Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Amsterdam, 29 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7025Zaaknummer 12094419 \ CV EXPL 26-1725
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 juni 2026
- Publicatiedatum
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- 12094419 \ CV EXPL 26-1725
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proceskostenveroordeling, Proces-verbaal
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Mondelinge uitspraak. Achterstallige termijnen en resterende termijnen na eindigen overeenkomst tegen een contractuele vergoeding van 40% toegewezen.
2 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Proximedia te betalen een bedrag van € 2.835,75, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Proximedia te betalen een bedrag van € 425,36 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.168,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
Volledige tekst
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12094419 \ CV EXPL 26-1725
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 29 juni 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PROXIMEDIA NEDERLAND B.V.,
tevens handelende onder de naam ‘MKB ClickService’,
gevestigd te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Proximedia,
gemachtigde: Nouta Westland Gerechtsdeurwaarderskantoor,
tegen
[gedaagde]
handelende onder de naam ‘[bedrijf]’,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest als griffier.
Aanwezig zijn:
- aan de zijde van Proximedia: [naam] en mr. R. Erkelens namens de gemachtigde; - [gedaagde].
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
1 De gronden van de beslissing
Partijen hebben met elkaar een overeenkomst gesloten die inhoudt dat Proximedia voor [gedaagde] ten behoeve van zijn bedrijf 5 landingspagina’s zal maken en online zetten en daarnaast call tracking daaraan zal toevoegen, tegen betaling van eenmalige dossierkosten en een maandelijks vast bedrag door [gedaagde]. De overeenkomst is gesloten voor de duur van 24 maanden. In de overeenkomst is ook vastgelegd dat bij contractbreuk door [gedaagde] 40% van de nog resterende maandtermijnen verschuldigd wordt. Proximedia vordert nu betaling van € 2.835,75 voor openstaande maandtermijnen tot en met mei 2025 en 40% van de resterende maandtermijnen daarna.
Vaststaat dat die landingspagina’s en call tracking ook zijn gemaakt en toegepast. Maar [gedaagde] vindt dat hij daarvoor niet hoeft te betalen, omdat de pagina’s in totaal één dag online hebben gestaan en geen warme leads hebben opgeleverd, met andere woorden: telefoontjes en dus klanten.
Op 30 december 2024 heeft Proximedia per e-mail aan [gedaagde] laten weten dat de website online staat. Nergens blijkt uit dat [gedaagde] daarna op enig moment heeft geklaagd dat de website desondanks niet in de lucht was. Wel heeft hij meermalen naar Proximedia gebeld, maar uit de overgelegde interne gespreksnotities volgt niet dat hij iets heeft gezegd over het offline staan van de pagina’s. Volgens deze notities zou hij uitsluitend hebben geklaagd over het feit dat hij geen warme leads kreeg naar aanleiding van de website. Het had voor de hand gelegen dat in deze notities ergens melding zou zijn gemaakt van het offline staan van de website als [gedaagde] daarover had geklaagd. [gedaagde] heeft, anders dan zijn verklaring dat hij daarover meermalen heeft gebeld, zijn standpunt dat de landingspagina’s niet online stonden niet nader toegelicht. Zo had hij bijvoorbeeld een screenshot kunnen overleggen van de desbetreffende website die toen niet gevonden kon worden. Dat heeft hij niet gedaan. Bij die stand van zaken is komen vast te staan dat de landingspagina’s en de bijbehorende calltracking vanaf 30 december 2024 actief waren, en dat die pas 17 mei 2025 weer offline zijn gezet wegens de uitblijvende betaling van [gedaagde].
[gedaagde] stelt verder dat hij geen warme leads heeft gekregen via de website. Dat moge zo zijn, maar dat maakt niet dat hij niet aan Proximedia hoeft te betalen. Partijen hebben in artikel 5.3 van de overeenkomst afgesproken dat de overeenkomst een inspanningsverplichting inhoudt en niet een resultaatsverplichting. Daarnaast staat in artikel 4.1 van de overeenkomst nadrukkelijk dat het enige doel van de pagina’s is om de internetgebruiker te overtuigen om tot actie over te gaan, maar dat Proximedia de verhoogde vindbaarheid niet kan garanderen. Van een nadrukkelijke toezegging in weerwil van deze afspraak dat aan [gedaagde] wel warme leads waren gegarandeerd, is niet gebleken. Het ontbreken van warme leads is dus geen reden om niet te hoeven betalen.
Bij mondeling antwoord heeft [gedaagde] verder gesteld dat hij de overeenkomst op een gegeven moment telefonisch heeft ontbonden, maar vandaag heeft hij toegelicht dat hij niet daadwerkelijk tot ontbinding is overgegaan.
Omdat de overeenkomst niet door [gedaagde] is beëindigd, moet hij de eenmalige dossierkosten en ook de maandelijkse facturen, zoals gevorderd tot en met 31 mei 2025, betalen. Daarvan staat volgens Proximedia nog € 1.402,95 open. Niet is gebleken dat [gedaagde] daarvan al een deel heeft betaald.
Doordat hij die facturen niet binnen de overeengekomen betaaltermijn heeft betaald, heeft hij niet voldaan aan zijn verplichtingen tegenover Proximedia. Op grond van artikel 8.3 van de overeenkomst moet [gedaagde] daarom ook 40% van de nog niet vervallen maandelijkse termijnen betalen, in dit geval 18 maanden.
Dit alles bij elkaar betekent dat [gedaagde] aan Proximedia nog € 2.835,75 moet betalen.
Proximedia vordert daarnaast wettelijke handelsrente, die tot 16 januari 2026 € 173,04 zou bedragen. Zij heeft niet toegelicht hoe zij tot dit rentebedrag komt. Dit bedrag wordt daarom niet toegewezen. In plaats daarvan van wordt de wettelijke handelsrente toegewezen vanaf de datum van dagvaarden (21 januari 2026).
Daarnaast vordert Proximedia op grond van artikel 7 van de overeenkomst € 425,36 aan buitengerechtelijke incassokosten, zijnde 15% van de openstaande hoofdsom. Deze vordering is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Proximedia worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 133,92 | |
| - griffierecht | € | 529,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 506,00 | (2 punten × € 253,00) |
| Totaal | € | 1.168,92 |
2 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Proximedia te betalen een bedrag van € 2.835,75, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Proximedia te betalen een bedrag van € 425,36 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.168,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.