Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Amsterdam, 30 september 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10450Zaaknummer C/13/775774 / HA ZA 25-1497

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/775774 / HA ZA 25-1497
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling door dubbele betaling factuur. Het beroep op verrekening slaagt niet. De onverschuldigd gedane betaling moet worden terugbetaald. Op basis van een andere overeenkomst, waarin partijen een verdeling van de overhead hebben afgesproken, wordt de vordering in reconventie toegewezen. Toewijzing financiële controle zoals tussen partijen overeengekomen.

De rechtbank

in conventie

6.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,

6.2.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 4.975,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.4.

wijst de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2] af,

in reconventie

6.5.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde 2] een bedrag van € 2.553,91 (incl. btw) te betalen,

6.6.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde 2] van de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over het onder 6.5 toegewezen bedrag vanaf heden,

6.7.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde 2] een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten te betalen,

6.8.

veroordeelt [eiser] om [gedaagde 1] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis inzage te geven in de administratie ten aanzien van de film, zoals beschreven in artikel 10.2 van de scenario-overeenkomst en artikel 1.1.b. onder f van de regie-overeenkomst (r.o. 3.7 en 3.8),

6.9.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde 1] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 6.8 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

6.10.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden] van € 1.297,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.11.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagden] van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald,

in conventie en reconventie

6.12.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1. tot en met 6.3. en 6.5. tot en met 6.11. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Higler-Huisman en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De zaak in het kort
  2. 2 De procedure
  3. 3 De feiten
  4. 4 Het geschil
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/775774 / HA ZA 25-1497

Vonnis van 30 september 2026

in de zaak van

[eiser] B.V.,

te [vestigingsplaats 1],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. V.F. den Hollander,

tegen

1 [gedaagde 1],

te [woonplaats] ,2. [gedaagde 2] B.V.,

te [vestigingsplaats 2],

gedaagde partijen in conventie,

eisers in reconventie

hierna samen te noemen: [gedaagden],

advocaat: mr. N.S. Reerink.

1 De zaak in het kort

[eiser] heeft per ongeluk dezelfde factuur tweemaal betaald. Zij vordert daarom terugbetaling van één betaling en daarmee een bedrag van € 25.000,00. [gedaagden] doet echter een beroep op verrekening met de vordering die zij uit hoofde van een overhead-overeenkomst stelt te hebben op [eiser]. Dat beroep op verrekening slaagt niet, omdat de betaling aan [gedaagde 1] in privé is gedaan, en zij die betaling niet kan verrekenen met de vordering die haar vennootschap, [gedaagde 2], heeft op [eiser]. In reconventie vordert [gedaagden] in relatie tot diezelfde overhead-overeenkomst betaling van een bedrag van € 2.110,67. Deze vordering wordt ten aanzien van [gedaagde 2] toegewezen, evenals de inzagevordering.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 september 2025, met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- het tussenvonnis van 22 april 2026;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, en de daarin vermelde stukken.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

[eiser] produceert documentaires en films. [naam 1] en [naam 2] zijn indirect statutair bestuurders van [eiser].

3.2.

[gedaagde 1] is scenarist en regisseur van documentaires en films. Zij verricht haar werkzaamheden vanaf december 2021 vanuit [gedaagde 2] B.V. (hierna: [gedaagde 2] ). Daarvoor verrichtte zij haar werkzaamheden als privépersoon dan wel vanuit haar eenmanszaak. Middels een akte van inbreng van 17 december 2021 heeft [gedaagde 1] haar eenmanszaak ingebracht in [gedaagde 2].

3.3.

Op 17 maart 2018 zijn [eiser] en [gedaagde 1] een scenario-overeenkomst aangegaan. Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft [gedaagde 1] het scenario geschreven voor de speelfilm ‘ [film] ’ (hierna: de film).

3.4.

Op 20 maart 2020 is tussen [eiser] en (de eenmanszaak van) [gedaagde 1] een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen, waarin partijen overeengekomen zijn dat [gedaagde 1] de film zou regisseren tegen betaling van € 80.000,00.

3.5.

