Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag, 29 december 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:28172Zaaknummer SGR 23/5325
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 december 2025
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- SGR 23/5325
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Wiv. Inzageverzoek.
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 30 juni 2023, aangevuld met het besluit van 25 maart 2025, gegrond en bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van € 1.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 2.267,50;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
e. persoonsgegevens: gegevens die betrekking hebben op een identificeerbare of geïdentificeerde, individuele natuurlijke persoon;
[…].
Artikel 76
1. Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager.
[…].
Artikel 82
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 76 wordt in ieder geval afgewezen, indien:
a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:
1°. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt,
2°. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en
3°. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek;
b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.
2. Indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, wordt bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing.
Artikel 84
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 80 wordt afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft:
a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
b. de nationale veiligheid zou kunnen schaden;
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld.
2. Een aanvraag wordt voorts afgewezen voor zover het belang van verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft, niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en met internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. het belang, dat de persoon of organisatie waarop de gegevens betrekking hebben erbij heeft om als eerste kennis te kunnen nemen van de gegevens;
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden.
[…]
4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 76 onderscheidenlijk 79, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 82 onderscheidenlijk 83.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5325
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. H. van Drunen),
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder
(gemachtigde: A. van der Klugt).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn aanvraag op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv).
Verweerde heeft deze aanvraag met het besluit van 23 december 2022 gedeeltelijk toegewezen. Met het bestreden besluit van 30 juni 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en als gemachtigde van verweerder mr. M.E. Nijmeijer.
Ter zitting zijn door eiser nadere stukken overgelegd. Naar aanleiding van deze stukken heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek te doen.
Op 25 maart 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen en daarbij het besluit van 30 juni 2023 gedeeltelijk herroepen.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en [naam].
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft een aanvraag gedaan tot kennisneming van eventueel over hem bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) aanwezige gegevens. Verweerder heeft aan eiser een inzagedossier verstrekt. Bij het aanvullende besluit heeft verweerder een aanvullend inzagedossier aan eiser verstrekt. Het beroep is mede gericht tegen dit besluit.[_6b0ed8aa-6d93-46dd-8a91-49185a6e3191]Veel documenten betreffen tapverslagen. Een deel van de informatie is niet verstrekt omdat het persoonsgegevens van een derde betreft of omdat het geen betrekking heeft op de aanvraag. Ook is informatie geweigerd omdat verweerder actuele werkwijzen niet openbaar mag maken.
Wat zijn de regels?
3. De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiser voert aan dat de zoekslag te beperkt en onvolledig is geweest. Niet inzichtelijk is gemaakt op welke spellingswijzen/combinaties van de naam is gezocht. Verweerder heeft niet gezocht in combinatie met een tweetal grote onderzoeken op onderwerpen waarbij hij zeer actief was en verweerder heeft ook niet gezocht in de dossiers van bijvoorbeeld de dierenrechtenorganisaties waarin hij actief is geweest en/of een leidende rol heeft vervuld of in dossiers van activiteiten waarbij hij betrokken is geweest. Het is heel aannemelijk dat ook in die onderzoeken en dossiers persoonsgegevens van hem zijn verwerkt. Verweerder kan ook geen enkele verklaring geven voor het feit dat die later aangetroffen documenten niet bij de eerdere zoekslagen zijn aangetroffen. Dat geeft ernstig te denken over de zorgvuldigheid van die eerste zoekslagen. Mede gelet op het feit dat in het aanvullend besluit staat dat er 21 documenten zijn aangetroffen in plaats van 27 documenten, blijft de indruk van ernstige onzorgvuldigheid bestaan. Eiser stelt dat de inventarislijst, die bij het aanvullende besluit is gevoegd, onbruikbaar is. