Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 31 december 2025

ECLI:NL:RBDHA:2025:25599Zaaknummer NL25.62197

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62197
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewaring artikel 6, derde lid, Vw - ongegrond

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.62197

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Stap),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 27 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 december 2025 (in de zaak NL.59596) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

3. Eiser voert aan dat eiser de behandeling van het beroep dat hij tegen de afwijzende asielbeschikking heeft ingediend wél in Nederland mag afwachten. Verder leende de asielaanvraag zich niet voor afdoening binnen de grensprocedure en daarom had de maatregel op 11 november 2025 al opgeheven moeten worden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. In het besluit van 11 november 2025 is eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard en is eiser de toegang tot Nederland geweigerd. In dit besluit is bepaald dat eiser

de uitspraak op het beroep in Nederland mag afwachten. Uit artikel 46, aanhef, zesde lid juncto achtste lid, van de Procedurerichtlijn[_b1818d63-a5ee-49b4-9fca-bb05ff710904] volgt dat de lidstaat de asielzoeker moet toestaan in de lidstaat te verblijven in afwachting van de uitkomst van het verzoek. Gelet op het bepaalde in artikel 2, onder p, van de Procedurerichtlijn, wordt onder “in de lidstaat verblijven” mede begrepen aan de grens of transitzone van de lidstaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in de aanhangige beroepszaak tegen de afwijzende asielbeschikking geen reden heeft hoeven zien om de maatregel van bewaring op te heffen.

6. Eiser heeft op 27 oktober 2025 aan de grens te kennen gegeven een asielaanvraag

te willen indienen en is op diezelfde datum opgenomen in de grensprocedure. Tijdens en na

afloop van het nader gehoor vindt het inhoudelijke onderzoek plaats. Verweerder heeft dit

onderzoek verricht en heeft de asielaanvraag vervolgens ook daadwerkelijk afgedaan in de

grensprocedure door op 11 november 2025 de aanvraag af te wijzen als niet-ontvankelijk. De bewaringsrechter kan niet in de beoordeling treden van de vraag of dit terecht is geweest, maar het betekent wel dat het voortzetten van de grensdetentie niet onrechtmatig was.

7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is,[_751427d0-2b03-48a2-85c0-70379e3f3eaa] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.