Op 21 oktober 2021 heeft [eiser] een factuur van de eenmanszaak van [gedaagde 1] met betrekking tot de scenario-overeenkomst ad € 25.000,00 voldaan. Op 21 december 2021 heeft [eiser] deze factuur abusievelijk nogmaals betaald, op hetzelfde rekeningnummer.

3.6.

Op 18 juli 2022 is een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de verdeling van eventueel resterende overhead van de film (hierna ‘de overhead-overeenkomst’), met daarin het volgende:

“(…) Er zijn vele documenten en aanvragen gedaan voor de filmproductie [film] inclusief vertalingen en pitch-deck’s. Hierbij zijn Producent en Regisseur samen verantwoordelijk geweest voor de ingediende stukken. De stukken zijn vervaardigd en gecontroleerd door hen beiden waarbij niet of nauwelijks gebruik is gemaakt van derden (overhead). Werkzaamheden die normaal op kantoor via de overhead zouden zijn verricht zijn veelal door de Regisseur, [gedaagde 1], opgenomen, - aangezien er geen

productiebegeleiding was, en door de Producent, [naam 1], die dit in eigen hand

heeft gehouden ook.

Bovendien zijn de contacten bij de Fondsen voor financiering door beide partijen gelegd en

behouden.

Hierbij verklaren [naam 1], producent en mede aandeelhouder van [eiser]

BV, namens de gehele [eiser] BV en [gedaagde 1], regisseur van de

filmproductie [film], en enige aandeelhouder van [gedaagde 2] BV, dat er een gelijke

verdeling 1/3, 1/3, 1/3 zal plaatsvinden omtrent het bedrag wat staat voor de Overhead op

de productie [film] - hierbij rekening houdend met het werkelijke bedrag wat hiervoor

overblijft, dat betekent na aftrek van de eventuele meerkosten m.b.t. de productie

[film].

(…)

[naam 1] [gedaagde 1]

[eiser] BV [gedaagde 2] BV”

3.7.

In de scenario-overeenkomst staat onder meer het volgende artikel:

“(…) 10.2 De schrijver heeft het recht eenmaal per jaar op eigen kosten de boeken en bescheiden van de Producent, betrekking hebbende op de exploitatie van het Scenario, ten kantore van de Producent door een door haar aangewezen registeraccountant te doen controleren. Bij afwijking ten nadele van de Schrijver van meer dan 10% komen de kosten voor rekening van de Producent. De Producent is in dat geval gehouden het verschil aan de schrijver te vergoeden.(…)”

3.8.

In de regie-overeenkomst (artikel 1.1.b. sub f) staat onder meer:

“(…) Producent zal altijd in transparantie voorzien richting regisseur en geeft altijd inzage aan de Regisseur, op eerste verzoek, over de stand van de financiele zaken, waarbij de Regisseur het recht heeft om de begroting en boekhouding in te zien;(…)”

3.9.

Op 10 maart 2023 is de film opgeleverd aan het Filmfonds. Daarna is de voorlaatste financieringstermijn door [eiser] van het Filmfonds ontvangen.

3.10.

Op verschillende momenten is er een kostenoverzicht (cost report) opgesteld. Deze moesten onder meer worden opgemaakt om de bijdragen van het Filmfonds te verkrijgen. Ook op 13 mei 2023 is een cost report opgesteld.

3.11.

Op 7 augustus 2023 heeft de advocaat van [gedaagden] [eiser] verzocht om, op basis van de overhead-overeenkomst en het cost report van 13 mei 2023, een bedrag van € 27.110,67 aan [gedaagde 2] over te maken (zijnde éénderde van de volgens [gedaagden] resterende overhead van € 81.332,00). [eiser] heeft de vordering van [gedaagden] betwist en geen gehoor gegeven aan het betaalverzoek.

3.12.

Op 6 mei 2024 heeft [eiser] geconstateerd dat zij de factuur voor de scenario-werkzaamheden tweemaal heeft betaald. Op 13 mei 2024 heeft [gedaagde 1] laten weten dat zij het bedrag inderdaad tweemaal heeft ontvangen.

3.13.

