Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Amsterdam, 22 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10367Zaaknummer C/13/788990 / HA RK 26-209
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/13/788990 / HA RK 26-209
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deelgeschil; aansprakelijkheid aannemer na omvallend hek op voetpad; zaak leent zich niet voor behandeling in deelgeschil, bewijslevering toedracht en letsel nodig, verzoek afgewezen.
De rechtbank
wijst het verzochte af,
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 2.299,00 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,00.
| Deze beschikking is gegeven door mr. M. Singeling, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/788990 / HA RK 26-209
Beschikking van 22 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. D. Salhi,
tegen
VAN DEN HEUVEL AANNEMINGSBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Heesch,
verwerende partij,
hierna te noemen: Van den Heuvel,
advocaat: mr. R.J. Petersen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift deelgeschil met bijlagen,
- de tussenbeschikking van 23 juli 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- het verweerschrift met producties,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
Op 28 januari 2026 was [verzoeker] op zijn fiets onderweg van zijn woning naar zijn werk. Hij kwam daarbij rond 11:00 langs de [straat] in [plaats], waar op dat moment werkzaamheden werden uitgevoerd.
Van den Heuvel bouwt, onderhoudt en beheert infrastructuren voor water, energie en telecommunicatie. Zij was op 28 januari 2026 bezig met de werkzaamheden op de [straat].
In dat verband was de rijbaan van de [straat] afgesloten. Aan weerszijden van de weg waren hekken geplaatst, waarbij voor voetgangers een voetpad beschikbaar was. Op het moment dat [verzoeker] langs de werkzaamheden kwam, was een medewerker van Van den Heuvel bezig met het verplaatsen van een hek. Daarbij raakte hij een ander losstaand hek, dat vervolgens in de richting van het voetpad viel. Het hek raakte [verzoeker] op zijn rechterheup. Het betreffende hek had een hoogte van 1,2 meter, een breedte van 3,5 meter en een gewicht van 11 kilogram.
Op 4 februari 2026 heeft de gemachtige van [verzoeker] Van den Heuvel aansprakelijk gesteld. Op 26 mei 2026 heeft Van den Heuvel de aansprakelijkheid van de hand gewezen.
Wat verzoekt [verzoeker] ?
[verzoeker] verzoekt de rechtbank op de voet van artikel 1019w Rv voor recht te verklaren dat Van den Heuvel aansprakelijk is voor de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval van 28 januari 2026 geleden en nog te lijden schade. Daarnaast verzoekt [verzoeker] de kosten van het deelgeschil te begroten op € 2.876,00 en Van den Heuvel te veroordelen tot betaling daarvan.
[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat een medewerker van Van den Heuvel bij het verplaatsen van een hek onzorgvuldig heeft gehandeld, waardoor het hek is omgevallen en hem heeft geraakt op zijn rechterheup, hij hierdoor is gevallen en schade lijdt. Volgens [verzoeker] is sprake van een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW, waarvoor Van den Heuvel als werkgever op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is.
Van den Heuvel verweert zich en voert primair aan dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschil. Volgens haar bestaat tussen partijen verschil van mening over de feitelijke toedracht van het ongeval en over de aard en omvang van de door [verzoeker] gestelde schade. Voor de beoordeling van de aansprakelijkheid is volgens Van den Heuvel nadere bewijslevering nodig, waarvoor in de deelgeschilprocedure geen ruimte bestaat. Subsidiair betwist Van den Heuvel dat sprake is van onrechtmatig handelen en voert zij aan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker].
Toetsingskader in deelgeschil
[verzoeker] heeft zijn verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikelen 1019w-1019cc Rv). Als een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel, kan op grond van artikel 1019w lid 1 Rv de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarbij wordt vooropgesteld dat de deelgeschilprocedure partijen een eenvoudige, snelle en ten opzichte van een bodemprocedure (doorgaans) aanmerkelijk goedkopere toegang tot de rechter biedt ter oplossing van een (of meerdere) deelgeschil(len) in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase. De procedure heeft tot doel dat partijen met behulp van de interventie van de deelgeschilrechter dichter bij een buitengerechtelijke oplossing komen.
Het gaat in deze procedure om de vraag of Van den Heuvel op grond van artikel 6:170 BW jo. 6:162 BW aansprakelijk is voor de (vermeende) schade die [verzoeker] heeft geleden en thans nog lijdt als gevolg van het ongeval. [verzoeker] verzoekt in het kader van onderhavige deelgeschilprocedure om die aansprakelijkheid vast te stellen, zodat partijen verder kunnen onderhandelen over de andere geschilpunten en daarover mogelijk ook overeenstemming kunnen bereiken.
