Uitspraak · Europees strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10582Zaaknummer 13-218352-26

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
13-218352-26
Rechtsgebied
Strafrecht, Europees strafrecht
Procedure
Tussenuitspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Pools vervolgings-EAB. Tussenuitspraak. Artikel 6 OLW: Gelijkstellingsverweer slaagt; in afwachting van terugkeergarantie. Artikel 11 OLW: geen uitbreiding van het algemeen gevaar; beslissing over individueel gevaar wordt aangehouden.

7 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode tussen 12 november 2026 en 20 november 2026.

HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, alsmede op grond van artikel 6, eerste lid, OLW.

VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid onder c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 30 december 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. Westerman, voorzitter,

mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en M.C. Nooij, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
  2. 1 Procesgang
  3. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon
  4. 3 Grondslag en inhoud van het EAB
  5. 4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
  6. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
  7. 6 Artikel 11 OLW
  8. 7 Beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-218352-26

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

TUSSEN-

UITSPRAAK

op de vordering van 5 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[_b14a027d-e70a-4040-ba7f-24eb68aec067]

Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juni 2026 door de Regional Court in Bielsko-Biała, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] (Polen),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.[_eefc12b5-7cd4-48c7-b4ab-fb18851c2e72]

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een beslissing tot enforceable temporary detention van de Sᾳd Rejonowy (District Court) in Bielsko-Biała van 20 maart 2026 met kenmerk IX K 940/23.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.[_e16a5593-7012-4d38-8041-1edb39230915]

4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.

Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Op die manier kan de opgeëiste persoon de straf in Nederland ondergaan als hij in Polen wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Ter onderbouwing van de gelijkstelling heeft de raadsvrouw verschillende stukken overgelegd, waarmee wordt aangetoond dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Door het positieve advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is aan beide voorwaarden voor gelijkstelling voldaan. De opgeëiste persoon wil gebruikmaken van een eventuele terugkeergarantie. Deze terugkeergarantie is nog niet verstrekt door de Poolse autoriteiten. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om aanhouding om de terugkeergarantie af te wachten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan alle vereisten voor gelijkstelling is voldaan en dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De Poolse autoriteiten hebben nog geen terugkeergarantie verstrekt, maar hebben het Openbaar Ministerie wel geïnformeerd dat het verzoek om een terugkeergarantie is ontvangen en in behandeling is genomen. De officier van justitie heeft verzocht om aanhouding in afwachting van de terugkeergarantie.

Oordeel van de rechtbank

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, derde lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:

  • de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én
  • ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

De eerste voorwaarde

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.

De tweede voorwaarde

Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. Uit de brief van de IND van

29 september 2026 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen in verband met de omschreven strafbare feiten. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.

De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon naast de ononderbroken rechtmatige verblijfsduur zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Polen. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland.[_8fd562cb-d74f-493a-86dd-8788d7e3dcc7]De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag uitzitten als hij na overlevering in Polen

wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Garantie

De rechtbank stelt vast dat de Poolse autoriteiten nog geen terugkeergarantie hebben verstrekt. De rechtbank ziet in verband met het voorgaande aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen en aan te houden in verband met artikel 6, eerste en derde lid, OLW in afwachting van de terugkeergarantie.

6 Artikel 11 OLW

6.1

Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.[_ec89468a-a9cc-409b-a97a-81f4a74b6559] Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.

Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.[_7ee1a9f0-e27b-4c2e-9c6a-ee8cdb423175]

6.2

Poolse detentieomstandigheden

Inleiding

Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon (nog) niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven, in het zogenoemde remand regime.

De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Poolse detentie-instellingen terechtkomen.[_9adf5c27-ccd9-41b0-a488-e06caeee56e4] Het kernpunt is dat in het remand regime slechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die structureel drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt.

De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat die grondrechten worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd.

