Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Amsterdam, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10591Zaaknummer 13/189254-26
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13/189254-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor medeplegen poging zware mishandeling, diefstal met geweld en openlijke geweldpleging tegen personen. Aan verdachte wordt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf opgelegd. Aan de voorwaardelijke straf worden bijzondere voorwaarden verbonden. Gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van poging zware mishandeling
feit 2:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken
feit 3:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 136 (honderdzesendertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen wanneer de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren.
Beveelt dat, wanneer verdachte de taakstraf niet naar behoren (heeft) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.
En stelt de volgende bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met Reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak.
Ambulante behandeling
Verdachte zal zich gedurende de proeftijd laten behandelen door Family Supporters of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er een behandelplek beschikbaar is. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Contactverbod
Verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met: slachtoffer [aangever 4], geboren op [geboortedatum], tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact.
Locatiegebod (met elektronisch toezicht)
Verdachte zal gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig zijn op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Bij de start dient verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding 10 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 16 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en afhankelijk van de dagbesteding.
Het huidige verblijfadres is [adres]. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat verdachte voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
Dagbesteding
Verdachte zal zich inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Beheersing middelengebruik
Verdachte zal meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat verdachte gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij:
Ten aanzien van. feit 1:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] toe en veroordeelt verdachte, hoofdelijk, tot betaling aan [aangever 1], van een bedrag van € 500,-, (vijfhonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 1].
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 500,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen.
Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van. feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangever 2], van een bedrag van € 284,- (tweehonderdvierentachtig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 2].
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] aan de Staat € 284,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van. feit 3:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte, hoofdelijk, tot betaling aan [aangever 3], van een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 3].
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 3] aan de Staat € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte, hoofdelijk, tot betaling aan [aangever 4], van een bedrag van € 3.300,- (drieduizend driehonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 300,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 4].
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 4] aan de Staat € 3.300,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 33 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Veroordeelt verdachte verder in de kosten door de benadeelde partijen [aangever 1], [aangever 2], [aangever 3] en [aangever 4] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.J. Bos, voorzitter,
mr. R.A. Sipkens en mr. P.B. Spaargaren, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. Spaander, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2026.
[(...)]
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
- 1 Het onderzoek ter terechtzitting
- 2 Tenlastelegging
- 3 Voorvragen
- 4 Waardering van het bewijs
- 5 Bewezenverklaring
- -vervolgens die [aangever 4] meermalen, op het hoofd te slaan, en
- 6 De strafbaarheid van de feiten
- 7 De strafbaarheid van verdachte
- 8 Motivering van de straf en maatregel
- 9 Vorderingen benadeelde partijen
- 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
- 11 Beslissing
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/189254-26
Datum uitspraak: 20 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
wonende op het adres [adres]
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.V. Streiff, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.C. Fleskens, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 1], [aangever 2], [aangever 3] en [aangever 4] en van wat [persoon], vertegenwoordiger van Slachtofferhulp Nederland, namens [aangever 1] en [aangever 2] en mr. T. Çatbaş, namens [aangever 3] en [aangever 4], daarover naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 30 juni 2026 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
- het medeplegen van een poging zware mishandeling jegens [aangever 1] (hierna: [aangever 1]) door hem onder andere met een kettingslot te slaan;
- diefstal met geweld in vereniging jegens [aangever 2] (hierna: [aangever 2] );
- openlijke geweldpleging tegen personen, te weten [aangever 3] (hierna: [aangever 3]) en [aangever 4] (hierna: [aangever 4] ), met enig lichamelijk letsel ten gevolge.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het onder 2 ten laste gelegde onderdeel medeplegen. Van dat onderdeel en de handelingen die daarbij horen, moet verdachte worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde onderdeel medeplegen en de onder 2 ten laste gelegde geweldshandelingen. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte aangever [aangever 2] van zijn fiets heeft getrokken of anderszins geweld heeft gebruikt bij het afpakken van de telefoon. Daarnaast heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit van het uiten van de beledigende en dreigende woorden zoals ten laste gelegd onder 3. Verdachte ontkent stellig dat hij die uitlatingen heeft gedaan en het dossier bevat onvoldoende steunbewijs om op dat onderdeel tot een bewezenverklaring te komen.
Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde poging zware mishandeling in vereniging en al het overige wat ten laste is gelegd onder 2 en 3, refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Medeplegen poging zware mishandeling (feit 1)
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde poging zware mishandeling in vereniging van [aangever 1] bewezen kan worden. De rechtbank verwijst hiervoor naar de inhoud van de aangifte, de bekennende verklaring van verdachte ter zitting dat hij [aangever 1] met een kettingslot heeft geslagen en het proces-verbaal waarin de camerabeelden zijn omschreven.
Diefstal met geweld (feit 2)
De rechtbank stelt voorop dat bewezen kan worden dat verdachte de telefoon van aangever [aangever 2] heeft gestolen, gelet op de inhoud van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.
De rechtbank is het met de officier van justitie en de raadsvrouw eens dat niet kan worden bewezen dat verdachte het feit tezamen met anderen heeft gepleegd. Op het moment dat verdachte de telefoon van [aangever 2] wegnam, werd hij daarbij niet geholpen door anderen. Pas na het wegnemen van de telefoon kwamen er andere personen bij die geweld hebben gepleegd richting [aangever 2]. Niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de personen die na het wegnemen van de telefoon geweld hebben gepleegd tegen [aangever 2]. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onderdeel medeplegen en van de handelingen die door de andere personen zijn verricht.
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat wel kan worden bewezen dat de diefstal gepaard is gegaan met geweld. Uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden volgt dat verdachte [aangever 2] vastpakte bij zijn arm en daaraan trok, waarna de telefoon op de grond viel en verdachte de telefoon oppakte en wegrende. De rechtbank is hiermee van oordeel dat er sprake is van een diefstal met geweld, waarbij verdachte zelf de geweldshandelingen heeft gepleegd.
Openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel ten gevolge (feit 3)
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat ook de ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen [aangever 3] en [aangever 4] kan worden bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de aangiftes en de bekennende verklaring van verdachte. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat alle laste gelegde gedragingen en uitlatingen bewezen kunnen worden, dus ook de bedreigende bewoordingen. De rechtbank baseert dit op de aangiftes, die elkaar voldoende ondersteunen en de verklaring van verdachte dat hij erg boos was en gescholden heeft.
Uit het letselverslag van [aangever 3] en de foto’s van het letsel van [aangever 4] volgt dat aangevers letsel hebben opgelopen. Bewezen kan dan ook worden dat de openlijke geweldpleging enig lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging zware mishandeling, een diefstal met geweld en openlijke geweldpleging tegen personen met letsel ten gevolge.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
feit 1
op 30 juni 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [aangever 1] vast heeft gepakt, en
- "aan de kant, anders sla ik je dood vriend" en "laat los, anders gaat het niet
goed met jou aflopen",, tegen
die [aangever 1] heeft geroepen, en
- met een vuist op het hoofd van die [aangever 1] heeft geslagen, en
- die [aangever 1] vast heeft gepakt en vervolgens naar beneden heeft getrokken, en
- met kracht met een metalen kettingslot op de rug, van
die [aangever 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
op 30 juni 2026 te Amsterdam, een telefoon, die aan [aangever 2], toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door
die [aangever 2] vast te pakken en de telefoon van die [aangever 2] af te pakken;
feit 3
op 30 juni 2026 te Amsterdam, op de Van Ostadestraat, in elk geval op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [aangever 3] en [aangever 4], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- "Fucking koelie, ik ga je afknallen. Ik ga een gannoe pakken en je knallen", althans
woorden van gelijke dreigende strekking tegen die [aangever 3] te roepen, en
- meermalen, die [aangever 3] te slaan, en
