Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Amsterdam, 16 juli 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:9946Zaaknummer C/13/783397 / HA RK 26-46

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
19 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/783397 / HA RK 26-46
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopig getuigenverhoor. Afgewezen. Onvoldoende belang.

De rechtbank

5.1.

wijst het verzochte af,

5.2.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Huber, rechter en bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek, de achtergronden daarvan en het verweer
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer / rekestnummer: C/13/783397 / HA RK 26-46

Beschikking van 16 juli 2026

in de zaak van

[verzoeker], onder andere handelend onder de naam [handelsnaam verzoeker],

wonende in [woonplaats],

verzoeker,

hierna te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker,

tegen

[verweerder] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats],

verweerster,

hierna te noemen: [verweerder],

advocaat: mr. A.E. van Zoest.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met producties 1 tot en met 3,
  • het verweerschrift, met producties 1 tot en met 3,
  • het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 mei 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] is een keten van pizzarestaurants met vestigingen in Nederland.

2.2.

Op 30 maart 2022 heeft [verzoeker] met [verweerder] een franchiseovereenkomst gesloten, voor de exploitatie van een vestiging van [verweerder] aan de [adres] in [plaats 1]. De franchiseovereenkomst heeft een looptijd van vijf jaar, ingaand op 1 april 2022 en eindigend op 31 maart 2027.

2.3.

[verzoeker] heeft met [verweerder] op 31 maart 2022 ook een huurovereenkomst gesloten voor het pand in [plaats 1].

3 Het verzoek, de achtergronden daarvan en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. De omzet die [verzoeker] heeft gerealiseerd in zijn vestiging in [plaats 1] is sterk achtergebleven bij de prognoses die [verweerder] bij het aangaan van de franchiseovereenkomst heeft geschetst. [verzoeker] wil daarom onder de franchiseovereenkomst uit maar wel het pand blijven huren, om daarin zijn restaurant, naar eigen inzicht, voort te zetten. [verweerder] wil hem daarin niet tegemoet komen. [verzoeker] overweegt een procedure tegen [verweerder] te beginnen om de franchiseovereenkomst van tafel te krijgen. Daarin wil [verzoeker] het standpunt innemen dat [verweerder] hem bewust van verkeerde (te rooskleurige) of te weinig informatie heeft voorzien en/of haar zorgplicht heeft geschonden. Op basis daarvan heeft [verzoeker] mogelijk gedwaald bij het aangaan van de franchiseovereenkomst, heeft [verweerder] onrechtmatige gehandeld en/of is zij tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de franchiseovereenkomst. Om zijn procespositie in een eventueel te voeren procedure en de grondslagen daarin te kunnen bepalen, wil [verzoeker] de volgende getuigen horen.

  • [verzoeker] zelf,
  • [naam 1], zijn echtgenote die bij [verzoeker] in het restaurant werkt,
  • [naam 2], voormalig franchisenemer van een vestiging in [plaats 2],
  • [naam 3], voormalig franchisenemer van een vestiging in [plaats 3],
  • [naam 4], voormalig franchisenemer van een vestiging in [plaats 4],
  • [naam 5], franchisenemer van een vestiging in [plaats 5] en
  • [naam 6], franchisenemer van een vestiging in [plaats 6].

Getuigen 3 t/m 7 worden hierna de (voormalig) franchisenemers genoemd.

3.2.

[verweerder] vindt dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen. [verzoeker] is niet-ontvankelijk omdat het verzoekschrift niet voldoet aan de wettelijke eisen. Een kernachtige, heldere en precieze omschrijving van het feitencomplex en de gronden waarop het verzoek betrekking heeft, ontbreken. Het verzoek is ook onvoldoende concreet. Verder heeft [verzoeker] onvoldoende belang bij de bewijsverrichting, omdat de onderliggende vordering geen kans van slagen heeft. Daarnaast zijn de ervaringen van franchisenemers op andere locaties, met een andere ligging, marktgebied en andere omstandigheden, niet relevant voor de beoordeling van de vorderingen die [verzoeker] tegen [verweerder] wil instellen met betrekking tot de vestiging in [plaats 1]. Het belang van [verzoeker] weegt niet op tegen het belang van [verweerder] bij afwijzing. [verzoeker] en zijn echtgenote kunnen als partijgetuige hun verklaringen afleggen in een bodemprocedure. Daarnaast maakt [verzoeker] misbruik van bevoegdheid en is het verzoek in strijd met de eisen van een goede procesorde, omdat sprake is van een fishing expedition.

