Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Amsterdam, 20 februari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:1967Zaaknummer 26/931
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 februari 2026
- Publicatiedatum
- 4 september 2026
- Zaaknummer
- 26/931
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vovo. Afwijzing VOG. Buiten ziting. Geen spoedeisend belang.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos ‘t Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/931
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. N.D. Bouman),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
Verweerder heeft deze aanvraag met het het besluit van 10 september 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 februari 2026 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat verzoeker moet worden behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert hierover aan dat hij een groot belang heeft bij het verkrijgen van een VOG zodat hij meteen kan beginnen met zijn werkzaamheden als taxichauffeur. Verzoeker krijgt tot en met 31 maart 2026 een WW-uitkering en na deze periode komt hij zonder inkomsten te zitten. Verzoeker heeft zijn theorie- en praktijkexamen behaald en geïnvesteerd in een nieuwe auto. Het enige wat verzoeker nu nog in de weg staat om zijn werkzaamheden als taxichauffeur te beginnen, is het verkrijgen van een VOG. Bovendien heeft verzoeker nog een aantal boetes openstaan. Zonder inkomen is het voor verzoeker niet mogelijk om deze boetes te betalen en zullen zijn schulden opbouwen. Inmiddels is ook al beslag gelegd op het voertuig van verzoeker.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit wat verzoeker heeft aangevoerd niet sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker krijgt tot en met 31 maart 2026 een inkomen uit zijn WW-uitkering. Verzoeker heeft nog niet eerder gewerkt als taxichauffeur. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het voor verzoeker niet mogelijk is om werk te zoeken in een andere branche dan de taxibranche. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in zodanige omstandigheden verkeert dat van hem niet kan worden verlangd dat hij de beroepsprocedure afwacht. Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanknopingspunten daarvoor in de stukken die zich in het dossier bevinden. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen spoedeisend belang is.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos ‘t Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.