-vervolgens die [aangever 4] meermalen, op het hoofd te slaan, en
- die [aangever 3] met kracht in een nekklem te houden, en
- meermalen met een elleboog tegen het hoofd van die [aangever 3] te slaan, terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Motivering van de straf en maatregel
Eis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden die zijn geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte geen strafblad heeft, verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en sinds de incidenten op meerdere vlakken een positieve draai heeft gegeven aan zijn leven. Verdachte verkeerde ten tijde van de feiten in een lastige persoonlijke situatie en gebruikte middelen, waardoor hij die dag op een punt was gekomen dat hij niet meer helder kon nadenken. Inmiddels heeft verdachte de knop omgezet en is hij op eigen kracht met zichzelf aan de slag gegaan. Zo is hij gestopt met het gebruik van middelen en heeft hij stappen gezet op het gebied van werk en studie. Verdachte is zeer gemotiveerd om de positieve lijn door te trekken. Een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve ontwikkeling doorkruisen en dat is niet alleen onwenselijk voor verdachte, maar ook voor de samenleving. Om die reden wordt verzocht om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de duur van het voorarrest. Daarbij zou een taakstraf kunnen worden opgelegd van aanzienlijke duur.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 30 juni 2026 binnen een tijdsbestek van nog geen vijf uur schuldig gemaakt aan een drietal ernstige geweldsfeiten. Verdachte heeft volstrekt zinloos en op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De slachtoffers, die de moed hadden om verdachte terecht aan te spreken op zijn asociale en/of agressieve gedrag, moesten dat bekopen met geweld jegens hen. Alle drie de feiten zijn bovendien gepleegd op straat in Amsterdam, waarbij meerdere omstanders getuigen waren.
Dergelijke gewelddadige aanvallen zijn voor de slachtoffers bijzonder beangstigend. Uit de verzoeken tot schadevergoeding blijkt dat het handelen van verdachte een behoorlijke impact heeft gehad – en nog steeds heeft – op de levens van de slachtoffers, zowel fysiek als psychisch. De rechtbank rekent dat verdachte aan. Daarnaast is een dergelijk gewelddadig optreden in het openbaar zeer schokkend voor het publiek en in het bijzonder voor de ooggetuigen. Het versterkt in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid en angst en verstoort de openbare orde.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 september 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 1 oktober 2026, opgesteld door [reclasseringswerker]. Uit het reclasseringsadvies komt – kort samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.
Het gedrag van verdachte lijkt voort te komen uit een opeenstapeling van opgekropte negatieve emoties, gevoed door psychosociale klachten en het ontbreken van dagelijkse structuur. Verdachte rookte in de periode voorafgaand aan de feiten dagelijks hasj en had op de dag zelf veel alcohol gedronken, wat in combinatie met de opgekropte negatieve emoties leidde tot agressie. Verdachte komt gemotiveerd over, toont oprecht berouw en staat open voor hulp. Mogelijk beschermend werken de stabiele gezinssituatie, het ontbreken van een pro-criminele houding en de aanwezigheid van slachtofferbewustzijn. Tot nu toe houdt verdachte zich goed aan de schorsingsvoorwaarden. Omdat het schorsingstoezicht zich nog in de opstartende fase bevindt, wordt het van belang geacht dat het reclasseringstoezicht wordt voortgezet om verder aan gedragsverandering te kunnen werken.
Verder volgt uit het advies dat verdachte concreet bezig is met het regelen van een werk-leertraject dat mogelijk in oktober zal starten en dat hij aangemeld is bij Family Supporters voor zijn verslavings- en psychische problematiek. Het intakegesprek bij Family Supporters is positief verlopen en verdachte kan direct beginnen met de behandeling.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer [aangever 4], een locatiegebod met elektronisch toezicht, meewerken aan dagbesteding en beheersing van middelengebruik. Voorts geeft de reclassering aan dat een gevangenisstraf het starten van het werk-leertraject kan belemmeren.