Het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen; de zaak leent zich niet voor een deelgeschil
De rechtbank is van oordeel dat de zaak zich niet leent voor een deelgeschil, omdat nadere bewijslevering nodig is naar de toedracht van het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade. Daarvoor is in een deelgeschilprocedure geen plaats. Het verzoek van [verzoeker] wordt daarom afgewezen. Wel worden de kosten van het deelgeschil begroot. Hierna wordt uitgelegd waarom de rechtbank tot deze beslissing gekomen is.
Bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van Van den Heuvel staat voorop dat op grond van artikel 6:170 BW de werkgever aansprakelijk kan zijn voor een fout van een ondergeschikte, indien aan de in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan. Daarvoor moet sprake zijn van een aan de ondergeschikte toe te rekenen onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. Of daarvan sprake is, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij is in dit geval onder meer van belang in hoeverre de werknemer rekening moest houden met de aanwezigheid van personen op het naastgelegen voetpad, hoe voorzienbaar het was dat het verplaatsten van een hek tot een ongeval kon leiden, wat de mogelijke gevolgen daarvan konden zijn en hoe bezwaarlijk het was om daartegen veiligheidsmaatregelen te nemen. Op [verzoeker] rust, als verzoeker, de stelplicht en zo nodig de bewijslast van de feiten die nodig zijn voor het aannemen van aansprakelijkheid.
Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] door het omvallende hek is geraakt. Partijen verschillen echter van mening over de precieze toedracht van het ongeval en over de gevolgen daarvan.
Toedracht
[verzoeker] stelt dat hij ten tijde van het ongeval met zijn fiets aan de hand over het voetpad liep toen het omvallende hek hem tegen zijn rechterheup raakte. Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat hij als gevolg daarvan ten val is gekomen: eerst op zijn knieën en vervolgens op zijn schouders en hoofd.
Van den Heuvel betwist deze toedracht. Zij stelt dat [verzoeker] met aanzienlijke snelheid op een elektrische fiets over het voetpad reed toen het hek op hem viel. Volgens Van den Heuvel is [verzoeker] daarbij niet gevallen, maar stopte [verzoeker] met fietsen, zette hij zijn fiets weg en ging hij op zijn hurken zitten. Daarbij stelt Van den Heuvel dat [verzoeker] geroepen zou hebben dat hij net was gerevalideerd in verband met knieklachten. Zij verwijst daarbij ter onderbouwing naar de verklaringen van de bij het ongeval aanwezige medewerkers.
De rechtbank stelt vast dat partijen daarmee van mening verschillen over wezenlijke onderdelen van de feitelijke toedracht van het ongeval. In het bijzonder is in geschil of [verzoeker] op zijn fiets reed dan wel met zijn fiets aan de hand over het voetpad liep, en of hij als gevolg van het omvallen van het hek ten val is gekomen. Deze omstandigheden zijn van belang voor de beoordeling van de vraag of de werknemer van Van den Heuvel door het verplaatsen van het hek een onrechtmatige daad heeft begaan. Daarbij is onder meer van belang met welke gedraging van [verzoeker] de werknemer redelijkerwijs rekening diende te houden en welke gevolgen van het omvallen van een hek voorzienbaar waren. In dat kader is het dus onder meer relevant of [verzoeker] liep of (hard) langsfietste. De beantwoording van deze vragen hangt mede af van de vaststelling van de feitelijke toedracht van het ongeval.
Gestelde schade
[verzoeker] stelt dat hij als gevolg van het ongeval lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen. Hij voert aan dat hij na het ongeval onder meer klachten heeft gekregen aan zijn hoofd, nek, schouders en knieën. Daarnaast stelt hij dat sprake is van klachten die volgens hem passen bij hersenletsel, waaronder hoofdpijn, overgevoeligheid voor prikkels en herbelevingen. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat deze klachten het gevolg zijn van het ongeval en dat hij als gevolg daarvan schade lijdt.
Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [verzoeker] medische informatie van zijn huisarts overgelegd. Daaruit volgt dat hij zich na het ongeval tot zijn huisarts heeft gewend. De huisarts heeft vervolgens, naar aanleiding van de door [verzoeker] beschreven klachten, contact opgenomen met een neuroloog. In de medische informatie is onder meer vermeld dat de door [verzoeker] beschreven klachten zouden kunnen passen bij een hersenkneuzing. [verzoeker] stelt daarnaast dat de klachten na het ongeval zijn blijven bestaan. Hij verbindt daaraan de conclusie dat sprake is van door het ongeval veroorzaakt hersenletsel.
