Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:8328Zaaknummer AMS 25/2277

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Publicatiedatum
21 september 2026
Zaaknummer
AMS 25/2277
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Onterechte weigering uitkering werkloosheidwet. Volgens het Uwv is eiser verwijtbaar werkloos geworden doordat hij zelf de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd of omdat hij geen passende arbeid heeft behouden. Niet aannemelijk is geworden dat de werkgever een concreet aanbod heeft gedaan om het dienstverband voort te zetten.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 maart 2025;

- draagt het Uwv op om binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.W. van de Kar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], uit [woonplaats], eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/2277

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Bouwman),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

(gemachtigde: mr. E. Kok).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering door het Uwv om eisers recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) uit te keren, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Eiser is het niet eens met de weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv ten onrechte heeft geweigerd de WW-uitkering van eiser uit te betalen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Het Uwv heeft met het primaire besluit van 7 november 2024 geweigerd de WW-uitkering aan eiser uit te keren.

2.1.

Met het bestreden besluit van 20 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij dat besluit gebleven. Met het bestreden besluit heeft het Uwv vastgesteld dat eiser per 3 april 2024 recht heeft op een WW-uitkering en bepaald dat deze wegens verwijtbare werkloosheid niet tot uitbetaling komt, omdat de arbeidsovereenkomst beëindigd is op het initiatief van eiser terwijl dit niet noodzakelijk was. De ex-werkgever had het dienstverband namelijk willen voortzetten.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Het Uwv heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht heeft geweigerd de WW-uitkering van eiser uit te betalen, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden.

4. Vast staat dat eiser en zijn ex-werkgever een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, namelijk voor de duur van 12 maanden, hadden afgesloten en dat deze van rechtswege eindigde op 2 april 2024.

5. Eiser stelt dat de arbeidsovereenkomst niet op zijn initiatief is beëindigd. Er is sprake van een contract voor bepaalde tijd en dat is van rechtswege geëindigd. Volgens eiser is hem geen passende arbeid aangeboden en is er geen aanbod gedaan om de arbeidsovereenkomst te verlengen. Eiser verklaart verder dat hij niet meer goed door één deur kon met zijn ex-werkgever en dat diverse keren is gedreigd met een loonstop.

5.1.

Ter zitting heeft eiser betwist dat hij tijdens een gesprek op 8 januari 2024 – of daarna – heeft gezegd dat hij de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen. Eiser heeft gesteld dat dit gesprek ging over zijn ziekmelding van december 2023 en dat hij in dit gesprek heeft aangegeven dat zijn ziekteproces nog wel enige tijd zou duren. De insteek van het gesprek was de ziekmelding. Tijdens het gesprek en ook daarna is vanuit de ex-werkgever nooit een aanbod gedaan om de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te verlengen. De teamleider was ook niet aanwezig tijdens het gesprek. De ex-werkgever stuurde op een gegeven moment aan op einde van het dienstverband per einde contract, maar eiser wilde een gesprek met de bedrijfsarts over de ziekmelding. Hij heeft daarom verzocht om de bedrijfsarts in te schakelen.

6. De rechtbank volgt het Uwv niet in het standpunt dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden omdat eiser zelf de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd voordat deze van rechtswege eindigde op 2 april 2024.

6.1.

Weliswaar bevindt zich in het dossier een e-mail van 18 januari 2024 van de ex-werkgever aan eiser met de titel: “brief bevestiging opzegging op eigen verzoek”, maar daarop heeft eiser op 19 januari 2024 geantwoord met het volgende: “Er wordt duidelijk aangestuurd op een einde dienstverband, dat is als werknemer denk ik nooit leuk om te horen.” Hieruit is niet aannemelijk geworden dat eiser zelf de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen. Daarna volgen er verschillende e-mails tussen eiser en de ex-werkgever over de te late inzet van de bedrijfsarts, het opleggen van een loonstop, het meewerken aan re-integratie en het (niet verwijtbaar) niet verschijnen bij de bedrijfsarts. In deze e-mails wordt niet gerept over een einde van het dienstverband.

7. Voor zover het Uwv meent dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij geen passende arbeid, namelijk zijn eigen werk, heeft behouden, volgt de rechtbank ook dit standpunt niet.

7.1.

In het dossier bevindt zich een brief met de titel “bevestiging beëindiging contract op eigen verzoek van 29 februari 2024”. Daarin staat onder andere vermeld: “in een opvolgend gesprek heb je aangegeven dat jij je toekomst echter niet bij [bedrijf] ziet. We hebben jou medegedeeld dat [bedrijf] voornemens was om je contract voor bepaalde tijd te verlengen. Omdat je wenst het contract niet te verlengen loopt in dit geval je arbeidsovereenkomst af op 2 april 2024.”

7.2.

Eiser betwist dat hij dat hij zijn contract niet wilde verlengen. Ook stelt hij dat hem nooit een aanbod is gedaan voor contractverlenging.

7.3.

Uit de stukken in het dossier is niet aannemelijk geworden dat de ex-werkgever eiser op enig moment een concreet aanbod heeft gedaan om het dienstverband voort te zetten. Enkel de zinsnede dat de ex-werkgever voornemens was om het contract voor bepaalde tijd te verlengen, is daarvoor onvoldoende. Uit het dossier blijkt niet dat aan eiser op enig moment een concreet aanbod is gedaan om zijn arbeidsovereenkomst te verlengen. Niet is duidelijk geworden welk werkaanbod is gedaan, voor welke omvang en onder welke voorwaarden.[_deed2648-a00c-41bf-aa48-b5fe52a863e9] Een enkel (onuitgesproken) voornemen daartoe is onvoldoende.

8. Dit betekent dat het Uwv ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Het Uwv had dan ook niet de uitbetaling van de WW-uitkering mogen weigeren en zal alsnog moeten overgaan tot betaling van de WW-uitkering van eiser per 3 april 2024.

9. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen nu eiseres in dat verband geen enkele toelichting heeft gegeven. Voor zover eiser hiermee bedoelt vergoeding van vertragingsschade, merkt de rechtbank op de het Uwv op basis van artikel 4:102 van de Algemene wet bestuursrecht wettelijke rente verschuldigd is.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in deze zaak te voorzien, aangezien het Uwv eerst de omvang van het WW-recht zal moeten berekenen alvorens de WW-uitkering te kunnen uitbetalen. Het Uwv zal daarom, met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak, een nieuw besluit moeten nemen waarin het Uwv de hoogte van het recht op WW-uitkering vaststelt. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.

10.1.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij het Uwv in de proceskosten die eiser in beroep heeft gemaakt. De rechtbank stelt de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

10.2.

De rechtbank bepaalt tot slot dat het Uwv het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 maart 2025;

- draagt het Uwv op om binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.W. van de Kar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.