel mogelijk beschikkingen aan te vragen en bezwaren in te dienen in de hoop dat er zo hier en daar wel een - met dit soort aanvragen en bezwaren overladen - bestuursorgaan niet tijdig zal beslissen[_0e0c0e4b-4208-4132-9e83-f475c5803e35]. Verweerder heeft zich, al dan niet subsidiair, terecht op deze bepaling beroepen. Reeds daarom kan het door eiser aangevoerde niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.
5. Vervolgens beoordeelt het bestreden besluit het bezwaar tegen het tweede primaire besluit van 12 augustus 2022. Dit besluit ziet op de procedures met de nummers 20/3456 tot en met 20/3465 waarin de CRvB uitspraak heeft gedaan. In deze uitspraak ging het eveneens om aanvragen van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht met het oog op een aantal procedures bij de rechtbank.
Verweerder stelt zich blijkens het primaire besluit op het standpunt dat in alle gevallen binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling is beslist op het bezwaar. De besluiten dienaangaande zijn op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Om deze reden stelt verweerder geen dwangsom verschuldigd te zijn. Dit standpunt heeft verweerder na heroverweging in bezwaar gehandhaafd. De motivering van het besluit is aangevuld met de volgende overwegingen. In zes procedures (SGR 19/4743, 19/4741, 19/4811, 19/4738, 19/5340 en 19/5525) heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser misbruik van (proces)recht heeft gemaakt[_dd8d85a6-571b-4c81-ad33-9f6ed2865ff2]. De CRvB heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraak van 12 april 2022[_51e3c4b8-aa61-49dc-884e-7c656054f7d6]. Nu vaststaat dat eiser in deze procedures met het doen van aanvragen om bijzondere bijstand misbruik van (proces)recht heeft gemaakt, is evenzeer sprake van misbruik van recht ten aanzien van het doen van aanvragen om bijzondere bijstand voor het griffierecht in die procedures. In het verlengde hiervan geldt dit oordeel ook voor het maken van bezwaar, het in gebreke stellen en het indienen van een dwangsomverzoek. Dit kan immers niet los worden gezien van het doel waarmee eiser de aanvragen heeft ingediend.
Eiser voert in beroep aan dat het in bezwaar aangevoerde zonder deugdelijke motivering en in strijd met de zorgvuldigheid opzij is gezet. De CRvB heeft vastgesteld dat sprake moet zijn van een deugdelijke verzendadministratie. Die ontbrak ten tijde van belang bij verweerder. Daarom kan verweerder niet aannemelijk maken dat de besluiten daadwerkelijk zijn verzonden. Zonder verzending zijn de besluiten niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt, en niet in werking getreden. Voor zover verweerder zich beroept op zijn bestendige emailpraktijk is dit een fictie. Eiser heeft steeds aangegeven dat hij niet per email wenst te worden benaderd.
De rechtbank overweegt dat de CRvB in één van de uitspraken van 12 april 2022[_dffb69c1-1c27-47ab-a0ac-12945169e25a] heeft overwogen dat verweerder op 12 december 2019, 17 december 2019 en 30 december 2019 besluiten heeft genomen op bezwaarschriften van eiser. Deze besluiten zijn (volgens overweging 4.1.5 van die uitspraak) op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt, en (in alle gevallen) genomen binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling. Reeds hierom treft hetgeen eiser heeft aangevoerd over de verzendadministratie van verweerder geen doel. In drie gevallen heeft verweerder de beslissing op bezwaar, behalve door toezending per post, ook door toezending via email aan eiser bekendgemaakt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde hier van belang geen sprake was van een bestendige emailpraktijk, waarbij verweerder er van uit mocht gaan dat eiser (ook) per email kon worden benaderd. De CRvB heeft dit bevestigd[_753ef4d1-3352-44ff-9385-6f6510ef744e]. Nu in alle gevallen tijdig besluiten op bezwaar zijn bekendgemaakt, was verweerder geen dwangsom(men) verschuldigd. Wat eiser hiertegen aanvoert slaagt niet.