Op 14 juni 2024 heeft [eiser] [gedaagde 1] verzocht om het onverschuldigd betaalde bedrag van € 25.000,00 aan haar terug te betalen. [gedaagde 1] heeft geen gehoor gegeven aan dat verzoek en zich in haar e-mail van 19 juni 2024 op het standpunt gesteld dat zij de betaling mag verrekenen met het bedrag dat zij stelt nog tegoed te hebben uit hoofde van de overhead-overeenkomst.

3.14.

Op 16 juli 2024 heeft een onafhankelijke accountant een controleverklaring met betrekking tot de film afgegeven. Daarin verklaart de accountant, kort samengevat, dat het ‘Statement’ voor de film is opgesteld in overeenstemming met de bepalingen in het ‘Handboek Financiële Verantwoording’ en de nader gestelde verplichtingen in de uitvoeringsovereenkomst van het Filmfonds.

3.15.

De film is vervolgens ook opgeleverd aan het EYE Filminstituut en de NTR. EYE heeft daarvan een verklaring afgegeven op 9 augustus 2024.

3.16.

[naam 1] heeft een schriftelijke verklaring opgesteld, die ziet op het verschil tussen het tussentijdse cost report van 13 mei 2023 en het definitieve cost report zoals vastgesteld door de accountant en het Nederlands Filmfonds. Daarin staat, voor zover hier relevant:

“Het verschil tussen het tussentijdse cost report van 13 mei 2023 en het definitieve cost

report, zoals vastgesteld door accountant en Nederlands Filmfonds, wordt veroorzaakt

doordat in het tussentijdse rapport nog niet alle buitenlandse en Nederlandse kosten waren

verwerkt. Daarnaast ontbraken kosten die dateren van na 13 mei 2023. Deze zijn in het

definitieve cost report alsnog opgenomen.

(…)

Resultaat voor [eiser]

Ter vergelijking: tegenover de verdiensten van € 117.000 van mw. [gedaagde 1] heeft [eiser]

aan de film het volgende resultaat gerealiseerd:

€ 157.906 aan producer’s fee en overhead, verminderd met € 61.156 (over-budget) en € 61.224 (investering volgens financieringsplan), vermeerderd met € 9.489 aan

factuurkortingen, resulterend in € 45.015.”

4 Het geschil

In conventie

4.1.

[eiser] vordert – samengevat – om [gedaagden] bij uitvoer bij voorraad te verklaren vonnis (hoofdelijk) te veroordelen tot betaling van € 25.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 21 december 2021, en tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding.

4.2.

[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij per abuis tweemaal een betaling van € 25.000,00 aan [gedaagde 1] heeft gedaan. De tweede betaling was onverschuldigd, en moet daarom aan [eiser] worden terugbetaald. [gedaagde 1] heeft geen vordering op [eiser] en kan de betaling daar dus niet mee verrekenen. Voor zover [gedaagde 2] wel een vordering op [eiser] zou hebben, komt haar geen bevoegdheid tot verrekening toe, omdat de onverschuldigde betaling is gedaan aan [gedaagde 1] in privé. [eiser] voert verder aan dat geen sprake is van een afdwingbare vordering, omdat de vordering niet opeisbaar is. Ook is de vordering niet eenvoudig vast te stellen. Het verrekeningsverweer van [gedaagden] slaagt daarom niet, aldus (steeds) [eiser].

4.3.

[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagden] voert daartoe aan dat zij het bedrag van € 25.000,00, waarvan zij erkent dat het dubbel is betaald, mag verrekenen met de vordering die zij nog heeft op [eiser]. De verrekening is toegestaan, omdat de eenmanszaak is ingebracht in [gedaagde 2] en de overhead-overeenkomst bovendien is aangegaan met zowel de vennootschap [gedaagde 2] als [gedaagde 1] in privé. De vordering die [gedaagden] uit hoofde van de overhead-overeenkomst heeft, is hoger dan € 25.000,00, zodat de vordering in conventie moet worden afgewezen, aldus (steeds) [gedaagden]

In reconventie

4.4.

[gedaagden] vordert in reconventie om [eiser], bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, te veroordelen tot betaling van € 2.110,67, vermeerderd met 21% btw en de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2023, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast vordert [gedaagden] om [eiser] te veroordelen haar binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom, inzage te verschaffen in de administratie van [eiser] met betrekking tot de film, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

4.5.