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte informatie heeft geweigerd door van de tapverslagen alleen de door de hem zelf uitgesproken woorden te verstrekken en het deel dat de gesprekspartner heeft uitgesproken niet te verstrekken. Bewerkingen van door derden uitgesproken teksten zijn geen persoonsgegevens van die derden. Ook zijn relevante contextgegevens geweigerd. Onder verwijzing naar de AVG en de Wet politiegegevens en uitspraken die hierover zijn gedaan stelt eiser dat het begrip persoonsgegeven veel breder is dan alleen naam, adres, geboortedatum etc. De context is daarom van belang. Verder blijken de later gedeeltelijk verstrekte documenten allemaal tapverslagen te zijn. Dat is voor hem relevante informatie en verweerder kan geen reden geven waarom die informatie en het tijdstip geweigerd wordt. Ook blijkt dat de motivering van de weigering van verweerder niet altijd juist is. Volgens de inventarislijst is uit documenten 5 en 12 uitsluitend informatie geweigerd omdat deze buiten reikwijdte van het verzoek (“NVT”) zou vallen, en is de weigeringsgrond “P3” (persoonsgegevens van derden) op deze documenten niet van toepassing. In beide documenten staan echter wel namen van derden. Niet valt in te zien waarom het geheel geweigerde document 16, waarin hij zijdelings zou worden genoemd, niet verstrekt zou kunnen worden met alleen zijn naam, zoals bij de documenten 4 en 12 is gedaan. Van de geheel geweigerde documenten wordt zelfs een (summiere) omschrijving of een datering geweigerd op grond van een nog actuele werkwijze, een nog lopend onderzoek. Een datering van een stuk geeft echter geen informatie over een nog actuele werkwijze. Die datering geeft wel inzicht in de vraag of er nog sprake kan zijn van een nog actuele werkwijze. Verweerder heeft meermalen aangegeven dat er tegenwoordig geen onderzoeken meer plaatsvinden naar dierenrechtenactivisme. Eiser heeft verder een aantal formele punten aangevoerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit nagelaten de wettelijk voorgeschreven beroepsclausule op te nemen. Verweerder heeft bij de uitnodiging voor het horen ook niet gewezen op enige terinzagelegging van de stukken en geen gewichtige redenen gegeven om deze stukken niet ter inzage te leggen. Verweerder stelt ten onrechte dat interne documenten die zien op de zoekvraag of de zoekslagen niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank heeft de geheime stukken ingezien en zal mede op basis van deze stukken uitspraak doen. Eiser heeft hiervoor aan de rechtbank toestemming verleend.[_d8591acd-2dd1-4fb1-99a1-afa8113eccc6]
Zoekslag
6. Aangezien is komen vast te staan dat er meer stukken met persoonsgegevens van eiser aanwezig waren bij verweerder dan in eerste instantie zijn verstrekt, stelt de rechtbank vast dat de eerste door verweerder uitgevoerde zoekslag niet zorgvuldig was. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ter beoordeling staat of er, gelet op de meest recente zoekslag nog reden is om aan te nemen dat er meer documenten met persoonsgegevens van eiser zijn.
Na de eerste zitting bij de rechtbank heeft verweerder, zo stelt hij, een herhaalde en meer uitgebreide tweede zoekslag gedaan in de archieven en systemen van de BVD/AIVD aan de hand van verschillende combinaties en spellingwijzen van voor- en achternaam en geboortedatum. Er is bij deze tweede zoekslag zo breed mogelijk gezocht. Verweerder heeft gesteld dat het zoeken op contexten, zoals onderwerpen waarop eiser actief was, met de huidige stand van de techniek geen meerwaarde meer heeft in zaken met betrekking tot een verzoek over eigen persoonsgegevens. Alle informatie over eiser kan worden gevonden met een zoekslag op basis van zijn persoonsgegevens, waarbij de persoonsgegevens in verschillende combinaties en spellingswijzen worden gebruikt. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Hoewel het misschien beter was geweest als verweerder in het aanvullende besluit of het verweerschrift een overzicht van de spellingwijzen waarop is gezocht had verstrekt, heeft verweerder op de zitting voldoende toegelicht dat bij de tweede zoekslag is gezocht op alternatieve spellingswijzen zoals [achternaam 1] en [achternaam 2]. Verweerder heeft verder toegelicht dat er ook aan de hand van een aantal namen die eiser heeft genoemd is gezocht, waardoor nog wat meer documenten zijn gevonden.
Eiser heeft geen concrete redenen genoemd op grond waarvan het aannemelijk is dat er toch nog meer documenten met persoonsgegevens van hem zouden zijn. De omstandigheid dat in de loop van de procedure steeds meer informatie is gevonden, is op zichzelf onvoldoende om ervan uit te gaan dat de voorbereiding van het besluit onvoldoende is geweest.[_8e76cd42-d621-4964-8813-8c91c893fd72] Ook het feit dat er in het aanvullende besluit abusievelijk is vermeld dat er 21 documenten van in totaal 22 pagina’s zijn verstrekt, in plaats van 20 documenten van in totaal 21 pagina’s is daarvoor onvoldoende. Het betreft een verschrijving en de inventarislijst is op dit punt wel juist.
