Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Amsterdam, 30 september 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:9947Zaaknummer 12261348 \ CV EXPL 26-7849

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30 september 2026
Publicatiedatum
14 oktober 2026
Zaaknummer
12261348 \ CV EXPL 26-7849
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proceskostenveroordeling, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Mondeling vonnis.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser 1] en [eiser 2] van een schadevergoeding van € 10.000,00,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 958,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het geschil
  2. 2 Waar gaat de zaak over
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12261348 \ CV EXPL 26-7849

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 30 september 2026

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [woonplaats 1] ,2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 2],

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],

procederend in persoon,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. J.J. Krajenveld.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.

De zaak wordt behandeld door mr. R.H.C. Jongeneel, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen als griffier.

Aanwezig zijn:

- mvr. [eiser 1],

- dhr. [eiser 2],

- dhr. [gedaagde],

- mr. Krajenveld, voornoemd.

De volgende stukken zijn op de zitting aan het procesdossier toegevoegd:

- het e-mailbericht van vrijdag 25 september 2026 aan partijen, waarin op grond van artikel 22 Rv een bevel is gegeven om in het geding te brengen: het e-mailbericht dan wel de e-mailberichten waarbij de belangstellenden van de inschrijving op de hoogte zijn gesteld.

- het e-mailbericht van (de gemachtigde van) [gedaagde] van 28 september 2026 en het bijgevoegde e-mailbericht.

Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 29a lid 3 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 1 oktober 2026 aan partijen is afgegeven.

1 Het geschil

1.1.

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat de kantonrechter [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt tot betaling € 25.000,00, vermeerderd met proceskosten.

1.2.

[gedaagde] wil dat de vordering wordt afgewezen, met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

2 Waar gaat de zaak over

2.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser 1] en [eiser 2] als gevolg van onrechtmatig handelen van [gedaagde] meer hebben geboden dan zij anders zouden hebben gedaan bij de inschrijving in het kader van de verkoop van de woning aan [adres]. [eiser 1] en [eiser 2] hebben na een aanvankelijk bod van € 1.100.000,00 bij de inschrijving een bod gedaan van € 1.160.000,00, steeds zonder financieringsvoorbehoud. Er was één andere inschrijving voor € 1.100.000,00, met financieringsvoorbehoud. Het verschil tussen het aanvankelijke bod en het bod bij inschrijving willen [eiser 1] en [eiser 2] vergoed zien. [eiser 1] en [eiser 2] beperken hun vordering uitdrukkelijk tot € 25.000,00.

3 De beoordeling

3.1.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen door het onrechtmatige gedrag van de makelaar meer te hebben geboden bij de inschrijving dan zij anders zou hebben gedaan.

De tuchtcommissie heeft twee klachten gegrond verklaard: ongelijke behandeling van de geïnteresseerden en het ontbreken van een biedlogboek.

3.2.

Het ontbreken van een biedlogboek kan geen schade veroorzaakt hebben, omdat eisers ten tijde van de uiteindelijk uitgebrachte bieding niet wisten dat een biedlogboek ontbrak. De hoogte van het bod kan daardoor dus niet zijn beïnvloed.

3.3.

Ook als in strijd met de waarheid zou zijn gezegd dat er twee andere biedingen waren die net onder het bod van eisers lagen kan daaruit geen schade zijn ontstaan, omdat dit niet van invloed kan zijn geweest op de bieding. Dus hangt de beoordeling af van de gestelde ongelijke behandeling van de bieders. Daarbij is van belang op welk moment de geïnteresseerden van de inschrijving op de hoogte zijn gesteld.

3.4.

[gedaagde] heeft bij e-mailbericht van 15 augustus 2024 het verkoopproces toegelicht. Uit dit e-mailbericht kan worden afgeleid dat anderen geïnteresseerden al eerder dan [eiser 1] en [eiser 2] ervan op de hoogte waren dat er een inschrijving zou plaatsvinden. [gedaagde] brengt hiertegen in dat uit het e-mailbericht van 28 maart 2024 11:28 blijkt dat alle geïnteresseerden op hetzelfde moment zijn geïnformeerd over de inschrijving. Ook als er vanuit wordt gegaan dat aan alle geïnteresseerden op hetzelfde moment het mailbericht over de inschrijving is gestuurd, kan daaruit niet worden afgeleid dat andere geïnteresseerden dan [eiser 1] en [eiser 2] niet eerder van de inschrijving op de hoogte waren. In de uitspraak van de tuchtcommissie staat, voor zover van belang, het volgende: “(...) Uit dit laatste emailbericht [bedoeld is het mailbericht van 15 augustus 2024 waarin [gedaagde] het verkoopproces heeft toegelicht, kantonrechter] blijkt dat geïnteresseerden in de gelegenheid zijn gesteld om met een aannemer langs te komen nadat zij ervan op de hoogte waren gebracht dat zou worden verkocht bij inschrijving met sluiting op 29 maart om 12:00u. Deze geïnteresseerden moeten vóór 28 maart 2024 (wellicht mondeling) zijn ingelicht over de (sluiting van de) inschrijving. Anders zou het immers niet mogelijk zijn geweest om vóór 29 maart om 12:00u verschillende bezichtigingen met verschillende aannemers te organiseren. De andere potentiële kopers moeten dus eerder op de hoogte zijn gebracht van het biedproces dan de klager, die pas op 28 maart 2024 is geïnformeerd. Dat niet de beklaagde maar [naam] een en ander aan geïnteresseerden zou hebben meegedeeld maakt dit niet anders, aangezien uit het emailbericht van 15 augustus 2024 blijkt dat de verkopende makelaars (“wij”) samen optrokken en voor elkaar optraden. De gezamenlijke verantwoordelijkheid blijkt tevens uit de opdracht tot dienstverlening die de beklaagde heeft gesloten met de verkoper. (...)”

3.5.

Evenals de tuchtcommissie is de kantonrechter daarom van oordeel dat ervan uit moet worden gegaan dat geïnteresseerden ongelijk behandeld zijn. Andere geïnteresseerden hebben langer de tijd gehad om over hun bieding bij de inschrijving na te denken. De kantonrechter acht aannemelijk dat door de korte bedenktermijn een prijsopdrijvend effect is ontstaan. Welke schadelijke gevolgen dit heeft gehad kan niet nauwkeurig worden vastgesteld, de kantonrechter moet daarom op 6:97 BW de schade schatten. De kantonrechter schat deze schade op € 10.000,00.

3.6.

De conclusie is dat [gedaagde] aan [eiser 1] en [eiser 2] een bedrag van € 10.000,00 moet betalen.

Proceskosten

3.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. De proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€155,02
- griffierecht€753,00
- verletkosten€50,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€958,02
3.8.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

3.9.

De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser 1] en [eiser 2] van een schadevergoeding van € 10.000,00,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 958,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.