Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Den Haag, 26 maart 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:2608Zaaknummer 09-837312-18 (ontneming)
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 26 maart 2020
- Publicatiedatum
- 26 maart 2020
- Zaaknummer
- 09-837312-18 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel nu niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het aanwezig hebben van 600 hennepplanten op één dag.
De rechtbank:
wijst af de vordering van het openbaar ministerie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Holleman, voorzitter,
mr. I.K. Spros, rechter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2020.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/837312-18 (ontnemingsvonnis)
Datum uitspraak: 26 maart 2020
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
(Promis)
Beslissing op de vordering van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
thans verblijvende: [adres] te [woonplaats].
1 Het onderzoek ter zitting
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 maart 2020.
De veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr. M.G. Cantarella, is verschenen en op de vordering gehoord.
2 De vordering
Standpunt van de officier van justitie
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt er toe dat de rechtbank het geldbedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), wordt geschat en dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 225.607,70.
Ter terechtzitting van 12 maart 2020 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 16.401,00 en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd genoemd bedrag aan de Staat te betalen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 12 maart 2020 primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat de veroordeelde niets te maken heeft met de aangetroffen hennepkwekerijen.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de veroordeelde slechts een korte periode heeft verbleven in het pand waar de hennepkwekerijen zijn aangetroffen, in welke korte periode geen twee oogsten hebben kunnen plaatsvinden. Tevens heeft de raadsman de rechtbank verzocht om rekening te houden met het feit dat de veroordeelde als katvanger kan worden beschouwd waardoor hij in principe niets, maar in ieder geval niet meer dan 10% van de opbrengst aan de kwekerij heeft overgehouden.
3 De beoordeling van de vordering
De rechtbank heeft de veroordeelde bij vonnis van 26 maart 2020 veroordeeld voor het aanwezig hebben van 600 hennepplanten op 13 december 2016 (feit 2). De rechtbank heeft veroordeelde vrijgesproken ter zake van het medeplegen van (feit 1 primair en feit 4 primair) en de medeplichtigheid bij (feit 1 subsidiair en feit 4 subsidiair) het telen van hennep, de daarbij behorende diefstal van elektriciteit (feit 3 en 6), het aanwezig hebben van 975 hennepplanten op 13 december 2016 (feit 5) en diefstal van elektriciteit in de periode van 13 december 2016 tot en met 12 januari 2017 (feit 7).
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het aanwezig hebben van 600 hennepplanten op één dag, zijnde het enige bewezenverklaarde feit. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
4 De beslissing
De rechtbank:
wijst af de vordering van het openbaar ministerie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Holleman, voorzitter,
mr. I.K. Spros, rechter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2020.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.