Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Amsterdam, 9 april 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:6920Zaaknummer C/13/758954 / FA RK 24-7466

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/13/758954 / FA RK 24-7466
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag en zorgregeling met opbouwregeling. Als de vader niet of niet voldoende meewerkt met de hulpvelening, blijft de opbouwregeling langer in stand.

De rechtbank:

- bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2023;

- draagt de griffier op om aantekening van deze beslissing te (laten) maken in het gezagsregister;

- bepaalt dat tussen partijen als zorgregeling zal gelden waarbij [minderjarige 1] bij de vader is;

iedere week van woensdag 12.00 uur tot zaterdag 11.00 uur bij zich heeft, waarbij de vader zorgdraagt voor het halen en brengen van [minderjarige 1] en waarbij voorts geldt dat de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld, waarbij geldt dat ten aanzien van de zomervakantie uiterlijk vóór 1 januari van het nieuwe jaar in de oneven jaren door de vader als eerste een keuze moet worden gemaakt voor wat betreft de gewenste 3 aaneengesloten zomervakantieweken en in de even jaren door de moeder, waarbij de andere ouder daaraan gebonden is;

- bepaalt dat deze omgang wordt opgebouwd als volgt: de ene week woensdag en vrijdag en de andere week woensdag en vrijdag met slapen tot zaterdagochtend gedurende een half jaar na heden, onder de voorwaarde dat partijen zo snel mogelijk een traject bij iHub (of als IHub alsnog besluit de hulpverlening niet te doen, alternatieve soortgelijke hulpverlening) aangaan, waarbij als voorwaarde geldt dat als de moeder haar medewerking daaraan niet verleend de opbouwregeling vervallen en gelijk de eindregeling in werking treden en waarbij voorts geldt dat als vader niet of niet in voldoende mate meewerkt met IHuB (of soortgelijke hulpverlening) de opbouwregeling tot en met 28 april 2028 in stand blijft en daarna pas de definitieve regeling zal gelden;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. H.P.E. Has, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, griffier, op 9 april 2026 .[_0ded4375-9188-414f-a95e-f22d05c8b9ac]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek en het verweer
  4. 4 De nadere standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/758954 / FA RK 24-7466 (HH/WvL)

Beschikking van 9 april 2026 betreffende wijziging van het gezag en omgang

in de zaak van:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. B. Blom te Purmerend,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de moeder,

advocaat voorheen mr. E.E. Sprenkeling, thans mr. G.L.D. Thomas te Almere.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,gevestigd te Amsterdam,hierna te noemen: de Raad.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • de beschikking van 19 februari 2025 die als hier herhaald en ingelast geldt;
  • het rapport van de Raad 17 november 2025 met bijlagen waaronder de schriftelijke reacties van de ouders.
1.2.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren is voortgezet op 10 maart 2026.

Verschenen en gehoord zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten, waarbij namens mr. Thomas mr. G.G. Kempenaars is verschenen. De moeder is bijgestaan door een tolk in de Engelse taal. Namens de Raad was de heer [persoon 1] aanwezig. Mr. Blom heeft pleitaantekeningen overgelegd. De vader heeft een schriftelijke verklaring overgelegd. Het voorwaardelijk verzoek is door de vader ingetrokken.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd in juli 2024.

2.2.

Uit deze relatie is geboren:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2023.

2.3.

De moeder heeft uit een eerdere relatie een zoon [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 te Brazilië, die ten tijde van de relatie tussen partijen bij hen heeft gewoond.

2.4.

Ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] was de moeder nog getrouwd met een andere man, de heer [persoon 2]. Bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 24 april 2024 is de ontkenning van het vaderschap van de heer [persoon 2] gegrond verklaard en de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de (biologische) vader in juridische zin vastgesteld.

2.5.

De moeder is van rechtswege belast met de uitoefening van het gezag. [minderjarige 1] verblijft bij de moeder sinds het uiteengaan van partijen, samen met [minderjarige 2].

2.6.

De vader en [minderjarige 1] hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Braziliaanse nationaliteit.

