Uitspraak · Internationaal privaatrecht

Rechtbank Amsterdam, 15 juli 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10479Zaaknummer C/13/770566 HA ZA 25-1149

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/770566 HA ZA 25-1149
Rechtsgebied
Civiel recht, Internationaal privaatrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Schadevergoedingsuitspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 7:4 BW. IPR. Veroordeling in Dubai staat niet in de weg aan toewijzing vordering in Nederland. Belang bij executoriale titel in Nederland.

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen van Bliss af,

5.2.

veroordeelt Bliss in de proceskosten van € 16.312,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als Bliss niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt Bliss tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5.

veroordeelt Bliss om aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van € 1.725.902,06, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 1.725.902,06, vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen of bij gebreke daarvan 30 dagen na de factuurdatum, telkens tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt Bliss om aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van € 6.775,- aan buitengerechtelijke kosten,

5.7.

veroordeelt Bliss in de proceskosten van € 4.820,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als Bliss niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.8.

veroordeelt Bliss tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, bijgestaan door mr. K.E. Beerlage, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. Conventie
  5. 4 De beoordeling
  6. Rechtsmacht, bevoegdheid en toepasselijk recht
  7. 5 De beslissing

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/770566 / HA ZA 25-1149

Vonnis van 15 juli 2026

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

BLISS FZE,

te Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: Bliss,

advocaat: mr. A.I.M. van Essen,

tegen

1 [gedaagde 1] B.V.,

te [vestigingsplaats 1],

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] B.V,

te [vestigingsplaats 2],

hierna te noemen [gedaagde 2] ,3. [gedaagde 3],

te [woonplaats],

hierna te noemen [gedaagde 3],

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [gedaagden],

advocaat: mr. I.E. Moustaïne.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

˗ de dagvaarding van 14 maart 2025, met daarin een incidentele vordering tot afgifte/inzage van bescheiden,

˗ de akte overlegging producties, met producties,

˗ de incidentele conclusie van antwoord, met producties,

˗ de akte uitlating inzake een verzoek om litispendentie, met een productie,

˗ het vonnis in incident van 13 augustus 2025,

˗ de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties,

˗ de akte uitlating na inzage tevens houdende eisvermeerdering in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

˗ de antwoordakte inzake vermeerdering van eis,

˗ het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 4 juni 2026 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bliss heeft een onderneming voor de verkoop van bloemen, planten en gerelateerde producten in winkels in de Verenigde Arabische Emiraten, andere golfstaten en Singapore.

2.2.

[gedaagde 1] is handelaar in bloemen in [vestigingsplaats 1]. Zij koopt bloemen in via bloemenveilingen en rechtstreeks van kwekers. [gedaagde 2] is statutair bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] is statutair bestuurder van [gedaagde 2].

2.3.

Van 2011 tot en met 2024 heeft Bliss bloemen gekocht van [gedaagde 1]. Bliss bestelde bloemen bij [gedaagde 1], die veelal door [gedaagde 1] werden ingekocht op de veiling. [gedaagde 1] stuurde vervolgens facturen voor de bloemen en bracht de commissie van 15% apart in rekening. Daarnaast bracht [gedaagde 1] ook verpakkingskosten, documenten, vracht- en handelingskosten in rekening.

2.4.

Op 26 februari 2020 heeft [gedaagde 1] aan Bliss nieuwe zakelijke voorwaarden voorgesteld. Het voorstel luidde, voor zover van belang, als volgt:

‘Bliss wil pay a commission of 10% ** over flowers, plants and decoration materials which is paid by [gedaagde 1] Summarised as “all trade products” [...]

The outstanding amount Bliss will get from [gedaagde 1] is maximum € 500k’

2.5.

Partijen hebben hierover geen overeenstemming bereikt en zijn als voorheen met elkaar zaken blijven doen.

2.6.

Over de lopende leveringen stond steeds een door Bliss te betalen bedrag open. Op 6 september 2023 heeft [gedaagde 1] per e-mail aan Bliss laten weten dat het openstaande bedrag – ook volgens haar bank ABN Amro – teveel was opgelopen, tot bijna € 2 miljoen en verzocht om een voorstel voor een afbetalingsschema. In 2023 en 2024 heeft [gedaagde 1] in verschillende e-mails steeds aangedrongen op een regeling om de betalingsachterstand te laten teruglopen.

2.7.