4 De beoordeling

[verzoeker] is ontvankelijk in zijn verzoek

4.1.

In een verzoekschrift voor een voorlopige bewijsverrichting, zoals hier, moet op grond van artikel 197 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staan:

  • een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek,
  • de aard en het beloop van de vordering en
  • de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
4.2.

De rechtbank oordeelt dat de inhoud van het verzoekschrift van [verzoeker], zoals hiervoor onder 3.1 samengevat weergegeven, aan de formele eisen van artikel 197 lid 2 Rv voldoet. Het verzoek is op grond van 196 Rv dan in beginsel toewijsbaar tenzij sprake is van een van de volgende afwijzingsgronden:

  • de informatie die in dit geval [verzoeker] door de voorlopige getuigenverhoren wil krijgen, is niet voldoende bepaald,
  • [verzoeker] heeft onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting,
  • het verzoek om de voorlopige bewijsverrichting is in strijd met de goede procesorde,
  • [verzoeker] maakt misbruik van zijn bevoegdheid,
  • en (andere) gewichtige reden.

Deze criteria lopen enigszins in elkaar over en kunnen naast elkaar van toepassing zijn.[_98c8ef84-6b5e-41f5-b022-8e4f844f8283]

Het verzoek wordt afgewezen

4.3.

De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] voor alle getuigen af, omdat [verzoeker] daarbij onvoldoende belang heeft. De rechtbank licht dit als volgt toe.

De (voormalig) franchisenemers

4.4.

[verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift opgenomen welke feiten hij met de getuigenverhoren wil bewijzen:

  • Aantonen dat [verweerder] voorafgaand aan de start van de exploitatie op de hoogte was dan wel had behoren te zijn van het feit dat de vestiging in [plaats 1] nooit rendabel zou kunnen zijn,
  • Aantonen dat [verweerder] nimmer haar verantwoordelijkheid in deze genomen heeft en dat zij heeft nagelaten [verzoeker] te ondersteunen dan wel mee te denken hierover,
  • Aantonen op welke wijze, door en met welke personen het businessplan en de omzet- en resultaatsprognoses tot stand zijn gekomen voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst,
  • Aantonen dat hij tijdig en diverse malen zorgen heeft geuit en aan zijn klachtplicht heeft voldaan,
  • Aantonen dat de problematiek waarmee [verzoeker] kampt op meerdere plaatsen in de formule wordt gevoeld, en zelfs heeft geleid tot gerechtelijke procedures en sluitingen van vestigingen, met grote financiele en emotionele schade tot gevolg.
4.5.

[verzoeker] heeft op de zitting gezegd dat hij met de getuigenverhoren wil achterhalen of [verweerder] op de hoogte was van terugkerende risico’s in haar formule, prognoses, ondersteuning, inkoopvoorwaarden, uitbreidingsstrategie en winstgevendheidaannames, en of die kennis van invloed had moeten zijn op wat [verweerder] aan [verzoeker] heeft medegedeeld. Die kennis van [verweerder] bepaalt volgens [verzoeker] direct de reikwijdte van haar informatie- en zorgplichten tegenover individuele franchisenemers, waaronder [verzoeker]. De (voormalig) franchisenemers kunnen volgens hem verklaren over dezelfde formule, vergelijkbare rendementsproblemen en over wat zij daarover aan [verweerder] hebben teruggekoppeld.

4.6.