Inventarislijst
7. Niet valt in te zien dat de inventarislijst, zoals eiser stelt, onbruikbaar zou zijn. Ieder document op de inventarislijst wordt genummerd. Het nummer op de inventarislijst correspondeert met het nummer linksboven op de documenten. In de
inventarislijst wordt duidelijk en gestructureerd per document en middels een code aangegeven op welke gronden kennisneming van de passages zijn geweigerd. Waar mogelijk wordt bij documenten in het opmerkingenveld nader gemotiveerd waarom een weigeringsgrond in het specifieke geval is toegepast.
Weigeringsgronden
8. Na kennis te hebben genomen van de documenten oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verstrekking van de gevraagde documenten gedeeltelijk mocht worden geweigerd.
Artikel 76 van de Wiv 2017 geeft alleen recht op kennisneming van de persoonsgegevens die van eiser zelf zijn verwerkt. In de Wiv wordt onder persoonsgegevens verstaan: gegevens die betrekking hebben op een identificeerbare of geïdentificeerde, individuele natuurlijke persoon.[_416572fd-8eb3-4614-a848-6f783aeb3c4a] Verweerder heeft kennisneming van bepaalde passages geweigerd op de grond dat deze persoonsgegevens van derden bevatten (“P3”) of informatie bevatten die geen betrekking hadden op eiser (“NVT”). Verweerder heeft op de tweede zitting toegelicht dat hij moet bekijken of sprake is van persoonsgegevens van eiser en dat wat daar buiten valt moet worden gelakt onder de vermelding “NVT”. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door de gesprekspartner in een getapt gesprek uitgesproken woorden geen persoonsgegevens van eiser en moet deze informatie daarom worden geweigerd. Dat is alleen anders als de gesprekspartner een persoonsgegeven van eiser noemt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de in de tapverslagen weggelakte informatie geen persoonsgegevens van eiser betreft. Weliswaar is het weglakken met de vermelding “NVT” niet helemaal consistent toegepast en is soms ten onrechte informatie weggelakt onder de vermelding “P3”, maar eiser is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Verweerder mocht de informatie immers weigeren.
De stelling van eiser dat verweerder ten onrechte contextinformatie heeft geweigerd volgt de rechtbank niet. Verweerder hoeft deze informatie niet te verstrekken. Bij een verzoek op grond van de AVG kan het soms nodig zijn om inzage te geven in een document, omdat de context van het betreffende document van belang is om de juistheid van de persoonsgegevens te kunnen controleren. De Wiv heeft ten opzichte van de AVG echter een beperktere definitie van persoonsgegevens. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder, mede gelet op het bijzondere karakter van de gegevens die bij de AIVD en de MIVD worden verwerkt, ook op grond van de Wiv verplicht zou zijn om in bepaalde omstandigheden informatie over de context te geven. Dat verweerder soms ruimer is omgegaan met inzageverzoeken en (meer) contextinformatie heeft verstrekt, betekent niet dat verweerder dat bij alle aan eiser verstrekte documenten ook moest doen. Verweerder heeft toegelicht dat hij wel probeert context te geven, maar dat dit niet altijd kan. Het uitgangspunt is “geheim tenzij”. Als er teveel informatie wordt verstrekt kunnen werkwijzen en bronnen bekend worden. Verweerder mocht er daarom voor kiezen om (soms) contextinformatie te weigeren. Van willekeur is niet gebleken. Verweerder heeft erop gewezen dat het beoordelen van de documenten mensenwerk is en dat per document maatwerk wordt toegepast, waardoor het zo kan zijn dat er in het ene document meer context is vrijgegeven dan in het andere document.
Dat geldt ook voor de documentnummers die verweerder eerder wel heeft verstrekt en in het aanvullende inzagedossier heeft geweigerd. Verweerder stelt terecht dat documentnummers geen persoonsgegevens zijn, omdat deze zijn gekoppeld aan het document en niet aan een persoon. Verweerder mocht daarom stoppen met het vermelden van deze nummers, ook omdat er volgens verweerder koppelingen kunnen worden gemaakt die bijvoorbeeld kunnen leiden tot het bekend worden van brongegevens. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen.