In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) op 20 augustus 2026 aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Naar aanleiding hiervan heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 1 september 2026 de volgende informatie verstrekt:

”(…) In light of the above, please be advised that having regard to the territorial jurisdiction of the criminal proceedings in question, the person sought may be expected to be detained in the penitentiary facility/detention centre having jurisdiction in the matter — in this case a facility in the nearby town of Cieszyn - or, should any objective obstacles arise, in another facility that offers comparable standards. (…)

In particular, it should be noted that this assurance includes a guarantee that the person sought for detention will be placed in a facility where the minimum standards concerning the amount of living space per detainee are maintained, appropriate sanitary conditions are provided, and access to daylight and adequate ventilation is ensured, as well as access to medical care and the possibility of maintaining contact with the outside world. (…)

A convict has the right to take part in:

 paid employment or community service — within the penitentiary institution (eg. In workshops, the kitchen or the library) or outside the institution;

 education and training — education at prison schools (primary, secondary and vocational schools), as well as vocational training courses;

 cultural and educational activities — interest groups and clubs, film screenings, theatre performances, meetings with authors, and the editing of a prison newsletter;

 sports and physical education activities — training sessions, internal tournaments and team sports;

 therapy and rehabilitation programmes — eg. anger and aggression management programmes, addiction treatment programmes (alcohol and/or drug addiction), and sessions with a psychologist;

 religious practice — participation in religious services and meetings with representatives of the clergy.

Daily and direct physical access to the relevant facilities is strictly dependent on the type of penitentiary facility (closed, semi-open, or open), as well as on the internal regulations set by the head of facility. (…)

Time spent outside the cell

 closed-type penitentiary/correctional facility: this is the most restrictive regime; as a rule, a prisoner is entitled to a minimum of one hour of exercise in the open air each day; the remainder of the time is spent in the cell, unless the prisoner is scheduled to use the common room or library, leave the facility to perform work, or attend a medical appointment.

 semi-open and open-type facilities: cells may remain open throughout the day and night, or during specified hours of the day; during their free time outside working hours, prisoners may move freely within the designated areas of the facility.(…)”

Het IRC heeft op 4 en 22 september 2026 nogmaals aanvullende vragen gesteld. Naar aanleiding hiervan heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 24 september 2026 de volgende informatie verstrekt:

“In response to your message dated September 22, 2026 regarding the case of [de opgeëiste persoon], I would like to indicate that the questions presented in your request dated September 4, 2026 were already adressed in the Court's response dated September 1, 2026 attached to the previous message.

As per the prison facility, in which [de opgeëiste persoon] will be detained, I can inform you that after the surrender to the Polish authorities, it is likely that the requested person will be detained in the prison of Cieszyn - as it was mentioned in Court's response dated September 1, 2026.”

Vervolgens heeft het IRC op 24 september 2026 wederom vragen gesteld. In reactie hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 28 september 2026 het volgende medegedeeld:

“In response to your previous message regarding the case of [de opgeëiste persoon] (…) I would like to indicate that the general information regarding the detention conditions included in the Court’s response dated September 1, 2026 can be applied to the prison of Cieszyn.”

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Het is onvoldoende duidelijk in welke instelling de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd na zijn overlevering, over hoeveel persoonlijke ruimte hij zal beschikken en hoeveel tijd hij dagelijks buiten de cel kan doorbrengen. Hierdoor wordt het algemeen gevaar, dat geldt voor de remand prisons in Polen, voor de opgeëiste persoon niet weggenomen. De raadsvrouw heeft daarnaast betoogd dat het algemeen gevaar ten aanzien van de remand prisons uitgebreid dient te worden, nu sprake zou zijn van inter-prisoner violence en geweld door gevangenisfunctionarissen tegen gedetineerden. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de opgeëiste persoon behoort tot een door het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) in algemene zin erkende risicogroep, nu hij verdacht wordt van het plegen van seksuele misdrijven, waardoor hij een groter risico loopt om slachtoffer te worden van het algemene reële gevaar op geweld. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsvrouw verwezen naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 3 maart 2015 in de zaak M.C. tegen Polen, waarin wordt verwezen naar een CPT-rapport uit 2001, en naar een uitspraak van het Schleswig-Holsteinisches Oberlandesgericht in Duitsland van 13 mei 2026, waarin wordt verwezen naar rapporten van het Krajowy Mechanizm Prewencji Tortur (KMPT), het Poolse Nationale Preventiemechanisme ter voorkoming van foltering, over verschillende penitentiaire inrichtingen. Daarnaast heeft de raadsvrouw een onofficiële vertaling van het KMPT-rapport van 17 januari 2023 over de penitentiaire inrichting in Barczewo overgelegd. De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat aanvullende vragen moeten worden gesteld over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Cieszyn en specifiek over het systematische geweld door personeel en medegedetineerden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is voor uitbreiding van het algemeen gevaar, maar dat de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten niet concreet genoeg is om het reeds aangenomen algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Er moet meer duidelijkheid komen over de persoonlijke ruimte waarover de opgeëiste persoon in detentie zal beschikken en hoeveel tijd hij dagelijks buiten de cel kan doorbrengen. De officier van justitie heeft verzocht om aanhouding om hierover aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat zij, gelet op het arrest van 25 juli 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis.[_87ea2fc4-1221-4530-944c-822d181f459d] Uit de aanvullende informatie van 1 en 24 september 2026 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon na de overlevering terecht zal komen in de detentie-instelling in Cieszyn.