Op 8 augustus 2024 heeft [gedaagde 1] Bliss geschreven dat er nog steeds € 1,8 miljoen open stond en dat dit een groot risico vormde voor [gedaagde 1]. Op 1 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] Bliss opnieuw geschreven dat er echt iets moest gebeuren, omdat anders de relatie niet meer zou kunnen worden gecontinueerd. Vervolgens heeft [gedaagde 1] op 26 november 2024 een e-mail gestuurd met daarin een laatste voorstel om de betalingsachterstand van Bliss te laten inlopen, bij gebreke waarvan de relatie niet zou worden gecontinueerd. Na november 2024 heeft [gedaagde 1] geen bloemen meer aan Bliss geleverd.

2.8.

Bij brief van 29 november 2024 heeft de advocaat van Bliss aan [gedaagde 1] een brief gestuurd. Bliss verweet [gedaagde 1] daarin dat zij zich aan grove wanprestatie en bedrog had schuldig gemaakt vanwege overfacturering. Bliss heeft verzocht om informatie om de hoogte daarvan te kunnen vaststellen en schadevergoeding gevorderd.

2.9.

Op 1 mei 2025 heeft [gedaagde 1] Bliss laten dagvaarden voor de rechter in Dubai en betaling gevorderd van € 1.725.902,06. Bliss heeft in die procedure verweer gevoerd maar de vordering is op 29 september 2025 toegewezen. Op 21 januari 2026 is het daartegen ingestelde hoger beroep verworpen en op 26 februari 2026 heeft het Supreme Court van Dubai het cassatieberoep verworpen.

2.10.

Op 28 oktober 2025 heeft financieel adviesbureau Beekman & Verbeek B.V. op verzoek van Bliss de schade als gevolg van overfacturering becijferd op € 3.913.911,92.

3 Het geschil

Conventie

3.1.

Na eisvermeerdering vordert Bliss – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair voor recht verklaart dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor geleden schade, met rente,

2. subsidiair voor recht verklaart dat [gedaagde 1] wanprestatie heeft gepleegd jegens Bliss en dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hiervan een ernstig verwijt treft en dat zij daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor geleden schade, met rente,

3. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van schadevergoeding, met rente en de schade daarbij begroot op € 3.913.911,92, of een andere bedrag, of verwijst naar de schadestaatprocedure,

4. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 3.937,50,

5. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de deskundigenkosten van € 13.037,50,

met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.2.

Bliss legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen was afgesproken dat [gedaagde 1] 15% commissie in rekening zou brengen op de kostprijs. [gedaagde 1] heeft echter stelselmatig te veel in rekening gebracht. Hierdoor is zij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst (wanprestatie). Verder levert dit een onrechtmatige daad op. Omdat het opzettelijk gebeurde, is er ook sprake van bedrog en misleiding. Ook is [gedaagde 1] ongerechtvaardigd verrijkt.

3.3.

[gedaagde 2] heeft als bestuurder van [gedaagde 1] ernstig verwijtbaar gehandeld, omdat zij leiding gaf aan de onrechtmatige praktijken van [gedaagde 1]. [gedaagde 3] is op grond van artikel 2:11 Burgerlijk Wetboek (BW) hoofdelijk aansprakelijk naast [gedaagde 2].

3.4.

De schade door de overfacturering is door Beekman & Verbeek becijferd op € 3.913.911,92, zodat Bliss dat bedrag als schade vordert. Daarnaast vordert zij de kosten voor het vaststellen van deze schade van € 13.037,50.

3.5.

[gedaagden] voeren verweer. [gedaagde 1] betwist dat er sprake is van overfacturering en misleiding. In Dubai is na onafhankelijk onderzoek door deskundigen geoordeeld dat de door Bliss opgeworpen bezwaren tegen haar facturen geen stand houden. Er is geen reden om deze discussie in Nederland te heropenen. Een contractuele grondslag voor de door Bliss gevorderde schadevergoeding ontbreekt. Er was geen verplichting voor [gedaagde 1] om volledige transparantie te bieden in haar inkoopstructuur. Prijsfluctuaties zijn inherent aan de sierteeltmarkt en werden altijd geaccepteerd door Bliss. Voor zover er al sprake zou zijn van een vorderingsrecht van Bliss is dat bovendien verjaard. Ook doet [gedaagde 1] een beroep op rechtsverwerking.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

Reconventie

3.7.

[gedaagde 1] vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. Bliss veroordeelt tot betaling van € 1.725.902,06, met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen;

b. Bliss veroordeelt tot schadevergoeding als gevolg van het niet nakomen van haar betalingsverplichtingen, nader op te maken bij staat;

c. Bliss veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten;

d. Bliss veroordeelt in de proceskosten in reconventie, inclusief de nakosten, met rente.

3.8.

