Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 3 februari 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:1142Zaaknummer SGR 21/8238
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 februari 2022
- Publicatiedatum
- 21 februari 2022
- Zaaknummer
- SGR 21/8238
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk. Het bestreden besluit betreft een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb. Daartegen kunnen geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen worden aangewend.
uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/8238
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2022 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. R. Moghni),
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder
(gemachtigde: K. Henning).
Procesverloop
In het besluit van 2 december 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster aangemaand haar schuld van € 8.842,01 binnen twee weken te betalen.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verzoekster heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van het griffierecht. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen. Op 27 januari 2022 heeft verzoekster het griffierecht alsnog betaald.
3. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.
Op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb of een dwangbevel.
Op grond van artikel 4:112, eerste lid, van de Awb maant het bestuursorgaan de schuldenaar, die in verzuim is, schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden. Op grond van het derde lid vermeldt de aanmaning dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.
4. Verzoekster spreekt van invordering in haar verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Dat doet zij ook in het ingestelde bezwaar. In tegenstelling tot wat verzoekster stelt, betreft het bestreden besluit echter geen terugvorderings- dan wel invorderingsbesluit, maar een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb. In het bestreden besluit heeft verweerder verzoekster aangemaand binnen twee weken het openstaande bedrag, dat is ontstaan als gevolg van een terugvordering, te betalen. Verweerder heeft daarbij vermeld dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van verzoekster uit te voeren invorderingsmaatregelen, meer specifiek door beslag te leggen op het inkomen en de goederen van verzoekster middels het versturen van een dwangbevel. Het besluit past aldus binnen de omschrijving in artikel 4:112 van de Awb en valt daarmee onder de uitzondering als bedoeld in artikel 8:4, aanhef en onder b, van de Awb. In samenhang bezien met de artikelen 7:1, eerste lid, en 8:81, eerste lid, van de Awb, kunnen tegen dit besluit daarom geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen worden aangewend, waaronder begrepen het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening.[_aa1c50a6-fca9-4346-bd72-4a5c4f6d81e2]
5. Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2022.
| griffier | voorzieningenrechter |
de griffier is verhinderd deze
uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.