Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Amsterdam, 29 april 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10439Zaaknummer C/13/783273 / HA ZA 26-123

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/783273 / HA ZA 26-123
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Tussenuitspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoofdzaak: Vordering tot schadevergoeding (letsel). Beslissing op incidentele vordering, vordering voorschot op kosten voor deskundigen. Afwijzing.

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst de incidentele vordering af;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten in het incident van € 743,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in het incident als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

3.4.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.5.

beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

3.6.

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

3.7.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 3 juni 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met oktober 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,

3.8.

bepaalt dat partijen op de rol van woensdag 3 juni 2026 ook dienen op te geven of zij gebruik willen maken van de mogelijkheid om de zaak door de rechtbank te laten verwijzen naar een mediator,

3.9.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,

3.10.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

3.11.

wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken,

3.12.

bepaalt dat de in de overwegingen opgevraagde informatie uiterlijk tien dagen voor de dag van de mondelinge behandeling aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

3.13.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Higler-Huisman en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling in het incident
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/783273 / HA ZA 26-123

Vonnis in incident van 29 april 2026

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats 1],

eisende partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

advocaat: mr. P.A.J. Raaijmaakers,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

advocaat: mr. N.P. Jonker.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 3 februari 2026, met producties, tevens houdende een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening;
  • de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, tevens houdende de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand. Op 11 maart 2025 heeft [gedaagde] [eiser] in een Oostenrijks vakantiepark tegen zijn achterhoofd geslagen. [eiser] is daarna met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. In een mededeling van het Oostenrijkse Openbaar Ministerie aan [gedaagde] staat dat [gedaagde] ten laste wordt gelegd ‘[eiser] door een vuistslag tegen het achterhoofd, waardoor de genoemde op de grond viel en met het hoofd tegen een steen sloeg, hetgeen een hersenschudding tot gevolg had en een lichte breuk van de neus, opzettelijk lichamelijk letsel te hebben toegebracht’. In de mededeling is aangekondigd dat het voornemen bestaat dit feit te seponeren als binnen vier weken een bedrag van € 1.000,- wordt betaald. [gedaagde] heeft erkend dat hij [eiser] heeft geslagen en heeft voornoemd bedrag voldaan.

2.2.

In de hoofdzaak vordert [eiser] – kort weergegeven – een verklaring voor recht dat [gedaagde] op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk is jegens [eiser] voor de (materiële en immateriële) schade die hij als gevolg van de aanval op 11 maart 2025 heeft geleden en nog zal lijden, en [gedaagde] te voordelen tot betaling van die schade, nader op te maken bij staat.

2.3.

[gedaagde] erkent dat hij [eiser] tegen zijn achterhoofd heeft geslagen, voert inhoudelijk geen verweer tegen de gevorderde verklaring voor recht en maakt geen bezwaar tegen de gevorderde verwijzing naar de schadestaat, mits (zo begrijpt de rechtbank) er een onderbouwing van de gestelde schade komt. [gedaagde] wijst erop dat hij bij herhaling de bereidheid heeft getoond de zaak in der minne met [eiser] te regelen, maar dat [eiser] tot op heden niet is ingegaan op zijn verzoeken om stukken ter onderbouwing van de gestelde schade te overleggen. Ook in deze procedure heeft [eiser] dit niet gedaan. De enige informatie waarover [gedaagde] beschikt, betreft informatie uit Oostenrijk waaruit blijkt dat [eiser] na één nacht observatie is ontslagen uit het ziekenhuis en dat de artsen aldaar uitgingen van een hersteltijd van twee weken. [gedaagde] verzoekt de rechtbank daarom om [eiser] op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op te dragen de bewijsstukken over te leggen waaruit de medische situatie van [eiser] en de schade die hij stelt te lijden, blijkt. Ook vraagt hij de rechtbank om de zaak (daarna) te verwijzen naar mediation; dit om de zaak alsnog op te lossen, de verdere (juridische) kosten enigszins te beperken en omdat partijen dan gebruik kunnen maken van de ‘Subsidieregeling startbijdrage mediation’, aldus (steeds) [gedaagde].

Het geschil in het incident

2.4.

