Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 8 januari 2024

ECLI:NL:RBDHA:2024:269Zaaknummer NL23.18456

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
8 januari 2024
Publicatiedatum
12 januari 2024
Zaaknummer
NL23.18456
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen – mvv nareis – beslistermijn 6 weken – dwangsommen – beroep gegrond - pkv

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.18456

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: L. el Razouki).

Procesverloop

Eiser heeft op 12 juli 2023 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag

tot verlening van een mvv[_c0174e0d-c19a-408d-9c00-ee29f4ef7fcb] in het kader van nareis.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb[_3be02fff-c9cb-4ecc-b239-f6970f54abce] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing

van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het

beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een

besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

2. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 14 maart 2022. Verweerder had op grond

van artikel 2u, eerste lid, van de Vw[_8d0141e9-42dd-4b88-aa99-4db3850312d6] uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag moeten beslissen. Verweerder heeft deze termijn met drie maanden verlengd. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is verstreken zonder dat een besluit is genomen. Eiser heeft verweerder op 19 april 2023 rechtsgeldig in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag.

3. Als verweerder niet op tijd heeft beslist, legt de rechtbank op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn op van twee weken waarbinnen hij een besluit bekend moet maken. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid van deze bepaling een andere termijn opleggen of een andere voorziening treffen.

4. De rechtbank is van oordeel dat bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van

een asielvergunning op dit moment sprake is van een bijzonder geval. Zij verwijst voor een

uitgebreide motivering naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 17

maart 2023.[_4708a98d-10b5-4d61-99ae-1b598da49eff] Er is dan ook reden om met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb

een langere termijn dan twee weken op te leggen. De rechtbank hanteert daarbij de uitgangspunten zoals geformuleerd in de eerder genoemde uitspraak van zittingsplaats Arnhem.

5. In dit geval heeft verweerder in het verweerschrift aangegeven dat hij voornemens is om DNA-onderzoek op te starten. Verweerder heeft daarom in zijn verweerschrift van 12 juli 2023 verzocht om een beslistermijn van zestien weken om een besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank acht deze termijn op zich redelijk, maar houdt anderzijds ook rekening met de inmiddels verstreken tijd sindsdien. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder thans binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend moet maken.

6. Eiser verzoekt de rechtbank om de door verweerder verbeurde bestuurlijke

dwangsommen vast te stellen. De rechtbank stelt vast dat de volledige termijn van artikel 4:17

van de Awb is verstreken, zodat verweerder aan eiser € 1.442 aan bestuurlijke dwangsommen

heeft verbeurd.

7. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat

verweerder een dwangsom van € 100 aan eiser verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn

wordt overschreden, met een maximum van € 7.500.

8. Het beroep is kennelijk gegrond. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de

rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak

alsnog een besluit bekend te maken op de aanvraag ten behoeve van eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro) moet betalen

voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum

van € 7.500 (zevenduizendvijfhonderd euro);

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen

ter hoogte van € 1.442 (veertienhonderdtweeënveertig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50

(vierhonderdzevenendertig euro en vijftig cent);

- bepaalt dat de staatssecretaris het door eiser betaalde griffierecht van € 184 (honderdvierentachtig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op

www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.