[gedaagde 1] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] heeft bloemen en andere producten geleverd aan Bliss en daarvoor facturen gestuurd. Facturen ter hoogte van in totaal € 1.725.902,06 zijn onbetaald gebleven. Tijdens de handelsrelatie is de gestelde overfacturering nooit onderwerp van een klacht geweest. Bliss is daarover pas een discussie begonnen toen de betalingsachterstand was opgelopen tot € 1,8 miljoen. Vanaf september 2023 heeft [gedaagde 1] getracht Bliss tot betaling te bewegen. Naast betaling van de openstaande bedragen, vordert zij rente en buitengerechtelijk incassokosten. Ook heeft zij schade geleden door de wanbetaling, onder meer omdat zij een externe financiering heeft moeten aangaan om de liquiditeitsproblemen op te vangen. Deze schade moet nog worden begroot.

3.9.

Bliss voert verweer. Zij beroept zich op opschorting en verrekening met haar vordering op grond van overfacturering in conventie. De vordering van [gedaagde 1] dient verminderd te worden met 17,5% over de kale prijs, zodat er niet € 1.725.902,06 maar € 1.468.852,82 openstaat. Na verrekening met de vordering van Bliss in conventie, resteert een vordering van Bliss op [gedaagde 1]. Verder worden de nevenvorderingen van Bliss betwist.

3.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht, bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

[gedaagde 1] is gevestigd binnen het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam. De Nederlandse rechter heeft daarom rechtsmacht en de rechtbank Amsterdam is bevoegd de vorderingen te beoordelen. De vorderingen zijn gebaseerd op koopovereenkomsten, waarbij [gedaagde 1] optrad als verkoper. Daarom is Nederlands recht van toepassing. Bovendien heeft geen van partijen heeft deze punten aan de orde gesteld.

De vorderingen van Bliss

4.2.

Artikel 7:4 BW bepaalt dat als partijen bij een koopovereenkomst geen prijs zijn overeengekomen, de koper een redelijke prijs is verschuldigd, waarbij wordt gelet op de gebruikelijk door de verkoper gerekende prijs.

4.3.

Partijen hebben twaalf jaar lang zaken met elkaar gedaan en hebben daarbij veelal – afgezien van een enkele koop voor vaste prijzen via de webshop van [gedaagde 1] – als volgt gehandeld. Bliss of een franchisenemer van haar bestelde bloemen, die vervolgens door [gedaagde 1] op de veiling werden ingekocht en geleverd. [gedaagde 1] stuurde achteraf facturen voor de verkochte bloemen, voor verpakkingsmaterialen en handling en een commissiefactuur van 15%, waarna Bliss die facturen betaalde. De prijzen stonden dus niet van tevoren vast. Ook was deze praktijk niet in een schriftelijke overeenkomst vastgelegd. Bliss accepteerde dat en zag pas achteraf wat er voor de bloemen in rekening werd gebracht.

4.4.

De rechtbank oordeelt daarom dat Bliss een prijs was verschuldigd die gelet op de gebruikelijk door [gedaagde 1] gerekende prijs redelijk is.

4.5.

[gedaagde 1] heeft verklaard dat haar verkoopprijzen altijd zijn gebaseerd op drie componenten, namelijk de veilingprijs, de veilingkosten en haar interne kosten van personeel, huur enzovoort. Bliss heeft niet gesteld dat er meer dan dat in rekening is gebracht. Bliss heeft wel aangevoerd dat de interne kosten niet bij de kostprijs mochten worden meegeteld, maar de rechtbank vindt dat wel redelijk. Ten eerste was het gebruikelijk bij [gedaagde 1] om deze kosten door te berekenen. Ten tweede was de commissie van 15% te weinig om deze kosten te dekken en een normale marge over te houden.

4.6.

De rechtbank verwerpt het beroep van Bliss op de e-mail van 26 februari 2020, waarin wordt gesproken over commissie over de prijs die [gedaagde 1] voor de bloemen betaalt. Bliss leidt daaruit af dat alleen de kale inkoopprijs en een commissie verschuldigd waren. De e-mail is daarover echter niet duidelijk. Bovendien deden partijen al veel langer zaken met elkaar en in de e-mail kan niet worden gelezen dat [gedaagde 1] de bestaande berekeningsystematiek wilde wijzigen.

4.7.

Partijen zijn niet overeengekomen dat [gedaagde 1] transparant moest zijn over haar inkoopkosten. De facturen zijn altijd zonder protest door Bliss betaald, terwijl zij geen inzicht had in de inkoopprijzen van [gedaagde 1]. Bliss heeft wel in 2020 een keer gevraagd om inzicht in de veilingprijzen, maar toen zij daarop geen duidelijk antwoord kreeg heeft zij daar niet verder op aangedrongen. Bovendien heeft [gedaagde 1] in deze procedure haar inkoopcijfers overgelegd.

4.8.

