Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag, 17 april 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:5509Zaaknummer 24-1062
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 april 2024
- Publicatiedatum
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24-1062
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
verzoek pkv afgewezen, omdat de vovo's onnodig zijn ingediend
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2024.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/1062 en SGR 24/1067
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2024 in de zaak tussen
[verzoeker 1], uit [woonplaats 1], [verzoeker 2] uit [woonplaats 2] en [verzoeker 3] uit [woonplaats 3], verzoekers
(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: A.C. Visser).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekers om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun verzoeken om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 4 september 2023 (SGR 24/1062) en tegen het besluit van 3 januari 2024 (SGR 24/1067). Eisers hebben tegen het besluit van 4 september 2023 beroep ingesteld en tegen het besluit van 3 januari 2024 bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[_fc074e51-1e0a-477f-92dc-437b0039c931]
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Met het besluit van 4 september 2023 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het veranderen van de winkel met woning aan de [adres] (het pand) tot drie woningen en de weigering van een omgevingsvergunning voor het maken van een extra bouwlaag op het pand. Met het besluit van 3 januari 2024 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd vanwege achterstallig onderhoud aan het pand.
De voorzieningenrechter heeft het college de gelegenheid geboden te reageren op de op 7 februari 2024 ingediende verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers. Het college heeft de voorzieningenrechter op 12 februari 2024 laten weten de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom te zullen verlengen tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Vervolgens hebben verzoekers hun verzoeken om een voorlopige voorziening ingetrokken. Gelet daarop is het college aan verzoekers tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
De voorzieningenrechter ziet echter onvoldoende aanleiding om over te gaan tot een veroordeling in de proceskosten. Niet gebleken is dat verzoekers, alvorens de verzoeken in te dienen, het college hebben verzocht de in het besluit van 3 januari 2024 gestelde begunstigingstermijn te verlengen tot na de beslissing op bezwaar. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers onnodig de verzoeken om voorlopige voorziening hebben ingediend.
Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college in de proceskosten zou moeten worden veroordeeld is de voorzieningenrechter niet gebleken.
6. Het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen wordt dan ook als kennelijk ongegrond afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2024.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.