Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 13 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10556Zaaknummer 13-336446-23

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
13-336446-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Procesafspraken; handel in cocaïne en witwassen. Gevangenisstraf 40 maanden met aftrek.

9 De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen

verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2

medeplegen van witwassen.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Wiewel, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en G.J.M. Kruizinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2026.

[--]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het onderzoek ter terechtzitting
  2. 2 Tenlastelegging
  3. 3 Procesafspraken
  4. 4 De waardering van het bewijs
  5. 5 De bewezenverklaring
  6. 6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
  7. 7 De straf
  8. 8 De toepasselijke wettelijke voorschriften
  9. 9 De beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/336446-23

Datum uitspraak: 29 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP-adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. I. Hoek, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Pijl, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesloten overeenkomst van 2 september 2026 met daarin de door hen gemaakte procesafspraken.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

  • het medeplegen van uitvoer en handel van 31 kilogram en 9 kilogram cocaïne in de periode van 26 maart 2020 tot en met 27 mei 2020 in Nederland, België, Verenigd Koninkrijk en/of Duitsland;
  • het medeplegen van witwassen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 in Amsterdam en/of Verenigd Koninkrijk.

De gehele tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Procesafspraken

3.1.

Totstandkoming procesafspraken

Het Openbaar Ministerie en de raadsvrouw hebben vanaf 11 maart 2024 de mogelijkheid

besproken van het maken van procesafspraken met betrekking tot de afdoening van de

strafzaak en de ontnemingszaak. Op 2 september 2026 hebben partijen de procesafspraken ondertekend.

Tijdens de zitting van 29 september 2026 zijn de procesafspraken door de rechtbank aan de

orde gesteld.

De procesafspraken zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht en gelden als hier ingevoegd.

3.2.

Inhoud procesafspraken

In de procesafspraken staat onder meer vermeld dat het Openbaar Ministerie en de verdediging door het maken van de procesafspraken beogen de behandeling van de strafzaak

zo efficiënt mogelijk te maken. In aanloop naar de afspraken is nadrukkelijk acht geslagen op de eisen van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Beoogd is om efficiency en juridische kwaliteit bijeen te brengen.

Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn in de procesafspraken van 2 september 2026 - samengevat - overeengekomen dat:

het Openbaar Ministerie in het kader van deze afspraken:

  • zal rekwireren tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2;
  • zal vorderen dat een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van voorarrest, wordt opgelegd;

de verdediging in het kader van deze afspraken:

  • afziet van het indienen van onderzoekswensen;
  • geen verweren zal voeren.

Beide partijen zien af van hoger beroep als de bewezenverklaring en de strafoplegging in overeenstemming met de procesafspraken plaatsvindt.

3.3.

Beoordeling procesafspraken door de rechtbank

Gelet op het feit dat verdachte blijkens de procesafspraken afstand doet van bepaalde, hem

toekomende verdedigingsrechten, dient de rechtbank te onderzoeken of is voldaan aan de

eisen die voortvloeien uit het door artikel 6 EVRM, alvorens zij deze afspraken in overweging kan nemen.[_d17a9e39-a0a1-417a-a67b-3cf38e7c93a6]

De rechtbank heeft op de zitting van 29 september 2026 de procesafspraken besproken met

verdachte en zijn raadsvrouw. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij begrijpt waar de procesafspraken uit bestaan. De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en de rechtspositie van verdachte concreet aan de orde gesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij akkoord gaat met de procesafspraken van 2 september 2026. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken te maken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door een advocaat, vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen het

Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.

4 De waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de procesafspraken op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Op de zitting heeft de officier van justitie het bedrag in Britse ponden onder feit 2 naar beneden bijgesteld, tot het bedrag dat daadwerkelijk door de Britse politie is inbeslaggenomen. Dit heeft geen gevolgen voor de afgesproken strafmaat.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweer gevoerd en deelt het standpunt van de officier van justitie dat het geldbedrag in Britse ponden onder feit 2 naar beneden bijgesteld dient te worden. Ook deelt de verdediging het standpunt dat dit geen gevolgen heeft voor de afgesproken strafmaat.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier, die opgesomd zijn in de procesafspraken in bijlage II, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, zoals opgenomen in rubriek 5. Gelet op het standpunt van de verdediging behoeft dit oordeel geen nadere motivering. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

  • in de periode van 26 maart 2020 tot en met 27 mei 2020 in Nederland en/of België en/of Verenigd Koninkrijk en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen meermalen, althans eenmaal, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, heeft gebracht, en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, - 31 kilogram cocaïne- 9 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
  • in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 in Nederland en/of Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met anderen (van) voorwerpen, te weten- een geldbedrag van 657.050 Britse pond, en- een geldbedrag van 232.402 euro Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt terwijl verdachte wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf.

6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

7 De straf

7.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van voorarrest, wordt opgelegd.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig de procesafspraken geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft zich beraden over de procesafspraken en haar eigen afweging gemaakt bij de bepaling van de op te leggen straf. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de

persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen tijdens de zitting.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met anderen bezig gehouden met de handel in cocaïne, waarbij onder meer 31 kilogram cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk is geëxporteerd. Hij heeft hierin zijn eigen rol gehad, waarbij hij met name betrokken was bij de boekhouding. Daarnaast heeft verdachte samen met anderen grote geldbedragen witgewassen. Beide feiten hebben zich binnen een internationaal verband afgespeeld. Deze delicten hebben een grote ontwrichtende invloed op de samenleving, zowel op het gebied van gezondheid en welzijn als op het gebied van veiligheid en het financiële stelsel. Drugs zijn immers schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers en de handel daarin gaat veelvuldig gepaard met diverse vormen van (zware) criminaliteit. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, ook vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, en is daarmee een bedreiging voor de samenleving.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte recentelijk niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij afstand heeft genomen van het criminele milieu, op legale wijze inkomen wil vergaren en een goed voorbeeld wil zijn voor zijn kinderen.

Strafoplegging

De rechtbank heeft gekeken naar de Oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS oriëntatiepunten), die de rechtbanken hebben vastgesteld en naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Bij het oriëntatiepunt voor de in- en uitvoer van harddrugs met een gewicht boven de 20 kilo geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 72 maanden. Bij het oriëntatiepunt voor fraude (waar het delict witwassen onder geschaard kan worden) met een benadelingsbedrag van meer dan € 1 miljoen geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 24 maanden en hoger. Een langdurige gevangenisstraf is dan ook passend en geboden.

De overeengekomen eis van 40 maanden gevangenisstraf is aanmerkelijk lager dan bovengenoemde oriëntatiepunten. De rechtbank ziet echter strafverminderende omstandigheden waardoor zij van oordeel is dat de gevorderde straf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten. Hierbij speelt mee dat de feiten lang geleden zijn gepleegd te weten in 2020. Daarbij komt dat verdachte sindsdien geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij een ommekeer in zijn leven heeft gemaakt en de tenlastegelegde feiten achter zich wil laten. Ook weegt de rechtbank mee dat de medeverdachten, die een soortgelijke rol als verdachte hebben gehad, zijn veroordeeld tot straffen binnen dezelfde bandbreedte als de gevorderde straf. Daarmee is ook uit het oogpunt van rechtsgelijkheid de gevorderde straf passend. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het belang van een efficiënte, voortvarende en effectieve afdoening van de zaak, waarmee recht wordt gedaan aan de belangen van de maatschappij.

De rechtbank zal in lijn met de procesafspraken aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen

verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2

medeplegen van witwassen.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Wiewel, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en G.J.M. Kruizinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2026.

[--]

Voetnoten

  1. Uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.