Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Amsterdam, 16 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10285Zaaknummer C/13/793642 HA RK 26-355

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/793642 HA RK 26-355
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Rekestprocedure, Wraking
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De door verzoekster ervaren subjectieve vooringenomenheid wordt niet geobjectiveerd door de aangedragen feiten en omstandigheden. Het verzoek tot wraking is daarom afgewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer:

  • wijst het verzoek tot wraking af;
  • bepaalt dat de zaak met zaaknummers C/13/786197 / FA RK 26/2910 en C/13/786217 JE RK 26/297 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter, mr. M.W. van der Veen en mr. C.A.E. Wijnker, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Feiten
  2. 2 Het verzoek en de gronden daarvan
  3. 3 De reactie van de rechter
  4. 4. De gronden van de beslissing
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Beslissing op het op 10 september 2026 gedane en onder zaaknummer

C/13/793642 HA/RK 26/355 ingeschreven verzoek van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. F.R. Brouwer

welk verzoek strekt tot wraking van mr. M.J.M. Marseille, rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

het wrakingsverzoek van 10 september 2026;

de schriftelijke reactie van de rechter van 30 september 2026;

de pleitnota van mr. Brouwer.

De rechter berust niet in de wraking.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026. Bij de mondelinge behandeling is verzoekster verschenen met mr. Brouwer. De rechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling al te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen, maar alleen schriftelijk te reageren. Voorts is de heer [naam] (hierna: de vader), wederpartij in de hoofdzaak, als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest.

1 Feiten

  • Verzoekster en de vader zijn ouders van twee minderjarige kinderen.
  • De vader heeft op 13 april 2026 een verzoekschrift ingediend met een viertal verzoeken, waaronder het verzoek de kinderen (opnieuw) onder toezicht te plaatsen en voorts te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader is. Verzoekster heeft bij haar verweer ook vier zelfstandige verzoeken gedaan. Deze procedure is bij deze rechtbank bekend onder de zaaknummers C/13/786197 / FA RK 26/2910 en C/13/786217 JE RK 26/297.
  • Voorafgaand aan deze procedure hebben partijen al een vijftal procedures gevoerd, hoofdzakelijk met betrekking tot een verhuisverzoek van verzoekster en het vaststellen van zorgregelingen. Het gerechtshof heeft beide verhuisverzoeken afgewezen en meest recent op 25 maart 2025 bepaald dat de kinderen omgang moeten hebben met de vader.
  • In het kader van de laatste verzoekschriften heeft de rechter op 9 september 2026 met de kinderen een zogenaamd kindgesprek (hierna: het gesprek) gehad.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1

Uit het wrakingsverzoek en uit hetgeen door mr. Brouwer, mede aan de hand van haar pleitnota, ter zitting van de wrakingskamer naar voren is gebracht, volgt dat het verzoek tot wraking is gebaseerd op de volgende gronden.

2.2

Volgens verzoekster heeft de rechter bij het gesprek:

a) voorgesorteerd op de eindbeslissing en daarmee haar procesonbevangenheid verloren,door tegen de kinderen te zeggen dat zijn hun vader moeten zien/naar hun vader moeten. Daarnaast heeft de rechter het oudste kind duidelijk te verstaan gegeven dat zijn mening totdat hij 18 jaar is niet telt. b) de kinderen pedagogisch ongepast en sturend bejegend,door een onaardige opmerking te maken over het handschrift van het oudste kind en het doen van sturende opmerkingen zoals ‘heb je dat van je moeder?’ of ‘ik vind dat je met je vader mee had moeten gaan naar Bonaire’.c) tijdens het gesprek verzoekster in een uiterst negatief daglicht gesteld,door de suggestie te wekken dat verzoekster de kinderen dingen zou hebben ingefluisterd.

2.3

Voorgaande heeft verzoekster afgeleid uit hetgeen haar kinderen na afloop van het gesprek aan haar hebben verteld. Vooral het oudste kind is volgens verzoekster van het gesprek volledig van slag geraakt en heeft geen vertrouwen meer in de rechtspraak en hulpverleners.

2.4

Volgens verzoekster wekken bovengenoemde opmerkingen en vragen in samenhang bezien de indruk dat de rechter het kader van de vader overneemt en zij haar oordeel al heeft gevormd, waardoor bij verzoekster de vrees is ontstaan dat de standpunten van verzoekster door de rechter niet meer onbevooroordeeld gewogen zullen worden.

3 De reactie van de rechter

3.1

De rechter heeft in haar schriftelijke reactie – samengevat weergegeven – betwist de meeste van de verweten opmerkingen te hebben gemaakt of vragen te hebben gesteld op de door verzoekster verwoorde wijze. Voor het overige heeft de rechter de context geschetst waarbinnen de vragen en/of opmerkingen zijn gemaakt. Zij weet nog niet welke richting de beslissingen op gaan en heeft dit dus ook niet aan de kinderen kenbaar kunnen maken.

3.2

Zo betwist de rechter tegen de kinderen te hebben gezegd dat zij bij hun vader moeten gaan wonen, maar heeft zij wel aan het jongste kind gevraagd hoe vaak hij zijn vader ziet en hoe hij het zou vinden om bij zijn vader te wonen. Aan het oudste kind heeft de rechter uitgelegd dat het hof heeft bepaald dat hij omgang met zijn vader moet hebben en heeft hem naar aanleiding daarvan gevraagd wat hij daarvoor nodig zou hebben. De rechter heeft bemerkt dat dat het oudste kind zich onveilig heeft gevoeld in het gesprek, hetgeen zij betreurt. Dat is ook de reden geweest dat zij met hem juist niet het verzoek tot het hebben van hoofdverblijf bij de vader heeft besproken. Volgens de rechter heeft ze niet gezegd dat zijn mening niet telt. Zij heeft juist uitgelegd dat kinderen hun mening mogen geven, maar dat dat niet betekent dat altijd wordt beslist wat zij willen. De opmerking over het handschrift was een onschuldig grapje. De reden waarom de rechter de vraag heeft gesteld of het verzoek tot het benoemen van een bijzonder curator van de moeder of het kind afkomstig was, was gelegen in het feit dat de moeder daarover verzoeken had ingediend, maar het kind juist stellig te kennen had gegeven niet open te staan voor gesprekken met hulpverleners.