2.7.

Na het uiteengaan van partijen zijn zij een omgangsregeling overeengekomen waarbij de vader [minderjarige 1] wekelijks van donderdag na de opvang tot zondag 12.00 uur bij zich had.

2.8.

Vanaf 30 september 2024, heeft de moeder de in onderling overleg afgesproken omgangsregeling stopgezet en heeft de vader [minderjarige 1] alleen gedurende een paar uur op een paar dagen bij zich gehad. De aanleiding was dat moeder misbruik door vader vreesde nadat [minderjarige 1] met uitslag in het luiergebied en huidbeschadigingen op haar rechterbeentje na omgang met de vader naar de moeder werd teruggebracht.

2.9.

Bij vonnis in kort geding van 3 december 2024 is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [minderjarige 1] inhoudende dat [minderjarige 1] iedere week op woensdag en vrijdag van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de vader verblijft. Daarbij is de moeder veroordeeld aan deze regeling mee te werken op straffe van een dwangsom van €100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij de regeling niet nakomt, tot een maximum van €2500,00.

2.10.

Bij beschikking van 19 februari 2025 is de Raad verzocht advies uit te brengen, is bepaald dat de bij vonnis van 3 december 2024 vastgestelde voorlopige omgangsregeling voorlopig van kracht blijft, zijn de ouders verwezen naar het uniform hulpaanbod en zijn de verzoeken voor het overige aangehouden.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De vader verzoekt de rechtbank:

 tot vaststelling van een zorg-/omgangsregeling inhoudende dat de vader [minderjarige 1] iedere week van woensdag 12.00 uur tot zaterdag 11.00 uur bij zich heeft, waarbij de vader zorg draagt voor het halen en brengen van [minderjarige 1];

 te bepalen dat de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld, waarbij geldt dat ten aanzien van de zomervakantie uiterlijk vóór 1 januari van het nieuwe jaar een keuze moet worden gemaakt voor wat betreft de gewenste zomervakantieweken, bij gebreke waarvan een ouder die keuze mag maken en de andere ouder daaraan gebonden is;

 te bepalen dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het ouderlijk gezag worden belast ten aanzien van [minderjarige 1].

3.2.

De moeder verweert zich tegen de verzoeken van de vader en verzoekt de rechtbank de verzoeken van de vader af te wijzen.

4 De nadere standpunten

De Raad

Gezamenlijk gezag is in het belang van [minderjarige 1]. Er is basiscommunicatie tussen de ouders, die zij onder begeleiding van iHub nog kunnen verbeteren. De omgang moet bestaan uit twee tot drie vaste dagen doordeweeks waarop [minderjarige 1] bij haar vader kan zijn. Er zijn wel belemmeringen in de samenwerking tussen de ouders, door gebrek aan vertrouwen, maar zij staan open voor ondersteuning door iHub. De Raad heeft een verdeling van de omgang/zorgregeling voorgesteld maar acht het prima als de ouders zelf met een andere verdeling komen. Tussen de vader en [minderjarige 2] moet op dit moment geen vaste contactregeling worden bepaald. Voor hem is het belangrijk dat hij eerst passende hulpverlening krijgt om alles te verwerken wat hij de afgelopen jaren heeft meegemaakt.

Bij de mondelinge behandeling is aangevoerd dat het advies wordt gehandhaafd. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] zich een beeld kan vormen van beide ouders. Juist de kleine verschillen in visie over de opvoeding tussen de ouders zijn hier een struikelblok. De ouders moeten niet interveniëren in de tijd waarbij [minderjarige 1] bij de andere ouder verblijft. Dus geen dingen meegeven of opdrachten verlenen. De ouders moeten onderling de verschillende opvoedsituatie accepteren. [minderjarige 1] zal genieten van de tijd die zij bij de ouders doorbrengt, maar zij moet ook de gelegenheid hebben even contact te hebben met de andere ouders dan die waar zij op dat moment verblijft. Deze ouders zijn in staat samen goede afspraken te maken.