Strafoplegging
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een zware mishandeling geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Nu het hier een poging betreft zal de rechtbank 1/3 in mindering brengen. Voor een diefstal met geweld (tasjesroof met een enkele duw) geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Voor openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel geldt als oriëntatiepunt een werkstraf voor de duur van 150 uur. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de feiten een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden rechtvaardigen.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat hij first offender is. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte zijn verantwoordelijkheid neemt, oprecht berouw toont en sinds de feiten mede op eigen kracht een positieve wending aan zijn leven heeft weten te geven.
De rechtbank acht het niet opportuun om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt. Verdachte is jong en bevindt zich in een levensfase en omstandigheden waarin hij het tij kan keren en weer een stabiel leven kan opbouwen; iets waar hij op dit moment ook hard mee bezig is. Opnieuw een verblijf in detentie zou de ingezette positieve ontwikkeling doorkruisen en de start van een opleiding en behandeling beletten. Daarnaast neemt de rechtbank in overweging dat de elektronische monitoring van verdachte, waarin verdachte al ruim twee maanden loopt en die de rechtbank een tijdlang wil continueren als onderdeel van de op te leggen bijzondere voorwaarden, al een ingrijpende vrijheidsbeperking vormt.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 136 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van 180 uren opleggen, bij niet goed verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis. Aan het voorwaardelijke strafdeel worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering.
9 Vorderingen benadeelde partijen
De vorderingen
De vordering van benadeelde partij [aangever 1] (feit 1)
De benadeelde partij [aangever 1] vordert een bedrag van € 500,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vordering van benadeelde partij [aangever 2] (feit 2)
De benadeelde partij [aangever 2] vordert een bedrag van € 1.284,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 284,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.
De vorderingen van benadeelde partijen [aangever 3] en [aangever 4] (feit 3)
De benadeelde partij [aangever 3] vordert een bedrag van € 10.050,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 50,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade.
De benadeelde partij [aangever 4] vordert een bedrag van € 15.882,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 882,- aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade.
Het standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [aangever 1] en [aangever 2] geheel kunnen worden toegewezen.
De officier van justitie vindt dat de vordering van [aangever 3] voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot een bedrag van € 5.000,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.
Ten aanzien van de vordering van [aangever 4] heeft de officier van justitie verzocht het bedrag aan materiële schade toe te wijzen en het immateriële schadebedrag te matigen tot een bedrag van € 10.000,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.
Tot slot heeft de officier van justitie verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de pleegdatum.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van [aangever 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de vordering van [aangever 2] is de raadsvrouw van mening dat de materiële schade onvoldoende is onderbouwd. Ook de immateriële schade is volgens de raadsvrouw niet voor toewijzing vatbaar, gelet op het vrijspraakverweer ten aanzien van het medeplegen en de geweldshandelingen. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in zijn vordering.
Ten aanzien van de vorderingen van [aangever 3] en [aangever 4] heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partijen voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Voor wat betreft de immateriële schadebedragen is de raadsvrouw van mening dat deze bedragen dienen te worden gematigd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [aangever 1]
Nu kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, heeft hij recht op een immateriële schadevergoeding. Het gevorderde bedrag van € 500,- aan immateriële schade wordt billijk geacht en zal geheel en hoofdelijk worden toegewezen.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [aangever 2]
De rechtbank acht het op grond van het dossier aannemelijk dat door het bewezenverklaarde materiële schade is ontstaan aan de telefoon van de benadeelde. Het bedrag van € 284,- aan materiële schade zal dan ook worden toegewezen. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De benadeelde heeft letsel in het gezicht opgelopen door de geweldshandelingen die zijn gepleegd door andere personen. Verdachte is vrijgesproken van het onderdeel medeplegen en daarmee van de geweldshandelingen die zijn verricht door de andere personen. Dat betekent dat het causale verband tussen het bewezenverklaarde en het letsel van de benadeelde (waar de immateriële schade op is gebaseerd) ontbreekt. Om die reden zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot immateriële schadevergoeding.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [aangever 3]
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade (schadepost reiskosten) onvoldoende is onderbouwd en zal de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Voor wat betreft de immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse schaal. Het letsel dat is vastgesteld betreft een bloeduitstorting op de hals en een huidbeschadiging op het hoofd. De rechtbank is van oordeel dat deze schade valt onder categorie 13 onder c (licht letsel, herstelperiode van ongeveer twee maanden). De overige schadeposten in de vordering zijn onvoldoende onderbouwd. De rechtbank begroot de vergoeding van immateriële schade naar billijkheid op € 1.000,-. Het bedrag zal hoofdelijk worden toegewezen. Het overig deel van de immateriële schade is onvoldoende onderbouwd en zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [aangever 4]
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schadepost reiskosten onvoldoende is onderbouwd en zal de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Voor wat betreft de materiële schadepost huishoudelijke hulp zal de rechtbank het gevorderde bedrag matigen. Hoewel de post een gedegen onderbouwing mist, acht de rechtbank het aannemelijk dat er enige schade is geleden en begroot zij de vergoeding naar billijkheid op € 300,-.
