Uitspraak · Europees strafrecht
Rechtbank Amsterdam, 8 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10395Zaaknummer 13-222485-26
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-222485-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Executie-EAB Polen; artikel 12 OLW: afzien van weigeren; artikel 11 OLW: Poolse rechtsstaat; overlevering toegestaan.
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Toruń, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. W.A.J.P. van den Reek en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
- INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
- 1 Procesgang
- 2 Identiteit van de opgeëiste persoon
- 3 Grondslag en inhoud van het EAB
- 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
- 5 Strafbaarheid
- Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
- 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
- 7 Slotsom
- 8 Toepasselijke wetsbepalingen
- 9 Beslissing
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-222485-26
Datum uitspraak: 8 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[_4c9cec1a-8a30-4bf5-8b76-0a9062c98d81]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 oktober 2024 door the Regional Court of Toruń, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentie-instelling],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 september 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.[_18e3a135-ce27-4442-aa9d-245a771f4438]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court of Chełmno van 2 november 2022 met kenmerk II K 477/02, dat deels is gewijzigd door het arrest van the Regional Court in Toruń van 2 maart 2023 met kenmerk IX Ka 776/22.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, elf maanden en 29 dagen.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.[_95498fdc-4e2c-4061-bc23-fe5368ade29d]
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon de juistheid van de aanvullende informatie betwist.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is maar dat kan worden afgezien van toepassing van die weigeringsgrond. De opgeëiste persoon is namelijk in eerste aanleg aanwezig geweest bij de procedure. Toen de opgeëiste persoon vrij kwam uit de gevangenis en dacht dat de procedure nog wel even zou gaan duren, is hij naar Nederland vetrokken zonder een adreswijziging door te geven. Hij heeft echter een adresinstructie gekregen en is in hoger beroep ook opgeroepen op het door hem opgegeven adres. Ook is de opgeëiste persoon in eerste aanleg en hoger beroep vertegenwoordigd door dezelfde advocaat.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.[_2c8af1b7-a041-49b6-b90c-9195fa32de05] De rechtbank zal daarom de beslissing van the Regional Court in Toruń van 2 maart 2023 met kenmerk IX Ka 776/22 toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. [_fb0c51e7-2585-4073-a9a8-9a1e9d680746]Gelet daarop kan de rechtbank de overlevering ex artikel 12 OLW weigeren.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking en van de mogelijkheid dat een strafproces zou volgen. Uit het EAB blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek is verhoord als verdachte en in eerste aanleg aanwezig is geweest bij het proces. Uit de aanvullende informatie van 28 augustus 2026 blijkt verder dat de advocaat, die ook in eerste aanleg de verdediging heeft gevoerd, hoger beroep heeft ingesteld. Uit diezelfde aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens zijn eerste verhoor een adresinstructie heeft ontvangen waarbij hij ook is gewezen op de gevolgen van het niet naleven van deze instructie. Uit de aanvullende informatie van 8 september 2026 blijkt dat deze adresinstructie zag op de gehele procedure. De oproep voor de zitting in hoger beroep is volgens de aanvullende informatie naar het opgegeven adres verstuurd. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot brieven die op zijn correspondentieadres bezorgd werden. Van hem mocht zorgvuldigheid worden verwacht, omdat hij er redelijkerwijs rekening mee moest houden dat een hoger beroepsprocedure zou volgen. De raadsman heeft weliswaar aangevoerd dat de aanvullende informatie niet juist zou zijn, maar heeft dit niet onderbouwd. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van de aanvullende informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is niet voldoende om aan de informatie afkomstig van de uitvaardigende autoriteit te twijfelen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW en verwerpt het verweer van de raadsman
5 Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.[_e8dbdda8-1bc9-45a5-af47-9b565d5aaef3]
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 162, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
telkens: diefstal.
6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.[_d4594bc4-5b78-4f76-a60e-f81edfe5a4c8] Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.[_74667a3c-b96e-4bd8-9012-9cf9acd66dd4]
7 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht, 7, 11, 162 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Toruń, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. W.A.J.P. van den Reek en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
- Zie artikel 23 Overleveringswet.
- Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
- Zie onderdeel e) van het EAB.
- HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 47 en HvJ EU 21 december 2023, C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 32.
- Zie artikel 12, sub a tot en met d, OLW.
- Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.
- Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
- Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 12 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 11 WVW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 7 WVW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 162 WVW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 11 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 2 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 310 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 29 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 23 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 22 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 7 OLW meer uitspraken over dit artikel
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.