[gedaagden] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] nog een vordering van (in ieder geval) € 27.110,67 heeft op [eiser] uit hoofde van de overhead-overeenkomst. Bij de verdeling van de resterende overhead moet worden uitgegaan van het cost report van 2023. Dat was het definitieve cost report. Op dat moment was er een bedrag van € 81.332,00 aan overhead over. De film was toen al opgeleverd en er zouden geen kosten meer bij komen. Na verrekening van het onverschuldigd betaalde bedrag van € 25.000,00 resteert nog een bedrag van € 2.110,67, waarvan zij in reconventie betaling vordert. [gedaagden] stelt verder dat in het cost report van 2023 teveel kosten zijn opgenomen, zodat haar vordering mogelijk nog hoger is. [gedaagden] vordert inzage in de administratie van [eiser], om deze te controleren en te kunnen beoordelen of haar vordering niet nog hoger is. Dat recht op inzage is ook overeengekomen, maar weigert [eiser] na te komen, aldus (steeds) [gedaagden]

4.6.

[eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden] dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure. [eiser] legt daaraan ten grondslag dat [gedaagden] haar vordering baseert op het verkeerde cost report, namelijk het concept cost report van mei 2023. Gekeken moet worden naar het definitieve cost report, zoals ook door de accountant is gecontroleerd. De opbrengsten zouden worden verdeeld over de financiers en belanghebbenden. Afgesproken is dat [gedaagden] één derde zou ontvangen, nadat de financiers van dat niveau, waaronder [eiser] als investeerder, zijn betaald. Die kosten moeten eerst betaald worden en pas daarna kan eventueel resterende overhead verdeeld worden. Deze kosten moeten van het bedrag van € 45.015,00 worden afgetrokken, en dan resteert er niets om te verdelen. Pas als er winst zou zijn gemaakt (overhead-surplus) zou er een bedrag verdeeld moeten worden, maar daarvan is geen sprake, aldus [eiser].

4.7.

Voor wat betreft de inzageplicht voert [eiser] aan dat [gedaagden] reeds over alle informatie beschikt. [eiser] heeft het definitieve kostenoverzicht beschikbaar gesteld en dat overzicht is door VIVAN en het Filmfonds gecontroleerd en geaccordeerd. [eiser] biedt, voor zover geoordeeld wordt dat de inzageplicht onvoldoende is nagekomen, een gematigde en gecontroleerde inzage in de financiële administratie van de film, onder nader overeen te komen vertrouwelijkheidsafspraken en beperkt tot de film. Een proportioneel inzagerecht is ook wat is overeengekomen, maar is geen vrijbrief voor onbeperkte en ongehinderde toegang tot de volledige administratie van [eiser]. De inzage door middel van een controle, uitgevoerd door een registeraccountant, is bovendien ook aangeboden op verschillende momenten, maar [gedaagden] heeft daar geen gebruik van gemaakt. De vordering moet dan ook worden afgewezen, aldus (nog steeds) [eiser].

4.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

[gedaagde 1] heeft erkend dat [eiser] de factuur voor de scenario-overeenkomst tweemaal heeft betaald. Zodoende is een bedrag van € 25.000,00 betaald zonder dat daarvoor enige rechtsgrond bestond. Dat de betaling onverschuldigd is gedaan, staat dan ook vast. In beginsel dient dit onverschuldigd betaalde bedrag te worden terugbetaald. Kern van het geschil is echter of [gedaagden] (of één van hen) een tegenvordering heeft op [eiser], en – als daarvan sprake is – of zij (of één van hen) die mag verrekenen met de onverschuldigde betaling.

In conventie

Verrekening?

5.2.

Om succesvol een beroep op verrekening te kunnen doen, moet [gedaagden] (of één van hen) bevoegd zijn tot verrekening en moet sprake zijn van een afdwingbare vordering (art. 6:127 BW). Voor verrekening als verweer is verder vereist dat de vordering waarop [gedaagden] zich ter verrekening beroept eenvoudig is vast te stellen (art. 6:136 BW).

5.3.

