Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Amsterdam, 29 april 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:4186Zaaknummer AMS 26/1909

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
AMS 26/1909
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening vanwege omzetting loongerelateerde WIA-uitkering naar (lagere) vervolguitkering. Afwijzing verzoek vanwege ontbreken spoedeisend belang. Niet gebleken van onomkeerbare situatie of acute financiële nood.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] , uit [woonplaats] (België), verzoekster
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/1909

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] (België), verzoekster

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het UWV).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de wijziging van haar WIA[_7b1fe219-41a6-40dd-a962-2edd8e266d0b]-uitkering.

2. Met het bestreden besluit van 19 februari 2026 heeft het UWV aan verzoekster laten weten dat haar loongerelateerde WIA-uitkering wordt omgezet naar een (lagere) vervolguitkering. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening.

3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat alsnog worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat deze geen voorlopige voorziening treft.

5. Verzoekster voert aan dat haar inkomen als gevolg van het bestreden besluit per 6 april aanzienlijk wordt verlaagt, terwijl het UWV nog geen beslissing op haar bezwaar heeft genomen. Verzoekster voert aan dat haar vaste lasten onder andere € 1.350,- per maand aan hypotheek en € 400,- per maand aan energiekosten bedragen. Zij heeft een gezien met vier jonge kinderen.

6. Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft verzoekster vervolgens toegelicht dat zij een partner heeft met een inkomen. Uit de ingediende loonstroken blijkt dat deze netto zo’n € 2.700 tot € 3.100,- per maand verdient. Verzoekster zelf ontvangt ongeveer € 710,- netto per maand (de WIA-uitkering). Hoewel er als gevolg van het bestreden besluit sprake is van een daling van het inkomen van verzoekster, stelt de voorzieningenrechter vast dat de door verzoekster genoemde hypotheeklasten en energiekosten uit het gezamenlijke inkomen kunnen worden voldaan en er daarnaast ook geld over blijft voor andere basisbehoeften. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het bestreden besluit leidt tot een onomkeerbare situatie of acute financiële nood. De conclusie is dan ook dat er geen sprake is van een spoedeisend belang waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

8. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.