Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Amsterdam, 23 juni 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:6397Zaaknummer 11824180 \ CV EXPL 25-10532

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
11824180 \ CV EXPL 25-10532
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Schadevergoedingsuitspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis. Berekening coronakorting.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt verhuurder tot betaling aan huurder van € 8.160,52 aan coronahuurkorting, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 21 april 2026 tot de dag der algehele voldoening,

3.2.

veroordeelt verhuurder tot betaling aan huurder van € 3.226,86 aan te veel betaalde servicekosten, zoals vastgesteld bij de eindafrekening servicekosten 2022, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,

3.3.

veroordeelt verhuurder tot betaling aan huurder van € 907,33 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,

3.4.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kraak en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

fno: 33623

Zaaknummer: 11824180 \ CV EXPL 25-10532

Vonnis van 23 juni 2026

in de zaak van

[huurder] B.V.,

te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna te noemen: huurder,

gemachtigde: mr. M. van Heeren,

tegen

ORANJEVESTE B.V.,

te Amsterdam,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna te noemen: huurder,

gemachtigde: mr. S. van der Kamp.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 februari 2026,- de akte van huurder, - de akte van verhuurder.

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De beoordeling

De coronakorting en de huurachterstand

2.1.

Bij voornoemd tussenvonnis is huurder in de gelegenheid gesteld een nieuwe berekening van de coronakorting op te laten stellen en in het geding te brengen. Uit de nieuwe berekening volgt dat huurder recht heeft op een totale coronahuurkorting van € 30.469,59 inclusief btw. Hierop strekt in mindering de door huurder eenzijdig ingehouden huur van € 22.309,07 inclusief btw, zodat aan korting resteert een bedrag van € 8.160,52 inclusief btw.

2.2.

De berekening en de conclusie die huurder daaruit heeft getrokken zijn door verhuurder niet betwist, zodat € 8.160,52 inclusief btw aan coronakorting zal worden toegewezen. Over dit bedrag is geen wettelijke handelsrente toewijsbaar. Deze vordering vloeit immers niet voort uit een handelsovereenkomst tussen partijen, maar betreft een door de rechter op grond van artikel 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden) opgelegde wijziging van de (gevolgen van) de huurovereenkomst.

2.3.

De wettelijke rente is wel toewijsbaar. De rente is toewijsbaar vanaf 21 april 2026 (datum akte huurder), omdat dit de eerste gelegenheid is geweest waarbij de benodigde gegevens voor een juiste berekening van de coronakorting door huurder zijn verstrekt aan verhuurder.

2.4.

De door verhuurder in reconventie gevorderde huurachterstand met wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar, nu de huurkorting het volledige bedrag van de huurachterstand overstijgt en er dus volledig is verrekend.

Eindafrekening servicekosten 2022

2.5.

Omdat er geen sprake is van een huurachterstand kan verhuurder het overschot van de eindafrekening servicekosten 2022 niet verrekenen met enige huurachterstand. Zij zal dit bedrag (€ 3.226,86) daarom met wettelijke handelsrente aan huurder moeten betalen. De vordering van huurder op dit punt is toewijsbaar.

Buitengerechtelijke kosten

2.6.

Huurder vordert verder een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Huurder heeft voldoende gesteld dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering is getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 907,33 toegewezen.

2.7.

De gevorderde wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Artikel 6:119a BW heeft alleen betrekking op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst. Een verplichting tot vergoeding van schade (zoals de buitengerechtelijke incassokosten) valt daar niet onder. Het artikel biedt dus geen grondslag voor toekenning van wettelijke handelsrente wegens vertraging in de voldoening van buitengerechtelijke incassokosten. Wel is de wettelijke rente van art. 6:119 BW toewijsbaar te berekenen vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

Proceskosten

2.8.

De conclusie van deze procedure is dat verhuurder nog een substantieel bedrag aan huurder moet betalen. In zoverre is deze procedure niet nodeloos aangespannen door huurder. Daarentegen heeft huurder ook een groot aantal vorderingen ingesteld, die zijn afgewezen en zijn in reconventie vorderingen van de verhuurder toegewezen. Er is daarom aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt verhuurder tot betaling aan huurder van € 8.160,52 aan coronahuurkorting, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 21 april 2026 tot de dag der algehele voldoening,

3.2.

veroordeelt verhuurder tot betaling aan huurder van € 3.226,86 aan te veel betaalde servicekosten, zoals vastgesteld bij de eindafrekening servicekosten 2022, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,

3.3.

veroordeelt verhuurder tot betaling aan huurder van € 907,33 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,

3.4.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kraak en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.