Om bevoegd te zijn om tot verrekening over te gaan, moeten partijen over en weer elkaars schuldenaar en schuldeiser zijn (het vereiste van wederkerigheid). [eiser] heeft betwist dat dat het geval is, omdat de onverschuldigde betaling is gedaan aan [gedaagde 1], terwijl de gestelde vordering van [gedaagden] gebaseerd is op de overhead-overeenkomst, die is aangegaan met [gedaagde 2]. [gedaagden] voert aan dat wel aan dit vereiste voor verrekening is voldaan omdat de overhead-overeenkomst zowel met haar in privé als met [gedaagde 2] is aangegaan, dan wel dat de schuld voortvloeiend uit de dubbele betaling is ingebracht in [gedaagde 2]. Dat de overhead-overeenkomst met zowel [gedaagden] als met [gedaagde 2] is aangegaan, blijkt echter niet uit die overeenkomst. Deze is immers ondertekend door [gedaagde 1] namens [gedaagde 2]. Het enkele feit dat [gedaagde 1] in die overeenkomst verklaart omtrent de verdeling van de overhead (zie 3.6) is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, te meer nu bij die verklaring ook expliciet de hoedanigheid van [gedaagde 1] als enig aandeelhouder van [gedaagde 2] wordt benoemd. Dat de overeenkomst zowel met [gedaagde 1] als met [gedaagde 2] zou zijn aangegaan, volgt verder ook niet uit de inhoud van de overhead-overeenkomst.

5.4.

Aan het vereiste van wederkerigheid kan ook worden voldaan als de schuld van (de eenmanszaak van) [gedaagde 1], is overgenomen door [gedaagde 2]. Een schuldoverneming (art. 6:155 BW) kan echter pas werken tegen de schuldeiser, in dit geval [eiser], als die schuldeiser akkoord gaat met het overnemen van de schuld. Om dat akkoord te verkrijgen, is eerst een mededeling van [gedaagden] aan [eiser] vereist. [gedaagden] heeft niet gesteld dat een dergelijke mededeling is gedaan en ook niet dat [eiser] haar akkoord heeft gegeven op het overnemen van de schuld. Aan de vereisten voor schuldoverneming is daarmee niet voldaan.

5.5.

De conclusie van het voorgaande is dat verrekening van het onverschuldigd betaalde bedrag met de gestelde vordering, die hierna beoordeeld zal worden, niet mogelijk is omdat [gedaagde 1] noch [gedaagde 2] bevoegd is om tot verrekening over te gaan. Overigens zal uit de beoordeling in reconventie blijken dat de (hoogte van de) vordering die [gedaagden] wenst te verrekenen, ook niet eenvoudig is vast te stellen, zodat ook om die reden niet is voldaan aan de vereisten voor verrekening (als verweer). Eén en ander heeft tot gevolg dat de vordering in conventie tot betaling van het bedrag van € 25.000,00 toewijsbaar is. Deze kan echter uitsluitend ten aanzien van [gedaagde 1] worden toegewezen, en niet ten aanzien van [gedaagde 2]. De onverschuldigde betaling is immers aan [gedaagde 1] gedaan, terwijl van een schuldoverneming dus niet is gebleken.

5.6.

[gedaagde 1] zal ook de wettelijke rente over dit bedrag moeten betalen. Nu aan de betaling geen overeenkomst ten grondslag ligt, laat staan een handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW, is de primair gevorderde wettelijke handelsrente niet toewijsbaar. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW worden toegewezen. Die wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment van verzuim. Terecht gaat [eiser] daarbij uit van 19 juni 2024, de datum waarop [gedaagde 1] liet weten dat zij het aan haar onverschuldigd betaalde bedrag niet zou terugbetalen, omdat zij meende dat zij die betaling kon verrekenen. Uit die mededeling mocht [eiser] afleiden dat [gedaagde 1] niet zou gaan betalen, zodat het verzuim op dat moment zonder ingebrekestelling is ingetreden (art. 6:83 sub c BW).

5.7.

[eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal worden afgewezen. [eiser] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.

Proceskosten in conventie

5.8.