De rechtbank verwerpt ook het beroep dat Bliss doet op een brief van [gedaagde 1] van 2 januari 2025 aan Bliss. Daarin staat dat de afspraak tussen partijen is dat er 15% over de kostprijs van de bloemen in rekening zou worden gebracht en ‘The cost price includes purchase costs, auction fees, and applicable logistical charges’. Daarbij staat inderdaad niet uitdrukkelijk dat [gedaagde 1] ook haar interne kosten tot de kostprijs rekent. De rechtbank vindt dit echter te weinig voor een erkenning dat die kosten, in afwijking van de jarenlange praktijk, niet in rekening mochten worden gebracht.

4.9.

Bliss stelt dat een commissie van 15% onredelijk hoog is als alle interne kosten al in de verkoopprijzen voor de bloemen zijn verwerkt. Die 15% is dan netto winst. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Een dergelijke marge is weliswaar hoog, maar niet onredelijk in het licht van het leverancierskrediet dat [gedaagde 1] aan Bliss toestond en dat een aanzienlijk incassorisico meebracht.

4.10.

De conclusie is dat [gedaagde 1] niet onrechtmatig heeft gehandeld en evenmin is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Omdat [gedaagde 1] niet aansprakelijk is, zijn haar bestuurder [gedaagde 2] en middellijk bestuurder [gedaagde 3] dat ook niet. Daarom zullen alle vorderingen van Bliss worden afgewezen.

Proceskosten

4.11.

Bliss is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten inclusief nakosten betalen.

4.12.

De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht€6.861,00
- salaris advocaat€9.262,00(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal€16.312,00
4.13.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

De vorderingen van [gedaagde 1]

4.14.

In reconventie vordert [gedaagde 1] betaling van de openstaande facturen van in totaal € 1.725.902,06. Niet in geschil is dat deze facturen zijn verstuurd en niet zijn betaald.

4.15.

Bliss heeft aangevoerd dat een deel van de facturen ten onrechte in rekening is gebracht. Zij verwijst daarvoor naar het rapport van Beekman & Verbeek, waarvan de conservatieve conclusie is dat [gedaagde 1] aan Bliss 17,5% meer in rekening heeft gebracht dan de veiling voor dezelfde bloemen in rekening heeft gebracht. Het rapport gaat echter uit van een ander begrip kostprijs dan de rechtbank hiervoor als juist heeft geoordeeld.

4.16.

Bliss is door de rechter in Dubai al veroordeeld tot betaling van hetzelfde bedrag dat [gedaagde 1] in deze procedure vordert. Dat is geen belemmering om haar vordering toe te wijzen. [gedaagde 1] heeft daar belang bij, want een vonnis van de rechter in Dubai kan in Nederland niet zonder meer ten uitvoer worden gelegd. Duidelijk is dat [gedaagde 1] haar rekeningen niet dubbel mag incasseren en dus niet beide vonnissen volledig ten uitvoer kan leggen.

Wettelijke rente

4.17.

[gedaagde 1] vordert de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen. Die vordering wordt toegewezen, waarbij de wettelijke termijn geldt van 30 dagen voor zover de facturen geen vervaldatum noemen. Het verweer van Bliss dat zij rechtsgeldig een beroep op opschorting heeft gedaan en daardoor niet in verzuim is geraakt, gaat niet op omdat haar vordering in conventie wordt afgewezen.

Schadevergoeding nader op te maken bij staat

4.18.

[gedaagde 1] heeft verder verwijzing naar de schadestaatprocedure gevraagd. Zij stelt schade te hebben geleden, omdat zij een externe financiering heeft moeten aangaan om de liquiditeitsproblemen op te vangen en dat die schade nog moet worden begroot. Deze vordering wordt afgewezen. De wettelijke handelsrente is al bedoeld om de schade wegens vertraging in de betaling van handelsfacturen te compenseren en [gedaagde 1] heeft geen andere schadeposten genoemd.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.19.

[gedaagde 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [gedaagde 1] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 6.775,- worden toegewezen.

Proceskosten

4.20.

Bliss is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten inclusief nakosten betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:

- salaris advocaat€4.631,00(2 punten × factor 0,5 × € 4.631,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal€4.820,00
4.21.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen van Bliss af,

5.2.

veroordeelt Bliss in de proceskosten van € 16.312,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als Bliss niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt Bliss tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5.

veroordeelt Bliss om aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van € 1.725.902,06, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 1.725.902,06, vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen of bij gebreke daarvan 30 dagen na de factuurdatum, telkens tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt Bliss om aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van € 6.775,- aan buitengerechtelijke kosten,

5.7.

veroordeelt Bliss in de proceskosten van € 4.820,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als Bliss niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.8.

veroordeelt Bliss tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, bijgestaan door mr. K.E. Beerlage, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.