Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Amsterdam, 4 augustus 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:7872Zaaknummer AMS 26/4437

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
4 augustus 2026
Publicatiedatum
13 augustus 2026
Zaaknummer
AMS 26/4437
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

In dit verzoek om voorlopige voorziening verzoekt verzoekster om gehoord te worden door een externe bezwaarcommissie. De Dienst Toeslagen ziet namelijk alleen aanleiding om verzoekster ambtelijk te horen. Haar verzoek hangt samen met haar bezwaarschrift tegen een besluit van de Dienst Toeslagen waarin is bepaald dat zij geen recht heeft op een vergoeding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
  2. Dienst Toeslagen, verweerder.
  3. Inleiding
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/4437

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een besluit van verweerder van

15 mei 2024 (het primaire besluit). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoekster heeft zich bij verweerder gemeld en verzocht om een integrale beoordeling van de kinderopvangtoeslag.

3. Met het primaire besluit heeft verweerder besloten dat verzoekster geen recht heeft op een vergoeding. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en op 24 juli 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter.

4. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat vindt verzoekster?

5. In haar verzoekschrift heeft verzoekster aangegeven dat het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat verweerder de bezwaarprocedure voortzet buiten advisering van de BAC[_6104c581-9fb6-4694-8e8b-b3b0a2286569] om. Als er een ambtelijke hoorzitting plaatsvindt, wordt de procedure volgens verzoekster feitelijk voortgezet in strijd met de Instellingsregeling BAC. Het handelen van verweerder leidt er toe dat verzoekster het recht wordt ontnomen op advisering van haar bezwaar door een onafhankelijke adviescommissie waarop de Instellingsregeling aanspraak geeft. Als de hoorzitting eenmaal heeft plaatsgevonden, is dit gebrek niet of slechts zeer moeilijk te herstellen. De procedure zal zijn ingericht buiten de wettelijk voorgeschreven waarborg. Een latere vernietiging van de beslissing op bezwaar biedt daarvoor onvoldoende compensatie. In het kader van de belangenafweging stelt zij zich op het standpunt dat haar belangen in dit geval zwaarder wegen, omdat het gaat om een aanvullende waarborg voor een zorgvuldige en onafhankelijke heroverweging van besluiten van verweerder. Zij verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorzieningen te treffen dat verweerder verbiedt om het bezwaar van verzoekster door middel van ambtelijk horen af te doen en dat zij wordt gehoord door de BAC.

Overwegingen

6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Zij heeft onvoldoende onderbouwd waarom niet kan worden gewacht op de uitkomst van de bezwaarprocedure en, indien nodig, een daaropvolgende beroepsprocedure. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij bij behandeling van haar bezwaar door de BAC dient te worden gehoord en dat het achterwege blijven daarvan een onherstelbaar procedureel gebrek oplevert.

7. De voorzieningenrechter volgt haar daarin niet. Ambtelijk horen kan soms nodig zijn om de omvang van het geschil te bepalen, waarna alsnog een hoorzitting door de BAC kan volgen. Indien ten onrechte niet door de BAC wordt gehoord kan dit worden beoordeeld in een eventuele beroepsprocedure. In die procedure kan verweerder worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij het gebrek alsnog wordt hersteld. Van een onomkeerbare situatie is daarom geen sprake. Voor zover verzoekster stelt dat het afwachten van de bezwaar- en eventuele beroepsprocedure leidt tot vertraging, overweegt de voorzieningenrechter dat de enkele omstandigheid dat een procedure tijd in beslag neemt, onvoldoende is om een spoedeisend belang aan te nemen. Dat geldt in beginsel immers voor iedere bezwaar- en beroepsprocedure. Verzoekster heeft niet concreet onderbouwd waarom juist in haar geval sprake is van zodanige gevolgen dat niet kan worden gewacht op de uitkomst van de reguliere rechtsgang. De voorzieningenrechter is dan ook niet gebleken van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. De voorzieningenrechter is ook niet van oordeel dat op dit moment al evident is dat het besluit op bezwaar onrechtmatig zal zijn, omdat verzoekster niet is uitgenodigd om door de BAC te worden gehoord.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.