Van den Heuvel betwist dat de door [verzoeker] gestelde klachten en schade door het ongeval zijn veroorzaakt. Zij wijst er daarbij op dat geen sprake is geweest van een val, maar enkel van een hek dat [verzoeker] tegen zijn rechterheup heeft geraakt. Volgens Van den Heuvel heeft [verzoeker] direct na het ongeval bovendien verklaard dat hij aan het revalideren was van knieklachten.Van den Heuvel voert verder aan dat zich direct na het ongeval geen zichtbare aanwijzingen voor het door [verzoeker] gestelde letsel voordeden. Zo was volgens haar geen sprake van beschadigde kleding of schaafwonden. Ook is [verzoeker] niet buiten bewustzijn geweest. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een kort na het ongeval gemaakte foto overgelegd waarop [verzoeker] leunend tegen een muurtje, in een witte, onbeschadigde broek te zien is terwijl hij telefoneert. Ook wijst Van den Heuvel erop dat [verzoeker] na het ongeval enige tijd ter plaatse is gebleven, een ambulance in eerste instantie weigerde en vervolgens zelf met zijn fiets is vertrokken.
Ook ten aanzien van de door [verzoeker] gestelde schade verschillen partijen van mening over de relevante feiten en omstandigheden. De rechtbank overweegt dat op basis van de in dit geding overgelegde medische informatie het door [verzoeker] gestelde hersenletsel niet vastgesteld kan worden. De door [verzoeker] beschreven klachten zijn niet door lichamelijk of aanvullend onderzoek vastgesteld en aanvullende informatie van bijvoorbeeld de fysiotherapeut of neuroloog ontbreekt. Of [verzoeker] schade heeft geleden kan de rechtbank met de thans beschikbare (medische) stukken niet vaststellen.
Nadere bewijslevering nodig
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor beschreven geschilpunten niet op basis van de thans voorliggende stukken kunnen worden beslecht. Voor een beoordeling van deze geschilpunten is nader feitenonderzoek naar de toedracht nodig. Voor zover het gaat om de gestelde medische klachten en het causaal verband met het ongeval, is bovendien aanvullende (medische) onderbouwing of nader onderzoek noodzakelijk. De deelgeschillenprocedure leent zich niet voor een dergelijke (uitvoerige) bewijslevering. Het verzoek zal daarom op grond van artikel 1019z Rv worden afgewezen.
Kosten deelgeschil
Op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv dient de rechtbank, ook indien het verzoek wordt afgewezen, de kosten die de persoon die schade door dood of letsel lijdt in verband met de behandeling van het verzoek heeft gemaakt te begroten, tenzij het verzoek volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Bij de begroting van deze kosten neemt de rechtbank alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking. Daarbij geldt de dubbele redelijkheidstoets.
[verzoeker] heeft verzocht om vergoeding van een bedrag van € 2.876,00 aan kosten. Dit bedrag ziet op de door zijn gemachtigde verrichte werkzaamheden, in totaal 10 uren tegen een uurtarief van € 230,00, vermeerderd met 21% btw. In dit bedrag is het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,00 begrepen.
Van den Heuvel heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat het verzoek volstrekt onnodig is ingesteld, zodat geen plaats is voor begroting van de kosten. Daarnaast betwist zij dat de opgevoerde kosten aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen. Volgens Van den Heuvel is het gehanteerde uurtarief van € 230,00, gelet op de complexiteit van de zaak, te hoog. Daarbij voert zij aan dat de gemachtigde van [verzoeker] nog geen jaar advocaat is en niet is aangesloten bij een beroepsvereniging. Volgens Van den Heuvel is een uurtarief van € 190,00 redelijk. Verder acht zij een tijdsbesteding van 8,5 uur, in plaats van de door [verzoeker] opgevoerde 10 uur, voor deze zaak redelijk.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een verzoek dat volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De kosten zullen daarom worden begroot. De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van een uurtarief van € 190,00. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het hier, gelet op de aard en omvang van het geschil, om een betrekkelijk eenvoudige zaak gaat en dat de gemachtigde van [verzoeker] beperkte ervaring heeft. Verder acht de rechtbank een tijdsbesteding van 10 uur voor deze zaak redelijk. De kosten worden daarom begroot op 10 x € 190,00, vermeerderd met 21% btw, en € 93,00 aan griffierecht, in totaal € 2.392,00.
Nu hiervoor is geoordeeld dat de zaak zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, zal de rechtbank de kosten van het deelgeschil uitsluitend begroten en Van den Heuvel niet tot betaling daarvan veroordelen. Het begrote bedrag hoeft daarom alleen door Van den Heuvel te worden betaald indien haar aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.
3 De beslissing
De rechtbank
wijst het verzochte af,
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 2.299,00 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,00.
| Deze beschikking is gegeven door mr. M. Singeling, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 1019w Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:162 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:170 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1019cc Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1019z Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1019aa Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:96 BW meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.