Voor wat betreft de immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse schaal. Het letsel dat is vastgesteld betreft schouderletsel in de vorm van schouderklachten en belemmeringen bij het liggen op de rechterzijde en bovenhands grijpen. De rechtbank is van oordeel dat deze schade valt onder categorie 5 onder c (gering nekletsel, herstelperiode van ongeveer zes tot twaalf maanden). Daarnaast volgt uit de onderbouwing van de vordering dat de benadeelde ook psychische klachten door het incident heeft ondervonden. Om die reden zal de rechtbank aansluiting zoeken bij het maximale bedrag van de bandbreedte van categorie 5 onder c. De rechtbank begroot de vergoeding van immateriële schade naar billijkheid op € 3.000,-. Het totale bedrag zal hoofdelijk worden toegewezen. De overige schadeposten in de vordering zijn onvoldoende onderbouwd en zullen niet-ontvankelijk worden verklaard.
Tot slot wordt ten aanzien van alle (gedeeltelijk) toegewezen vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en worden de toe te wijzen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de pleegdatum.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 57, 141, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van poging zware mishandeling
feit 2:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken
feit 3:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 136 (honderdzesendertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen wanneer de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren.
Beveelt dat, wanneer verdachte de taakstraf niet naar behoren (heeft) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.
En stelt de volgende bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met Reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak.
Ambulante behandeling
Verdachte zal zich gedurende de proeftijd laten behandelen door Family Supporters of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er een behandelplek beschikbaar is. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Contactverbod
Verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met: slachtoffer [aangever 4], geboren op [geboortedatum], tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact.
Locatiegebod (met elektronisch toezicht)
Verdachte zal gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig zijn op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Bij de start dient verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding 10 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 16 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en afhankelijk van de dagbesteding.
Het huidige verblijfadres is [adres]. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat verdachte voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
Dagbesteding
Verdachte zal zich inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Beheersing middelengebruik
Verdachte zal meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat verdachte gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij:
Ten aanzien van. feit 1:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] toe en veroordeelt verdachte, hoofdelijk, tot betaling aan [aangever 1], van een bedrag van € 500,-, (vijfhonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 1].
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 500,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen.
Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van. feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangever 2], van een bedrag van € 284,- (tweehonderdvierentachtig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 2].
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] aan de Staat € 284,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van. feit 3:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte, hoofdelijk, tot betaling aan [aangever 3], van een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 3].
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 3] aan de Staat € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte, hoofdelijk, tot betaling aan [aangever 4], van een bedrag van € 3.300,- (drieduizend driehonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 300,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 4].
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 4] aan de Staat € 3.300,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 33 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Veroordeelt verdachte verder in de kosten door de benadeelde partijen [aangever 1], [aangever 2], [aangever 3] en [aangever 4] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.J. Bos, voorzitter,
mr. R.A. Sipkens en mr. P.B. Spaargaren, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. Spaander, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2026.
[(...)]
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 6:106 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 9 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14b Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 22c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 22d Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36f Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 45 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 47 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 57 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 141 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 302 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 312 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1 WID meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.