Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 15 juni 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:6422Zaaknummer AWb 21/3517
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 juni 2022
- Publicatiedatum
- 6 juli 2022
- Zaaknummer
- AWb 21/3517
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
plakvovo - niet-ontvankelijk
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.W. Craanen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2022.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/3517
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2022 in de zaak tussen
[verzoeker], van Surinaamse nationaliteit, verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000,[_18ec83f6-b9fc-4395-bafe-97d517cc3299] afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 21/3517).
Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 26 augustus 2021 (bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Dit besluit is door verweerder vervangen met het besluit van 28 februari 2022.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 26 augustus 2021 beroep ingesteld (AWB 21/5401), zodat het al ingediende verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich ook tegen het besluit van 28 februari 2022.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Bij uitspraak van vandaag[_f0af9318-8095-40e3-aa47-e8e1e31ee055] heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.W. Craanen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2022.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.