Uitspraak · Europees strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 30 september 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10584Zaaknummer 13-130805-25

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30 september 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
13-130805-25
Rechtsgebied
Strafrecht, Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Aanvullende toestemming (AVT) Polen. Niet kan worden vastgesteld dat het hoorrecht is geëerbiedigd. Aanvullende toestemming wordt niet verleend.

De rechtbank:

WIJST AF het verzoek om toestemming voor tenuitvoerlegging van de straf op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, en derde lid, OLW van [de overgeleverde persoon] voor het feit zoals vermeld in het verzoek.

Deze beslissing is genomen op 30 september 2026 door

mr. M. Westerman, voorzitter,

mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en M.C. Nooij, griffiers.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
  2. 1 Beoordeling
  3. 2 Beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-130805-25

Datum beslissing: 30 september 2026

BESLISSING

op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 21 mei 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor een feit dat vóór het tijdstip van de overlevering is begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend op 30 april 2026 door the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Lublin, IV Criminal Division, Polen en betreft:

[de overgeleverde persoon],

geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] (Polen),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in Polen,

hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1 Beoordeling

Genoegzaamheid van de stukken

De rechtbank stelt vast dat het verzoek de gegevens bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

Hoorrecht

Het is vereist dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021.[_8424761a-f5fd-4b0b-bcf0-cfa873c0c967] Dit betreft het zogenoemde hoorrecht.

De Poolse autoriteiten hebben op 14 augustus 2026 aanvullende informatie verstrekt, waaronder een proces-verbaal van een hoorzitting van 28 april 2026. De opgeëiste persoon heeft blijkens dit proces-verbaal tijdens de hoorzitting op 28 april 2026, voor zover relevant, het volgende verklaard:

“I did not know that the court had passed the sentence in respect of me. True, I did not give my consent for extension of prosecution. Please, do not extend the prosecution.”

Op basis van de aanvullende informatie stelt de rechtbank vast dat de overgeleverde persoon tijdens de hoorzitting alleen te kennen heeft gegeven geen afstand te doen van het specialiteitsbeginsel, maar dat niet uitdrukkelijk aan hem de mogelijkheid is geboden eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de stukken dus niet worden afgeleid dat het hoorrecht is geëerbiedigd. De enkele mededeling van de opgeëiste persoon dat hij geen afstand wenst te doen van het specialiteitsbeginsel, is hiervoor immers onvoldoende.

De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.

2 Beslissing

De rechtbank:

WIJST AF het verzoek om toestemming voor tenuitvoerlegging van de straf op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, en derde lid, OLW van [de overgeleverde persoon] voor het feit zoals vermeld in het verzoek.

Deze beslissing is genomen op 30 september 2026 door

mr. M. Westerman, voorzitter,

mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en M.C. Nooij, griffiers.

Voetnoten

  1. Hof van Justitie van de Europese Unie 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.