[verweerder] voert onder andere aan dat het niet aannemelijk is dat de (voormalige) franchisenemers uit eigen wetenschap kunnen verklaren dat de vestiging in

[plaats 1] onmogelijk rendabel geëxploiteerd kan worden. De (voormalige) franchisenemers zitten in verschillende regio’s, niet in [plaats 1]. Een aantal hebben om uiteenlopende (waaronder ook persoonlijke) redenen en afwijkende feitencomplexen afscheid genomen of moeten nemen van de [verweerder] formule. Voor verzochte getuige [naam 4] geldt dat hij een gerechtelijke procedure tegen [verweerder] is gestart, de rechtbank diens vordering heeft afgewezen en heeft overwogen dat [naam 4] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de exploitatie van zijn vestiging inherent onmogelijk was en ook niet dat [verweerder] dit had kunnen weten. [naam 4] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, waarop nog niet is beslist.

4.7.

De rechtbank oordeelt dat [verzoeker] onvoldoende concreet heeft gemaakt waarom de informatie die deze getuigen mogelijk kunnen geven relevant kan zijn voor (de slagingskans van) een eventueel te voeren bodemprocedure. Daarom heeft [verzoeker] onvoldoende belang bij het horen van deze getuigen. De rechtbank begrijpt [verzoeker] zo dat de stelling dat de prognoses die [verweerder] heeft geschetst (veel) te rooskleurig waren de basis vormt van eventueel tegen haar in te stellen vorderingen. [verweerder] heeft gemotiveerd betwist dat de (voormalige) franchisenemers iets kunnen verklaren over de (juistheid van de) prognoses die destijds voor vestiging [plaats 1] zijn afgegeven. [verzoeker] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht. Voor de stelling van [verzoeker] dat sprake is van zodanige structurele problemen bij andere vestigingen van [verweerder] dat dat gevolgen zou moeten hebben voor haar mededelings- of zorgplicht bij de vestiging in [plaats 1] heeft [verzoeker] geen begin van aannemelijkheid gegeven. Dat een aantal van de (voormalige) franchisenemers mogelijk niet tevreden waren of zijn met de gerealiseerde omzet, is daarvoor onvoldoende. Ook heeft [verzoeker] niet gesteld dat en waarom de (voormalig) franchisenemers kunnen verklaren over de gestelde structurele problemen en de wetenschap daarvan bij [verweerder] in 2022, ten tijde van het sluiten van de franchiseovereenkomst met [verzoeker]. Voor de hiervoor onder 4.4 opgenomen punten ii. t/m iv geldt dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de (voormalige) franchisenemers hierover uit eigen wetenschap kunnen verklaren.

[verzoeker] en zijn echtgenote [naam 1]

4.8.

De rechtbank oordeelt dat [verzoeker] ook bij het horen van zijn echtgenote en hemzelf onvoldoende belang heeft. Een voorlopig getuigenverhoor is bedoeld om informatie te krijgen of bewijs vast te leggen aan de hand waarvan partijen hun positie in een mogelijke procedure of in de onderhandelingen beter kunnen inschatten en beoordelen of het raadzaam is om een procedure te beginnen.[_c666cc2f-54ca-4e8a-9f20-108f6d5a897b] De informatie die [verzoeker] bij zichzelf en zijn echtgenote wil vergaren, is informatie waarover hij al beschikt en die hij kan wegen in het al dan niet voeren van een bodemprocedure en de mogelijke grondslagen van zijn vordering daarin. Van een belang van [verzoeker] bij het vastleggen van zijn eigen verklaring en die van zijn vrouw is de rechtbank niet gebleken.

Proceskostenveroordeling

4.9.

Omdat [verzoeker] ongelijk krijgt, moet hij de proceskosten van [verweerder] betalen, zoals verzocht door [verweerder]. De proceskosten van [verweerder] worden begroot op:

- griffierecht€735,00
- salaris advocaat€1.306,00(2 punten × € 653,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€2.230,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzochte af,

5.2.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Huber, rechter en bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.