[gedaagde 1] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De dagvaarding die ten aanzien van [gedaagde 2] is uitgebracht, komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu de vordering enkel ten aanzien van [gedaagde 1] wordt toegewezen. Voor een vergoeding van de proceskosten van [gedaagde 2] is, hoewel de vordering van [eiser] jegens deze partij wordt afgewezen, geen aanleiding, aangezien (de advocaat van) [gedaagde 1] namens [gedaagde 2] hetzelfde verweer heeft gevoerd.

De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€119,40
- griffierecht€2.995,00
- salaris advocaat€1.672,00(2 punten × € 836,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€4.975,40
5.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

In reconventie

5.10.

In reconventie vordert [gedaagden] betaling van het aandeel dat haar toekomt op grond van de overhead-overeenkomst. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld is de overhead-overeenkomst aangegaan met [gedaagde 2] en niet met [gedaagde 1] in privé. Enkel [gedaagde 2], en niet [gedaagde 1] in privé, kan derhalve mogelijk aanspraak maken op (één derde van) de overhead. De vordering van [gedaagde 1] tot betaling van één derde van de overhead wordt dan ook afgewezen.

5.11.

De bewijslast dat [gedaagde 2] recht heeft op betaling van enig bedrag op basis van die overeenkomst rust op [gedaagde 2]. Partijen twisten over de uitleg van de overhead-overeenkomst, over de vraag van welk cost report moet worden uitgegaan bij de berekening, en over de juistheid van beide cost reports.

Welk cost report?

5.12.

Vaststaat dat er tijdens de periode dat de film is gemaakt door [eiser] op meerdere momenten cost reports zijn opgemaakt. [gedaagde 2] heeft dit niet betwist en ook niet (voldoende) betwist dat deze cost reports moesten worden opgemaakt om (telkens) een volgend deel van de financiering van het Filmfonds te verkrijgen. Er is dus niet slechts één moment waarop gekeken werd naar de stand van zaken omtrent de overhead. De vraag is daarom welk cost report als het definitieve cost report kan worden aangemerkt. In de overhead-overeenkomst staat dat een verdeling zal plaatsvinden van het werkelijke bedrag aan overhead dat overblijft voor de productie, na aftrek van eventuele meerkosten. Dat kan pas worden beoordeeld als de film is afgerond en alle kosten bekend zijn.

5.13.

[gedaagde 2] heeft aangevoerd dat het cost report van 2023 het definitieve cost report was en dat er nadien geen kosten meer bij zouden (kunnen) komen. [eiser] heeft echter uitgebreid toegelicht welke kosten er nadien nog bij zijn gekomen en waarom die kosten nog niet bekend waren of verwerkt konden worden in 2023 (bijvoorbeeld kosten vanuit het buitenland). Zoals [eiser] heeft aangevoerd en ook uit de stukken blijkt, is het cost report van 2024 ook het cost report dat is voorgelegd aan en goedgekeurd door de accountant van VIVAN en ook goedgekeurd is door het Filmfonds. Tegenover die gemotiveerde betwisting heeft [gedaagden] onvoldoende onderbouwd waarom het cost report van 2023 het definitieve rapport is waarvan moet worden uitgegaan. Uitgangspunt bij de vaststelling of sprake is van te verdelen overhead in de zin van de overhead-overeenkomst, is dan ook het cost report van 2024.

Inhoud en juistheid cost report 2024

5.14.

Volgens [eiser] volgt vervolgens uit dat cost report dat er geen overhead meer resteerde om te verdelen. [naam 1] heeft in zijn verklaring en ter zitting toegelicht dat er een bedrag van € 45.015,00 over was, maar dat van dit bedrag nog kosten moesten worden afgetrokken, onder meer voor kantoorkosten en personeel. Deze kosten zijn volgens [eiser] ook in het kostenoverzicht opgenomen. Partijen twisten echter over de vraag of deze kosten wel in mindering mochten worden gebracht op de overhead voordat de verdeling plaatsvond.

5.15.