Algemeen gevaar In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestaande algemene gevaar voor Poolse remand prisons voor de detentie-instelling in Cieszyn uit te breiden ten aanzien van geweld door personeel en onder gedetineerden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt op grond waarvan kan worden aangenomen dat in Poolse detentie-instellingen in het algemeen of Cieszyn in het bijzonder sprake is van geweld tussen gedetineerden of geweld door gevangenisbewaarders. De rechtbank stelt ten eerste vast dat het meest recente rapport van het CPT uit 2024 over Polen hiertoe geen gegevens bevat ten aanzien van de detentie-instelling in Cieszyn, omdat Cieszyn niet is bezocht door het CPT. Daarnaast bevat het rapport geen aanwijzingen op grond waarvan kan worden aangenomen dat in Poolse remand prisons/detentie-instellingen in het algemeen sprake is van geweld tussen gedetineerden of geweld door gevangenisbewaarders. De rechtbank overweegt daarnaast dat de door de raadsvrouw aangehaalde KMPT-rapporten niet zien op de detentie-instelling in Cieszyn. Ook ambtshalve beschikt de rechtbank niet over dergelijke gegevens. In het kader van de risicogroep waar de opgeëiste persoon toe zou behoren, heeft de raadsvrouw verwezen naar gedateerde stukken, te weten de uitspraak van het EHRM van 3 maart 2015 in de zaak M.C. tegen Polen, waarin wordt verwezen naar een oud CPT-rapport uit 2001. Ambtshalve heeft de rechtbank vastgesteld dat het meest recente CPT-rapport uit 2024 over Polen geen gegevens bevat ten aanzien van geweld door medegedetineerden of gevangenenbewaarders gericht tegen de groep personen die verdacht worden van een seksueel misdrijf. Ook in dat kader heeft de verdediging naar het oordeel van de rechtbank geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens aangeleverd die aanleiding zouden moeten geven tot uitbreiding van het algemeen gevaar. Dit betekent dat het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Individueel gevaar

De rechtbank is van oordeel dat de verstrekte aanvullende informatie van 1 september 2026, 24 september 2026 en 28 september 2026 het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon niet wegneemt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit geen voldoende concrete antwoorden heeft gegeven op de aanvullende vragen van het IRC van 4, 22 en 24 september 2026 over de persoonlijke celruimte en het aantal uur dat de opgeëiste persoon buiten de cel kan doorbrengen in de detentie-instelling in Cieszyn. Op basis van de verstrekte informatie kan de rechtbank dan ook niet vaststellen hoeveel persoonlijke celruimte en tijd buiten de cel wordt gegarandeerd voor de opgeëiste persoon na zijn overlevering. Naar het oordeel van de rechtbank is de verstrekte informatie op dit moment onvoldoende om het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen.

In verband met het voorgaande stelt de rechtbank vast dat voor de opgeëiste persoon, in geval van overlevering aan Polen, een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank acht het in het onderhavige geval niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.

Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW zal aanhouden. De rechtbank zal, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn.

Verlenging beslistermijn

De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 31 oktober 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij ook de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen.

7 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode tussen 12 november 2026 en 20 november 2026.

HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, alsmede op grond van artikel 6, eerste lid, OLW.

VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid onder c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 30 december 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. Westerman, voorzitter,

mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en M.C. Nooij, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

  1. Zie artikel 23 Overleveringswet.
  2. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
  3. Zie onderdeel e) van het EAB.
  4. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64.
  5. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
  6. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
  7. Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.
  8. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 (Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije)), punt 117.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.