[eiser] vordert dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 223 Rv. [eiser] vordert een voorschot op de kosten voor inschakeling van twee deskundigen, namelijk Triage Medisch Advies en Laumen Expertise, die hij heeft benaderd om zijn immateriële en materiële schade te berekenen. De offertes komen op een totaal van € 2.895,99 exclusief btw, maar zijn gebaseerd op het prijspeil van 2025. Inclusief btw en rekening houdend met een gewijzigd prijspeil acht [eiser] het redelijk dat een voorschot wordt betaald van € 4.000,00.

2.5.

[eiser] legt het volgende aan zijn incidentele vordering ten grondslag. [eiser] heeft schade geleden door de mishandeling en heeft daardoor ernstig lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een zware hersenschudding, en kampt sindsdien met blijvende klachten, zoals hevige hoofdpijn, misselijkheid, evenwichtsstoornissen, nekpijn, slaapproblemen en verminderde eetlust. [eiser] is arbeidsongeschikt geraakt en zal naar verwachting nog geruime tijd niet op zijn normale niveau kunnen terugkeren in zijn werk. Verder heeft [eiser] ook psychische klachten door de mishandeling, waarvoor hij professionele hulp van een psycholoog en osteopaat heeft moeten krijgen en somatische therapie heeft moeten volgen. Ook voor deze schade is [gedaagde] aansprakelijk. Om zijn materiële en immateriële schade te begroten wil [eiser] twee deskundigen inschakelen, waarna hij mogelijk zijn eis kan wijzigen en de schade al concreet in deze bodemprocedure kan inbrengen, zodat een afzonderlijke schadestaatprocedure overbodig wordt. [eiser] kan de deskundigen niet zelf betalen en kan zijn schade daarom niet adequaat laten vaststellen. Hij heeft dan ook een spoedeisend belang bij zijn vordering om hem een voorschot op de schadevergoeding - specifiek ter dekking van deze kosten - toe te kennen.

2.6.

[gedaagde] voert het volgende aan als verweer. De incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van een vordering voor de duur van het geding en er geen onderbouwing is gegeven van een voldoende spoedeisend belang. Bovendien gaat het om nog niet gemaakte kosten en ontbreken de onderliggende stukken die benodigd zijn om de noodzaak van het gevorderde te beoordelen. Op basis van de wel beschikbare informatie is duidelijk dat de door [eiser] gewenste inschakeling van deskundigen prematuur is. [gedaagde] verzoekt daarbij om [eiser] te veroordelen in de kosten van het incident.

De beoordeling van deze incidentele vordering

2.7.

De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan [gedaagde] aanvoert, heeft [eiser] voldoende processueel belang bij de incidentele vordering en de gevraagde voorlopige voorziening hangt ook voldoende samen met de hoofdvordering. [eiser] vordert immers naast een verklaring voor recht ook toekenning van een schadevergoeding, op te maken bij staat. Het staat de rechtbank evenwel vrij om de schade al concreet te begroten als dat mogelijk is, waarmee een verwijzing naar de schadestaat overbodig wordt. Nu [gedaagde] - met het oog op die eventuele schadebegroting - een voorschot vraagt op de kosten van het laten berekenen van zijn schade door derden, is er voldoende samenhang tussen de gevraagde voorlopige voorziening en het gevorderde in de hoofdzaak.

2.8.

Nu [gedaagde] erkent dat hij [eiser] heeft geslagen, staat vast dat hij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. Dat heeft tot gevolg dat [gedaagde] in beginsel binnen de grenzen van art. 6:98 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van de mishandeling heeft geleden. Daarbij geldt dat de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ook dan voor vergoeding in aanmerking kunnen komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat enige schade is geleden (ECLI:NL:HR:2015:586). De kosten moeten wel als gevolg van de mishandeling zijn gemaakt en in zodanig verband daarmee staan dat zij aan [gedaagde], mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van de mishandeling kunnen worden toegerekend (ECLI:NL:HR:2003:AF7423, ro. 3.5.3).

2.9.