4. De gronden van de beslissing

4.1

Op grond van het bepaalde in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

4.2

Het verzoek berust er in de kern op dat de rechter met de door haar gemaakte opmerkingen en gestelde vragen in het gesprek van 9 september 2026, in onderling verband bezien, blijk heeft gegeven van vooringenomenheid en partijdigheid, althans de objectief gerechtvaardigde schijn daarvan heeft gewekt.

4.3

Vooropgesteld wordt dat de wrakingskamer geen volledige weergave heeft kunnen verkrijgen van de vragen en opmerkingen die tijdens het gesprek met de kinderen zijn gemaakt en gesteld en welke toon de rechter daarbij heeft gebruikt, aangezien van een kindgesprek geen proces-verbaal wordt gemaakt. Weliswaar worden door de griffier aantekeningen gemaakt van het gesprek, maar deze worden gelet op de vertrouwelijkheid van het gesprek niet aan procesdeelnemers verstrekt en ook de wrakingskamer heeft daarover niet de beschikking verkregen. Er moet dan ook de nodige voorzichtigheid worden betracht ten aanzien van de accuraatheid van het door de kinderen aan verzoekster gegeven verslag van het gesprek en vervolgens de weergave daarvan door verzoekster. Daarnaast valt ook niet uit te sluiten dat de kinderen, mede gelet op hun leeftijd, de context waarin de vragen en/of opmerkingen zijn gemaakt niet goed hebben kunnen plaatsen, waardoor een en ander op een andere manier bij hen is overgekomen.

4.4

De rechter heeft betwist een deel van de aan haar toegedichte opmerkingen te hebben gemaakt, waaronder de opmerking dat de kinderen bij hun vader moeten gaan wonen of hem moeten zien. Daarmee is niet vast komen te staan dat de rechter deze uitspraken heeft gedaan, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan.

4.5

Wel zijn partijen het er over eens dat de rechter in het gesprek: a) aan het oudste kind heeft meegedeeld dat het gerechtshof omgang heeft bepaald en heeft gevraagd wat hij nodig heeft om zijn vader weer te willen zien;b) aan het jongste kind heeft gevraagd hoe hij het zou vinden om bij zijn vader te wonen en waarom hij niet met zijn vader naar Bonaire op vakantie is gegaan;

c) aan het oudste kind heeft gevraagd of het verzoek om een bijzondere curator zijn idee was of het idee van zijn moeder;d) heeft waargenomen dat het oudste kind zich niet op zijn gemak en niet vrij voelde om te spreken, een opmerking over zijn handschrift heeft gemaakt en hem uitleg heeft gegeven over de rol van volwassenen tot zijn 18e jaar.

4.6

Deze opmerkingen en vragen kunnen bij de kinderen en vervolgens verzoekster mogelijk de indruk hebben gewekt dat de rechter vooringenomen was. Of deze vrees ook objectief gerechtvaardigd is, moet worden beantwoord aan de hand van de algehele context.

4.7

Een van de taken van de rechter bij een kindgesprek is om duidelijkheid te verkrijgen over de mening van de kinderen ten aanzien van verschillende onderwerpen, waaronder de (gevolgen van) mogelijke uitkomsten van de procedure. In dat kader zal de rechter aan de kinderen bepaalde vragen stellen en scenario’s voorhouden, zonder dat dat echter betekent dat de rechter die al tot uitgangspunt heeft genomen. In dat kader heeft de rechter ook de vraag kunnen stellen wat nodig is voor een onbevangen contact met de vader en hoe het jongste kind het zou vinden om bij vader te wonen. Bij de vraag aan het oudste kind wat nodig is voor contact met vader, heeft de rechter ook vermeld dat het gerechtshof omgang heeft bepaald. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat een kind uit deze vraag de mening van de rechter opmaakt, volgt uit de toevoeging dat het niet de mening van de rechter is. Ook als er vragen zijn gesteld vanuit het perspectief van vader, zoals verzoekster heeft gesteld, kan daaruit op zichzelf niet worden afgeleid dat de rechter partijdig of vooringenomen is. Dit geldt ook ten aanzien van de vraag of het idee van een bepaald processueel verzoek van het kind of van de moeder komt. Hoewel voorstelbaar is dat dergelijke vragen en opmerkingen voor de kinderen wellicht een ongemakkelijk gevoel hebben meegebracht en daarmee ook voor verzoekster, leveren deze - ook in onderling samenhang bezien - naar het oordeel van de wrakingskamer geen aanwijzingen voor de geobjectiveerde vrees van partijdigheid op.

4.8

Gelet op de hiervoor weergegeven context, is naar het oordeel van de wrakingskamer de door verzoekster ervaren (subjectieve) vooringenomenheid, niet objectief gerechtvaardigd. Nu de vrees voor vooringenomenheid bij verzoekster niet wordt geobjectiveerd door de aangedragen feiten en omstandigheden, zal het verzoek tot wraking worden afgewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer:

  • wijst het verzoek tot wraking af;
  • bepaalt dat de zaak met zaaknummers C/13/786197 / FA RK 26/2910 en C/13/786217 JE RK 26/297 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter, mr. M.W. van der Veen en mr. C.A.E. Wijnker, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.