De moeder

Er is geen werkbare communicatiebasis. Zij ervaart structurele angst en onveiligheid, de conflicten tussen de ouders zijn duurzaam en diepgeworteld en [minderjarige 1] is ge jong om wisseling van verzorgers te kunnen verwerken. De moeder wenst dat het rapport wordt herzien op enkele punten, die aan te passen zodat: het gezag voortaan uitsluitend bij haar blijft, de omgang wordt voortgezet in de huidige vorm en

pas na afronding van een onafhankelijk deskundig onderzoek kan worden bezien of uitbreiding van de omgang in het belang van [minderjarige 1] is.

Bij de mondelinge behandeling is namens de moeder aangevoerd dat de vader altijd contact heeft gekregen met [minderjarige 1], maar niet altijd op de manier zoals hij dat graag zou zien. Vertrouwen bij het samen beslissingen nemen is nodig, maar dat vertrouwen is er niet. De vader maakt alleen verwijten en diskwalificeert de moeder. Er is nog veel werk aan de winkel tussen partijen en er moet ook zelfreflectie zijn. De gevraagde zorgregeling, en de eigen invulleng door de Raad, gaat te ver nu. De vrouw vindt het prima de omgang op te bouwen. Afspraken maken lukt nog niet, zoals bij haar ziekte.

De ene week woensdag en vrijdag en de andere week woensdag en vrijdag met slapen tot zaterdagochtend is het voorstel van moeder. Voor de rest moet nog niets worden vastgelegd over de omgang. [minderjarige 2] mag het gesprek met de vader aangaan, maar hij wil dat nu niet. Het is niet juist dat de moeder het gezag niet wil delen.

De moeder heeft verklaard dat de communicatie niet goed verloopt. De vader heeft andere visies/opvattingen. Simpele communicatie escaleert altijd weer. [minderjarige 1] ontwikkelt zich goed.

De vader

De vader is tevreden en opgelucht met het advies van de Raad. Het advies van de Raad op pagina 37 is het omgekeerde van wat de vader heeft voorgesteld. Dat is de regeling die moet worden ingezet met opbouw. [minderjarige 1] is het huis van de vader al gewend. De ouders hebben nu al contact via Whatsapp en er zijn ook heel veel dingen die wel goed verlopen. De vader vraagt om een eindbeslissing. Het is overigens niet juist dat de moeder altijd contact heeft toegestaan. De vader is juist heel opbouwend en het is handig als iHub meedenkt met partijen. Dat de vakanties en feestdagen bij helfte moeten worden verdeeld via iHub staat niet in het verzoek.

5 De beoordeling

Gezag

5.1.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind (kunnen) voordoen. Een verzoek om gezamenlijk met de moeder met het gezag te worden belast, zoals de vader hier heeft gedaan, wordt alleen maar afgewezen als er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zou raken tussen de ouders en het er niet op lijkt dat hier nog verbetering in komt.

5.2.

De rechtbank acht geen contra-indicaties aanwezig voor gezamenlijk gezag zoals genoemd in artikel 1:253c tweede lid BW en hiervoor beschreven. Het is de rechtbank niet gebleken dat partijen niet in staat zijn in onderling overleg beslissingen over [minderjarige 1] te nemen. Evenmin is gebleken dat afwijzing van het verzoek van de vader om een andere reden in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is. Dat de ouders nog niet op één lijn zitten qua communicatie en visie over de opvoeding, betekent niet dat de rechtbank hierdoor verwacht dat [minderjarige 1] klem en verloren raken tussen de ouders.

Het is wel belangrijk dat partijen direct een traject bij iHub aangaan ter verbetering van de communicatie en het opstellen van een ouderschapsplan. Partijen hebben ook getoond dat zij in staat zijn in gezamenlijkheid afspraken te maken. Dat blijkt onder meer uit de afspraken over de omgangsregeling, want de huidige omgang verloopt goed. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn voor misbruik of onveiligheid van [minderjarige 1] bij de omgang. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders in staat zijn samen beslissingen over [minderjarige 1] te nemen, dat de moeder als hoofdopvoeder van [minderjarige 1] de vader de ruimte zal gaan geven om zijn rol als mede-opvoeder te kunnen uitoefenen en dat zij hem zal betrekken bij belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige 1]. De rechtbank gaat er daarbij tevens van uit dat nu er door de rechtbank gelijk definitieve beslissingen worden genomen, door de hulpverlening (IHub of eventuele andere in te zetten hulpverlening) geen belemmeringen kunnen worden opgeworpen vanwege het argument dat de rechtbank nog beslissingen moet nemen.