Verweerder heeft ook bepaalde persoonsgegevens van eiser geweigerd te verstrekken op grond van bronbescherming of actuele werkwijzen. De AIVD kan zijn wettelijke taak alleen binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen en moet zijn bronnen en actuele werkwijzen geheim kunnen houden. Het geven van inzicht daarin gaat namelijk ten koste van het goed functioneren van de AIVD en daarmee ten koste van de nationale veiligheid, ter bescherming waarvan de AIVD is opgericht.[_1f4f4dc1-6785-4703-bfd2-57cc6e91ab45] De rechtbank heeft kennisgenomen van de geweigerde passages en stelt vast dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze mochten worden geweigerd. Dat een datering geen informatie zou kunnen geven over een nog actuele werkwijze, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank niet.
Ontbreken rechtsmiddelenclausule
9. Met betrekking tot de beroepsgrond van eiser dat onder het bestreden besluit geen rechtsmiddelenclausule stond overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser hierdoor niet in zijn belang is geschaad. Hij heeft immers tijdig beroep ingesteld.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de stukken over de zoekslag niet ter inzage hoefde te leggen voorafgaande aan de hoorzitting in bezwaar en ook niet aan de rechtbank hoefde over te leggen. Verweerder hoeft bij het bieden van inzicht in de gemaakte zoekslag niet verder te gaan dan in het besluit te beschrijven hoe en waar er is gezocht. Daarmee is niet verenigbaar dat stukken, die bij de verrichting van de zoekslag zijn gegenereerd maar geen persoonsgegevens van eiser bevatten, zouden worden beschouwd als op de zaak betrekking hebbende stukken waarin verweerder inzage moet geven.[_34ecf3c8-94ea-4613-9bb2-3dd72a4ad704]
Redelijke termijn
11. Op de zitting heeft eiser verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Volgens vaste rechtspraak mogen de bezwaar- en beroepsfase samen in beginsel niet langer dan twee jaar duren. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 31 januari 2023, bij de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift, en geëindigd met de uitspraak van de rechtbank. De redelijke termijn is in deze procedure dus met -afgerond- 11 maanden overschreden. Deze overschrijding wordt aan verweerder toegerekend, omdat verweerder pas op 25 maart 2025, bijna een jaar na de schorsing ter zitting, een aanvullend besluit heeft genomen. De schadevergoeding wordt vastgesteld op € 1.000,-.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond omdat verweerder in eerste instantie onvoldoende zorgvuldig had gezocht naar stukken die gegevens van eiser bevatten. Verweerder heeft dit hersteld met het aanvullende besluit. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 30 juni 2023, aangevuld met het besluit van 25 maart 2025, maar laat de rechtsgevolgen in stand.[_a949fe40-fd11-4b72-ba06-2a9390f0fb7f] Dat betekent dat verweerder na deze uitspraak geen nieuwe gegevens meer hoeft te verstrekken.
13. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting en de nadere zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.267,50.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 30 juni 2023, aangevuld met het besluit van 25 maart 2025, gegrond en bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van € 1.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 2.267,50;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
e. persoonsgegevens: gegevens die betrekking hebben op een identificeerbare of geïdentificeerde, individuele natuurlijke persoon;
[…].
Artikel 76
1. Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager.
[…].
Artikel 82
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 76 wordt in ieder geval afgewezen, indien:
a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:
1°. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt,
2°. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en
3°. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek;
b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.
2. Indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, wordt bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing.
Artikel 84
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 80 wordt afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft:
a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
b. de nationale veiligheid zou kunnen schaden;
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld.
2. Een aanvraag wordt voorts afgewezen voor zover het belang van verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft, niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en met internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. het belang, dat de persoon of organisatie waarop de gegevens betrekking hebben erbij heeft om als eerste kennis te kunnen nemen van de gegevens;
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden.
[…]
4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 76 onderscheidenlijk 79, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 82 onderscheidenlijk 83.
Voetnoten
- Artikel 6:19 van de Awb.
- Artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:484.
- Artikel 1, aanhef en onder e, van de Wiv 2017.
- Uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1279
- Uitspraak van de rechtbank Den Haag, 28 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2025:10457.
- Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.