[eiser] heeft zijn stellingen, in het licht van het gevoerde verweer, echter nog onvoldoende onderbouwd om aan hem een voorschot op een schadevergoeding toe te kennen. [eiser] stelt dat hij ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen, dat hij blijvende klachten heeft en op dit moment arbeidsongeschikt is. Ook stelt hij dat hij onder meer onder behandeling is of is geweest bij een psycholoog en osteopaat en somatische therapie heeft moeten volgen. Medische stukken van zijn behandeling(en) in Oostenrijk en Nederland ontbreken echter. Bij de stukken zit ook geen enkele andere onderbouwing van de klachten en/of behandelingen die [eiser] heeft ondergaan. Daardoor kan, zoals [gedaagde] ook betoogt, niet beoordeeld worden of de expertise waarvoor een voorschot wordt gevraagd noodzakelijk is en het redelijk is daarvoor kosten te maken, of de schade niet op eenvoudiger wijze vast te stellen is, en evenmin of de opgevoerde kosten redelijk zijn. Dat betekent de gevorderde voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

2.10.

Voor de goede orde wenst de rechtbank op te merken dat daarmee niet wordt geoordeeld dat [eiser] geen klachten meer heeft waarvoor mogelijk een medisch deskundige moet worden ingeschakeld, maar simpelweg dat hij, in het licht van het gevoerde verweer, zijn stellingen omtrent de schade nog onvoldoende heeft onderbouwd om te kunnen beoordelen of het inschakelen van een deskundige redelijk en noodzakelijk is. Indien daartoe aanleiding is zou de rechtbank op een later moment (ook ambtshalve) een deskundige kunnen benoemen op grond van artikel 186 Rv.

22 Rv

2.11.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om vooruitlopend op de behandeling in de hoofdzaak, waar ter beoordeling zal voorliggen of de zaak naar de schadestaatprocedure kan en moet worden verwezen, [eiser] te veroordelen stukken over te leggen. De rechtbank is immers op grond van artikel 22 Rv bevoegd om in elke stand van de procedure partijen te bevelen bescheiden over te leggen, en [gedaagde] heeft daar ook om verzocht. De rechtbank zal [eiser] bevelen de schade die hij stelt te hebben geleden en nog zal lijden, zoals kort weergegeven in overweging 2.5 van dit vonnis, met stukken te onderbouwen. Daarbij valt te denken aan de informatie die [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord (onder 49 a tot en met d) noemt, maar ook andere stukken waarmee [eiser] zijn vordering kan onderbouwen mogen worden ingediend. [eiser] dient zelf een afweging te maken welke stukken daarvoor relevant zijn.

2.12.

De rechtbank stelt [eiser] ook in de gelegenheid om de beelden die hij heeft willen overleggen als productie 1 (alsnog) in het geding te brengen. Bij de dagvaarding zijn weliswaar twee USB-sticks overgelegd, maar bij controle van die USB-sticks is gebleken dat deze leeg zijn en geen enkel bestand of document bevatten.

Proceskosten in het incident

2.13.

[eiser] is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] in het incident worden begroot op:

- salaris advocaat€554,00(1 punt × € 554,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€743,00
2.14.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in het incident wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Vervolg in de hoofdzaak

2.15.

De rechtbank zal in de hoofdzaak een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

2.16.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

2.17.

In het kader van de vaststelling van de feiten dient [eiser] ervoor te zorgen dat de rechtbank en de andere partij uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling de stukken, zoals genoemd in overweging 2.11. en 2.12., hebben ontvangen.

2.18.

Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.

2.19.

Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.

2.20.

Indien partijen - zonder dat daaraan voorafgaand een mondelinge behandeling wordt gehouden - gebruik willen maken van de mogelijkheid de zaak door de rechtbank te laten verwijzen naar een mediator, dienen zij dat op de hierna te bepalen rolzitting kenbaar te maken.

2.21.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst de incidentele vordering af;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten in het incident van € 743,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in het incident als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

3.4.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.5.

beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

3.6.

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

3.7.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 3 juni 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met oktober 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,

3.8.

bepaalt dat partijen op de rol van woensdag 3 juni 2026 ook dienen op te geven of zij gebruik willen maken van de mogelijkheid om de zaak door de rechtbank te laten verwijzen naar een mediator,

3.9.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,

3.10.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

3.11.

wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken,

3.12.

bepaalt dat de in de overwegingen opgevraagde informatie uiterlijk tien dagen voor de dag van de mondelinge behandeling aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

3.13.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Higler-Huisman en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.