6. Ten slotte ziet het bestreden besluit op het derde primaire besluit van 12 augustus 2022. Dit besluit heeft betrekking op de procedurenummers 20/3820 tot en met 20/3837) waarin de CRvB uitspraak heeft gedaan. In deze procedures was eveneens sprake van aanvragen van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht met het oog op een aantal procedures bij de rechtbank. Verweerder stelt zich blijkens het primaire besluit op het standpunt dat in alle gevallen binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling is beslist op de aanvraag. De stelling van eiser dat hij de besluiten niet per email heeft ontvangen en dat geen sprake was van een bestendige emailpraktijk, mist feitelijke grondslag en is aantoonbaar onjuist aldus verweerder. Daarnaast stelt verweerder dat in een aantal gevallen bij het doen van aanvragen om bijzondere bijstand sprake was van misbruik van recht. Dat oordeel is door de rechtbank overgenomen en (uiteindelijk) ook door de CRvB bevestigd[_baaa3b84-3a2c-4165-8534-254b8d7bca4c]. Voor die gevallen geldt dat het in gebreke stellen en het indienen van een verzoek om vaststelling van een dwangsom eveneens misbruik van recht oplevert.
Eiser voert in beroep aan dat het in bezwaar aangevoerde zonder deugdelijke motivering en in strijd met de zorgvuldigheid opzij is gezet. De CRvB heeft vastgesteld dat sprake moet zijn van een deugdelijke verzendadministratie. Die ontbrak ten tijde van belang bij verweerder. Daarom kan verweerder niet aannemelijk maken dat de besluiten daadwerkelijk zijn verzonden. Zonder verzending zijn de besluiten niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt, en niet in werking getreden. Voor zover verweerder zich beroept op zijn bestendige emailpraktijk is dit een fictie. Eiser heeft steeds aangegeven dat hij niet per email wenst te worden benaderd.
De rechtbank overweegt dat verweerder in het primaire besluit van 12 augustus 2022 en in het bestreden besluit op bezwaar genoegzaam heeft uiteengezet dat in alle gevallen tijdig (dat wil zeggen binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling) een besluit over de aanvraag is genomen. De besluiten zijn zowel per post al per email aan eiser verzonden. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van eiser dat de besluiten niet op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt. Eiser heeft bevestigd dat hij de besluiten in elk geval per email heeft ontvangen. Ten tijde van belang was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bestendige emailpraktijk waarbij eiser en verweerder bij voortduring per email hebben gecorrespondeerd. Nu tijdig beschikkingen zijn genomen en bekendgemaakt aan eiser was verweerder geen dwangsom(men) verschuldigd. Wat eiser hiertegen heeft aangevoerd treft geen doel.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
7. Namens eiser is ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat deze procedure volgens hem onredelijk lang heeft geduurd. Vanwege dit verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) na sluiting van het onderzoek aangemerkt als partij in deze zaak. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft het onderzoek daarom niet heropend.
Volgens vaste, op artikel 6 van het EVRM gebaseerde rechtspraak dienen geschillen binnen een redelijke termijn te worden beslist. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. Als deze termijn wordt overschreden, moet in beginsel aan de indiener van het beroep een schadevergoeding worden betaald. Het daarvoor geldende bedrag is € 500,- per half jaar of een deel daarvan.
Eisers bezwaarschrift tegen de primaire besluiten dateert van 22 september 2022. Gelet op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden met ruim tien maanden. Aangezien verweerder tijdig (binnen zes maanden) op het bezwaarschrift heeft beslist, is de overschrijding van de termijn geheel aan de rechtbank toe te rekenen. Hieruit volgt dat aan eiser een schadevergoeding moet worden betaald van € 1.000,-.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt wel een schadevergoeding van de Staat van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding aan eiser van € 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Dit betreft de uitspraken van de CRvB van 12 april 2022; ECLI:NL:CRVB:2022:874 t/m 878
- Kamerstukken II 2004/05, 29934, 6, p.13
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10979
- ECLI:NL:CRVB:2022:880
- ECLI:NL:CRVB:2022:877
- ECLI:NL:CRVB:2022:879
- ECLI:NL:CRVB:2022:880
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.