Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 6 november 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:28035Zaaknummer NL25.42201 en NL25.42202
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 november 2025
- Publicatiedatum
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.42201 en NL25.42202
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
asiel - algerijnse nationaliteit. opvolgende aanvraag, niet-ontvankelijk want geen relevante nieuwe elementen
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.42201 (beroep) en NL25.42202 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] alias [eiser] alias [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
Eiser heeft op 22 augustus 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure als niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigd hebben bericht niet te verschijnen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Vorige procedures
2. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 2000. Eiser heeft op 30 juli 2022 zijn eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 13 februari 2023 buiten behandeling gesteld. Eiser is hiertegen niet in beroep gegaan.
Eiser heeft vervolgens op 23 augustus 2024 voor de tweede keer asiel aangevraagd in Nederland. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij Algerije heeft verlaten vanwege armoede en misère. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 6 januari 2025 kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep van eiser is bij uitspraak van 28 juli 2025[_03220af4-0035-4809-a2df-249556009598] ongegrond verklaard en het bestreden besluit is in stand gebleven. Dit besluit staat in rechte vast.
De huidige opvolgende aanvraag
3. Eiser heeft op 22 augustus 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het huidige bestreden besluit. Verweerder heeft deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van zijn aanvraag.[_13b3d5d7-ddf9-4824-926a-eeca813a9d57] Eiser heeft in zijn gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat er sinds zijn vorige procedure een incident heeft plaatsgevonden waardoor eiser niet meer terug kan keren naar Algerije. Het incident gaat om een motor die eiser in Frankrijk heeft gekocht die hij bij terugkomst in Algerije wilde gaan gebruiken. Eiser heeft zijn neef in Algerije gevraagd om de familie van de mannen te betalen, van wie hij de motor heeft gekocht. Echter hebben deze mannen meer geld geëist en hebben zij telefonisch bedreigd om eiser te mishandelen en te vermoorden als hij het overige geld niet zou betalen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Ten onrechte stelt verweerder dat eiser geen nieuwe elementen heeft aangedragen nu de bedreigingen waar eiser over heeft verklaard hebben plaatsgevonden na zijn vorige procedure. Ook heeft verweerder het relaas ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft niet consistent of volledig kunnen verklaren vanwege stress, detentieomstandigheden en taalbarrières. Hierbij verwijst eiser ook naar het arrest Adrar van het Hof van Justitie.[_81f774e5-dcea-4c29-a90d-294fbb3d3255] Bij het opleggen van het terugkeerbesluit is nagelaten een actuele toets te verrichten aan artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest en het besluit voldoet daarom ook niet aan de eisen die volgen uit het arrest Adrar. Ten slotte is het inreisverbod onrechtmatig en ondeugdelijk gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk kon verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk mogen verklaren?
6. Verweerder beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is aan de hand van twee fases. In de eerste fase beoordeelt verweerder of de aangevoerde elementen of bevindingen van eiser nieuw zijn. In de tweede fase beoordeelt verweerder of de nieuwe elementen of bevindingen die zijn aangevoerd vervolgens ook relevant zijn.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd, en dat er op dit punt dus geen sprake is van nieuwe, relevante elementen of bevindingen.
Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er geen sprake is van relevante nieuwe elementen of bevindingen in het asielrelaas van eiser. Verweerder heeft het element als nieuw aangemerkt maar mocht vinden dat dit niet relevant is voor de asielaanvraag. Nu de gestelde problemen van de incident met de motor niet raken aan het vluchtelingenverdrag.
Hierbij mocht verweerder betrekken dat eiser heeft verklaard bescherming te kunnen krijgen tegen hetgeen waar hij voor vreest. Eiser heeft verklaard dat de politie in Algerije hem wel bescherming kan bieden wanneer hij aangifte doet. Eiser heeft hieraan toegevoegd dat hij aangifte wil doen bij de politie als hij terugkeert naar Algerije. [_1f8223f7-32c0-41bc-8a54-1093113c5559]
Mocht verweerder een terugkeerbesluit opleggen?
7. De rechtbank ziet geen aanleiding om het eerder opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod te vernietigen. Verweerder mocht de aanvraag van eiser gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk verklaren. Ook zijn er in deze procedure geen indicaties naar voren gekomen dat de terugkeer van eiser, anders dan voorheen beoordeeld, zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM.
Is het inreisverbod wat verweerder heeft opgelegd disproportioneel?
8. Met betrekking tot het uitgevaardigde inreisverbod mocht verweerder vinden dat niet is gebleken dat het inreisverbod onevenredig is. De nieuwe elementen mochten gelet op het voorgaande worden beoordeeld als niet relevant en er is voor verweerder dus geen reden om het inreisverbod op te heffen. Verder mocht verweerder vinden dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit is gebleken dat het inreisverbod disproportioneel is. Dat volgens eiser uit het besluit van verweerder ten onrechte niet blijkt dat hij een afweging heeft gemaakt op grond van alle persoonlijke omstandigheden, slaagt niet nu eiser dit niet verder heeft geconcretiseerd. Gelet op het voorgaande is eiser niet belemmerd in zijn recht op effectieve bescherming. Verweerder kan op grond van artikel 66a, achtste lid van de Vw af zien van het opleggen van een inreisverbod, echter heeft eiser geen omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan verweerder in dit geval had moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.