Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 10 juli 2025

ECLI:NL:RBDHA:2025:12269Zaaknummer NL25.29106

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10 juli 2025
Publicatiedatum
10 juli 2025
Zaaknummer
NL25.29106
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

vovo, verweerder heeft aangegeven zich niet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening te verzetten (verzet-me-netje) toewijzing vovo

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam] , V-nummer: [nummer] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.29106

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F. Zeven),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb[_255640cd-7d2e-42d0-81b8-72e6f64ba018] maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.

1.2.

De minister heeft met het besluit van 10 augustus 2023 het EU-verblijfsrecht van verzoeker beëindigd dan wel ontzegd en hem ongewenst vreemdeling verklaard. Met het bestreden besluit van 15 april 2025 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.[_30fd2c63-5d04-4e4f-951e-14847e87f6a4]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter heeft de minister gevraagd of zij zich wel of niet verzet tegen het toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening. In de reactie hierop van 9 juli 2025 heeft de minister aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.

2.1.

Omdat de minister zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om deze toe te wijzen, zal met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb het verzoek worden toegewezen.

2.2.

De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (één punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek toe;
  • gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker totdat de geplande hoorzitting heeft plaatsgevonden en het aanvullende besluit op bezwaar is genomen;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 907,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.