Uitspraak · Strafprocesrecht

Rechtbank Amsterdam, 2 juli 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:7401Zaaknummer 71/155605-25

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
71/155605-25
Rechtsgebied
Strafrecht, Strafprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde.

4 Beslissing

De rechtbank komt op grond hiervan tot de volgende beslissing.

Verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Biçer, voorzitter,

mr. H.E. Hoogendijk en mr. I. Timmermans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het onderzoek ter terechtzitting
  2. 2 Tenlastelegging
  3. 3 Bevoegdheid tot kennisneming van het ten laste gelegde
  4. 4 Beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 71/155605-25

Datum uitspraak: 2 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Huisman en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. P.J. van Hagen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

B.V. [bedrijf],

op een of meer tijdstippen,

in of omstreeks de periode van 22 januari 2024 tot en met 26 september 2024,

te Amsterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk, zonder een daartoe door de [naam bank] Bank verleende vergunning,

het bedrijf van wisselinstelling heeft uitgeoefend zoals bedoeld in artikel 1:1 van de

Wet op het financieel toezicht, terwijl hij zijn zetel in Nederland heeft,

door het meermalen wisselen van één valuta bankbiljetten en/of muntgeld voor een

andere valuta bankbiljetten en/of muntgeld, waaronder:

- de wisseltransactie op 10 september 2024, en

- de wisseltransactie op 26 september 2024

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan

wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijk leiding

heeft gegeven.

3 Bevoegdheid tot kennisneming van het ten laste gelegde

De raadsman heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde. Gelet op het feit dat een economisch delict aan verdachte is ten laste gelegd, is alleen de economische kamer van de rechtbank bevoegd om van dit feit kennis te nemen. Op de dagvaarding dient vermeld te worden dat verdachte wordt gedagvaard voor de economische kamer. In onderhavig geval staat op de dagvaarding vermeld dat verdachte is gedagvaard voor de meervoudige strafkamer.

De officier van justitie heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is om van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De rechtbank heeft bij mondelinge uitspraak zichzelf onbevoegd verklaard tot kennisneming van het ten laste gelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 38 van de Wet op de economische delicten en artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie, is slechts de economische kamer van de rechtbank bevoegd om van deze strafzaak kennis te nemen. Verdachte is echter gedagvaard om voor de meervoudige strafkamer te verschijnen. Daarbij komt dat geen van de leden van de combinatie afzonderlijk behoort tot de economische kamer, zodat de behandeling van de strafzaak ook op die grond geen doorgang kan vinden.

4 Beslissing

De rechtbank komt op grond hiervan tot de volgende beslissing.

Verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Biçer, voorzitter,

mr. H.E. Hoogendijk en mr. I. Timmermans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.