Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Amsterdam, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10251Zaaknummer C/13/791639 / HA RK 26-282
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/13/791639 / HA RK 26-282
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Rekestprocedure, Wraking
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Een procesbeslissing is geen grond tot wraking. De incidenten met deze rechters die verzoekster naar voren brengt, gaan over eerdere procedures in het verleden. Die kunnen geen grond vormen voor een geslaagde wraking in deze procedure. Dat juist deze rechters de zaak toebedeeld hebben gekeregen volgt uit landelijk beleid en wordt in het belang van de kinderen geacht. Dat verzoekster geen vertrouwen heeft in een correcte behandeling door de rechters is onvoldoende.
De rechtbank (wrakingskamer):
- wijst het wrakingsverzoek af;
- bepaalt dat de zaak met zaaknummer C/13/786622 / FA RK 26/3157 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond.
Aldus gegeven door mr. I.M. Bilderbeek, voorzitter, mrs. H.J. Tijselink en L. van Berkum, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026 in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
wrakingskamer
Rekestnummer HA RK 26/282
Zaaknummer C/13/791639
Uitspraak: 6 oktober 2026
Beslissing op het wrakingsverzoek van:
[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster
welk verzoek strekt tot wraking van mr. E.M. Devis en mr. V. Zuiderbaan, kinderrechters in deze rechtbank, hierna ook: de rechters.
Het verloop van de procedure
De rechtbank (wrakingskamer) heeft kennisgenomen van het schriftelijke wrakingsverzoek met bijlagen van 22 juli 2026.
De rechters hebben niet in de wraking berust.
Het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer behandeld op de terechtzitting van 28 september 2026 alwaar verzoekster en de rechters zijn gehoord.
De feiten
De wrakingskamer gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.
Verzoekster is momenteel betrokken in een informele procedure waarin haar dochters [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de kinderrechter hebben verzocht om een wijziging van de bestaande omgangsregeling die bij beschikking van 12 december 2025 is vastgelegd. De procedure is ingeschreven onder zaaknummer C/13/786622 / FA RK 26/3157.
Namens mr. Devis is in die procedure op 17 juli 2026 een brief gestuurd aan verzoekster met de volgende inhoud:
Geachte mevrouw [verzoekster],
Naar aanleiding van een brief die de rechtbank op 3 maart 2026 heeft ontvangen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgenodigd om met de kinderrechter te praten. Op 1 juni jl. heeft kinderrechter mr. E.M. Devis met [minderjarige 1] gesproken en op 3 juli jl. met [minderjarige 2].
Beide meiden hebben verteld dat het goed met ze gaat, maar dat ze de regeling zoals die nu is vastgesteld liever anders zouden zien. De kinderrechter heeft begrepen dat ze momenteel niet iedere zaterdag naar hun moeder toe gaan en dat ze graag zelf willen bepalen wanneer ze gaan. Daarbij willen ze wel afspreken in ieder geval eens in de twee weken, op een door hun te bepalen dag, naar hun moeder te gaan. In de brief van 3 maart 2026 staat ook vermeld dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een wijziging van het gezag zouden willen. Zij hebben in hun gesprekken met de kinderrechter echter aangegeven dat ze vinden dat dit een beslissing is van de rechter. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgelegd dat ze u en de vader een brief zou schrijven waarin zij hun wens zou benoemen en waarop u en de vader dan zouden mogen reageren. De kinderrechter kan namelijk op een verzoek van een minderjarige wijzigingen aanbrengen in een bestaande omgangsregeling (zie daarvoor onder andere artikel 1:377g van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter wil graag van u en de vader horen wat uw visie is op de huidige regeling en of het wat u betreft nodig dan wel mogelijk is daarin verandering aan te brengen.
Ik verzoek u dan ook om mij binnen vier weken na heden via een brief of email op bovengenoemd e-mailadres hierover te informeren. Na ontvangst van uw brief/email, zal de kinderrechter een zitting laten organiseren, ofwel bij haar, ofwel bij mr. V. Zuiderbaan, om te bespreken of de omgangsregeling moet worden gewijzigd. Het streven zal zijn om dat eind september te doen. De rechtbank zendt tevens per gelijke post een gelijkluidende brief aan de vader met het verzoek zijn standpunt en visie kenbaar te maken.
Met vriendelijke groet,
De griffier
Daarop heeft verzoekster op 22 juli 2026 onderhavig wrakingsverzoek ingediend.