Voor de beantwoording van de vraag welke afspraken partijen hebben gemaakt komt het - naast de taalkundige uitleg - aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars gedragingen en verklaringen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In de overhead-overeenkomst staat dat [gedaagde 2] één derde toekomt van het bedrag dat staat voor de overhead op de productie, rekening houdend met het werkelijke bedrag wat hiervoor overblijft, dat betekent na aftrek van de eventuele meerkosten m.b.t. de productie. [eiser] stelt dat hiermee is bedoeld dat aan [gedaagde 2] enkel een bedrag toekomt als sprake is van een overhead-surplus. De rechtbank volgt die uitleg niet. Dat wordt als volgt toegelicht.

5.16.

De gedachte achter de overhead-overeenkomst, zo blijkt ook uit de overeenkomst zelf, was dat [gedaagde 2], vanwege de vele door haar verrichtte extra werkzaamheden die normaal gesproken door het kantoor van [eiser] zouden worden gedaan, mocht meedelen in de overhead. In de overeenkomst staat immers dat nauwelijks gebruik is gemaakt van derden (overhead), en dat werkzaamheden die normaal op kantoor via de overhead zouden zijn verricht veelal door [gedaagde 1] zijn opgenomen. Strekking van de overeenkomst is dan ook dat, nu [gedaagde 1] veel van de werkzaamheden heeft uitgevoerd die normaal via het kantoor van [eiser] zouden verlopen, [gedaagde 2] mee zou delen in de overhead. Daarmee strookt niet dat de kantoorkosten van [eiser] eerst nog van de overhead zouden mogen worden afgetrokken, zonder dat enig deel daarvan aan [gedaagde 2] zou toekomen. Uitgangspunt is dan ook dat de overhead van € 45.015,00 die aan het einde resteerde, moet worden verdeeld.

5.17.

Het voorgaande betekent dat aan [gedaagde 2] één derde van het bedrag dat resteerde aan overhead, hetgeen in ieder geval € 45.015,00 was, toekomt. In reconventie is echter slechts een bedrag van € 2.110,67 gevorderd, zodat dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de (onbetwist gebleven) btw van 21%, wat uitkomt op een totaalbedrag van € 2.553,91 (incl. btw). Nu de vordering in reconventie reeds nu kan worden toegewezen, wordt niet meer toegekomen aan de beoordeling van de kostenposten waarvan [gedaagden] heeft gesteld dat deze ten onrechte op het cost report van 2024 staan.

5.18.

Om partijen in dit kader verder op weg te helpen, overweegt de rechtbank ten overvloede echter nog het volgende. [gedaagde 2] heeft gesteld dat op het cost report (nog meer) posten staan die niet correct zijn. Zij heeft, naast de overhead, in haar conclusie nog de punten a) tot en met h) benoemd, die volgens haar niet juist zijn. [eiser] heeft bij conclusie van antwoord alle door [gedaagde 2] genoemde ‘onjuiste’ posten echter gemotiveerd weersproken. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 2] haar vordering op dit punt, tegenover die gemotiveerde betwisting, onvoldoende heeft onderbouwd. Daarvoor is het volgende van belang.

5.19.

Het cost report van 2024 is gecontroleerd door zowel de accountant (VIVAN) als het Filmfonds. Daarbij zijn weliswaar niet alle kosten gecontroleerd, maar is wel een (uitgebreide) steekproef uitgevoerd. [gedaagde 2] stelt dat een aantal posten dubbel zijn geboekt, maar verwijst ter onderbouwing daarvan enkel naar het cost report; dat is onvoldoende. Verder heeft [eiser] in haar berekening waarmee zij uitkomt op € 45.015,00 wel rekening gehouden met de schuldeisers waar afspraken mee zijn gemaakt, en heeft zij uitleg gegeven waarom sommige posten (bijvoorbeeld die voor camera equipment) iets hoger zijn dan waar [gedaagde 2] vanuit gaat. Het enkele feit dat bijvoorbeeld een e-mail van [eiser] aan een opdrachtnemer vragen oproept, zoals het verzoek om een factuur op een eerdere datum te zetten, maakt nog niet dat het kostenoverzicht dat is opgemaakt daarmee onjuist is. Het enkel overleggen van correspondentie over de datum van de factuur is onvoldoende om te concluderen dat de kostenpost zelf niet klopt. [gedaagde 2] heeft voorts nog aangevoerd dat sommige posten volgens haar niet juist kunnen zijn. [gedaagde 2] heeft dit deel van haar vordering echter onvoldoende onderbouwd. Zoals hierna echter wordt geoordeeld zal de inzagevordering ten aanzien van [gedaagde 1] worden toegewezen. Die inzage zou nog tot een andere conclusie kunnen leiden, namelijk dat [eiser] bepaalde kosten inderdaad ten onrechte heeft opgenomen in het cost report en een hoger bedrag aan overhead resteerde.