5.3.

Het verzoek van de vader tot het gezamenlijk uitoefenen van het gezag met de moeder wordt dan ook toegewezen.

Zorgregeling

5.4.

De moeder heeft verklaard dat zij niet tegen omgang tussen de vader en [minderjarige 1] heeft en zij heeft een opbouwregeling voorgesteld.

Om dus zeker te zijn dat hulpverlening niet stagneert vanwege het soms door hulpverlening ingenomen standpunt dat hulpverlening niet zal worden ingezet omdat de rechtbank nog een beslissing moet nemen, neemt de rechtbank een definitieve beslissing.

De rechtbank zal het verzoek van de vader toewijzen grotendeels met de door de moeder voorgestelde opbouw. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zo snel als mogelijk deelnemen aan een traject bij IHub, en als IHub dat uiteindelijk wellicht toch niet zal doen, dan via alternatieve hulpverlening.

Als de moeder haar medewerking daaraan niet verleend, zal de opbouwregeling vervallen en gelijk de eindregeling in werking treden. Als vader niet of niet in voldoende mate meewerkt met IHuB (of soortgelijke hulpverlening) blijft de opbouwregeling tot en met 28 april 2028 in stand.

De opbouw zal plaatsvinden als volgt: de ene week woensdag en vrijdag en de andere week woensdag en vrijdag met slapen tot zaterdagochtend. Deze opbouw zal gelden gedurende een half jaar zodat partijen de tijd hebben het traject bij iHub te volgen en af te ronden.

Bij beide regelingen heeft de rechtbank heeft de vakantieregeling iets aangepast.

Overigens, het staat partijen uiteraard altijd vrij om in onderling overleg een afwijkende regeling overeen te komen.

5.5.

Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.

6 De beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2023;

- draagt de griffier op om aantekening van deze beslissing te (laten) maken in het gezagsregister;

- bepaalt dat tussen partijen als zorgregeling zal gelden waarbij [minderjarige 1] bij de vader is;

iedere week van woensdag 12.00 uur tot zaterdag 11.00 uur bij zich heeft, waarbij de vader zorgdraagt voor het halen en brengen van [minderjarige 1] en waarbij voorts geldt dat de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld, waarbij geldt dat ten aanzien van de zomervakantie uiterlijk vóór 1 januari van het nieuwe jaar in de oneven jaren door de vader als eerste een keuze moet worden gemaakt voor wat betreft de gewenste 3 aaneengesloten zomervakantieweken en in de even jaren door de moeder, waarbij de andere ouder daaraan gebonden is;

- bepaalt dat deze omgang wordt opgebouwd als volgt: de ene week woensdag en vrijdag en de andere week woensdag en vrijdag met slapen tot zaterdagochtend gedurende een half jaar na heden, onder de voorwaarde dat partijen zo snel mogelijk een traject bij iHub (of als IHub alsnog besluit de hulpverlening niet te doen, alternatieve soortgelijke hulpverlening) aangaan, waarbij als voorwaarde geldt dat als de moeder haar medewerking daaraan niet verleend de opbouwregeling vervallen en gelijk de eindregeling in werking treden en waarbij voorts geldt dat als vader niet of niet in voldoende mate meewerkt met IHuB (of soortgelijke hulpverlening) de opbouwregeling tot en met 28 april 2028 in stand blijft en daarna pas de definitieve regeling zal gelden;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. H.P.E. Has, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, griffier, op 9 april 2026 .[_0ded4375-9188-414f-a95e-f22d05c8b9ac]

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.