5.20.

[gedaagden] vordert verder betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering moet worden beoordeeld op grond van art. 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagden] heeft hierover echter niets gesteld. Nu niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is [eiser] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de wettelijke betalingstermijn van art. 6:119a BW is verstreken, zodat een bedrag van € 40,00 ingevolge het bepaalde in art. 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht. Deze komen toe aan [gedaagde 2], nu enkel [gedaagde 2] op basis van de overhead-overeenkomst een vordering heeft.

5.21.

[gedaagde 2] vordert verder vergoeding van de wettelijke rente zonder aan te geven welke wettelijke rente zij bedoelt te vorderen. De rechtbank zal aan [gedaagde 2] de in art. 6:119a BW bedoelde rente toewijzen, omdat aan alle daarin neergelegde voorwaarden is voldaan. Die rente zal worden toegewezen vanaf heden, nu de vordering op basis van het cost report van 2024 wordt toegewezen, en niet op basis van het cost-report van 2023, waarop de rentevordering gebaseerd is. Een andere datum waarop de rente zou zijn gaan lopen, heeft [gedaagde 2] niet gesteld.

Inzage

5.22.

Wat resteert in reconventie is de vordering tot inzage in de administratie van [eiser] ten aanzien van de film. Dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde 1] recht heeft op inzage in de administratie blijkt uit de scenario- en regie-overeenkomst (zie r.o. 3.7 en 3.8). Uit de stukken volgt dat [eiser] [gedaagde 1] weliswaar wel heeft aangeboden om gebruik te maken van dit inzagerecht, maar [eiser] heeft aan dit aanbod ten onrechte allerlei voorwaarden verbonden. [gedaagde 1] heeft dan ook nog recht op (onvoorwaardelijke) inzage in de administratie van [eiser] met betrekking tot de film. Die inzage is echter niet zo breed als [gedaagde 1] vordert. De scenario- en regie-overeenkomst geven recht op respectievelijk een controle door [gedaagde 1], als schrijver, van de boeken en bescheiden, betrekking hebbende op ‘de exploitatie van het Scenario’, door deze te doen controleren door een registeraccountant, dan wel inzage over de stand van de financiële zaken, waarbij [gedaagde 1], als regisseur, het recht heeft om de begroting en boekhouding in te zien. De vordering zal daarom beperkter worden toegewezen, en enkel ten aanzien van [gedaagde 1] in persoon. Niet is gesteld dat in de overhead-overeenkomst of enige andere overeenkomst met [gedaagde 2] eenzelfde inzagerecht is overeengekomen. De gevorderde dwangsom zal (gematigd) worden toegewezen.

Proceskosten in reconventie

5.23.

[eiser] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- salaris advocaat€1.108,00(2 punten × € 554,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.297,00
5.24.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,

6.2.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 4.975,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.4.

wijst de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2] af,

in reconventie

6.5.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde 2] een bedrag van € 2.553,91 (incl. btw) te betalen,

6.6.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde 2] van de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over het onder 6.5 toegewezen bedrag vanaf heden,

6.7.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde 2] een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten te betalen,

6.8.

veroordeelt [eiser] om [gedaagde 1] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis inzage te geven in de administratie ten aanzien van de film, zoals beschreven in artikel 10.2 van de scenario-overeenkomst en artikel 1.1.b. onder f van de regie-overeenkomst (r.o. 3.7 en 3.8),

6.9.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde 1] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 6.8 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

6.10.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden] van € 1.297,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.11.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagden] van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald,

in conventie en reconventie

6.12.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1. tot en met 6.3. en 6.5. tot en met 6.11. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Higler-Huisman en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.