Het verzoek en de gronden daarvan
3. Verzoekster heeft – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechters zijn beiden eerder al betrokken geweest in procedures over haar kinderen. Mr. Devis heeft destijds onjuiste verklaringen afgelegd over de situatie van de kinderen. Een eerder wrakingsverzoek van verzoekster dat daar op zag is buiten zitting niet-ontvankelijk verklaard, waardoor haar bezwaren daartegen niet eerder zijn beoordeeld. In de brief van 17 juli jl. geeft mr. Devis wederom onjuistheden weer over de wensen van haar kinderen. De samenvatting klopt niet en de verklaringen van haar dochters zijn bovendien ten onrechte samengevoegd, terwijl haar dochters op twee momenten zijn gehoord. In de brief van 17 juli jl. wordt ook mr. Zuiderbaan weer genoemd als mogelijk behandelend rechter. Zij heeft in 2024 buiten de orde om contact gehad met Jeugdbescherming over haar dochters. Ook heeft zij buiten de zitting een ongepaste opmerking gemaakt tegen verzoekster over het al dan niet huilend naar een zitting laten komen van een dochter. Daarnaast is ook van belang dat de omgangsregeling van 12 december 2025 feitelijk onuitvoerbaar is gebleken en een herstelverzoek door de rechtbank is afgewezen. Ook is verzoekster een klachtprocedure gestart waarin zaken vervolgens verkeerd zijn voorgesteld door de klachtcoördinator. Bovendien is verzoekster in contact met de rechtbank voorgespiegeld dat de zaak door nieuwe rechters zou worden behandeld. Al deze omstandigheden samen maken dat volgens verzoekster sprake is van een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid ten aanzien van de gewraakte rechters.
De reactie van de rechters
4. Mr. Devis heeft op de zitting naar voren gebracht dat zij in haar brief van 17 juli jl. heeft samengevat wat er is gezegd tijdens haar gesprekken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zij heeft er geen belang bij om zaken te verzinnen. Zij heeft ook nog geen conclusies getrokken. Er is in de brief aan de ouders gevraagd om een standpunt te geven. Pas als die worden ingediend weet zij wat hun standpunten zijn en kan zij bepalen of een zitting nodig is. Die zitting zou dan inderdaad bij haar of mr. Zuiderbaan zijn. De rechters hebben toegelicht dat het landelijk beleid is dat dezelfde rechters de zaken van dezelfde kinderen behandelen. Hier geldt het principe van “zaak volgt rechter”. Dat is landelijk vastgesteld in het belang van de kinderen, zodat die dan dezelfde gezichten zien en die rechters hun geschiedenis kennen. Dat ouders dit in bepaalde situaties ingewikkeld vinden begrijpen de rechters, maar het belang van de kinderen wordt zwaarder geacht.
Mr. Zuiderbaan heeft gezegd dat de aantijgingen aan haar adres al van langer geleden zijn. Het kan zijn dat zij in 2024 in de zittingszaal een opmerking heeft gemaakt over het feit dat een van de meiden huilend in de zittingszaal zat. Ze was verdrietig en dat gunde de rechter haar niet. Ook kan het zijn dat de rechter destijds contact heeft gehad met Jeugdbescherming om na te gaan wat het standpunt van de meiden was. Omdat dit lang geleden is, is dit wrakingsverzoek volgens mr. Zuiderbaan niet-ontvankelijk.
De beoordeling van het verzoek
De wrakingskamer dient eerst de vraag te beantwoorden of het verzoek tijdig is gedaan. Op grond van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt het verzoek tot wraking gedaan zodra de feiten of omstandigheden, die aanleiding vormen voor het verzoek tot wraking, aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Hoewel verzoekster in haar verzoek terugkomt op incidenten van langer geleden, constateert de wrakingskamer dat haar wrakingsverzoek op 22 juli 2026 is ingediend naar aanleiding van de inhoud van de brief van 17 juli 2026. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoekster daarmee in dit geval heeft voldaan aan het tijdigheidsvereiste en ontvankelijk is in haar verzoek. De wrakingskamer zal dan ook haar gronden inhoudelijk beoordelen.
Bij de inhoudelijke beoordeling is van belang dat op grond van het bepaalde in artikel 36 Rv in een wrakingsprocedure dient te worden beslist of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Als uitgangspunt heeft namelijk te gelden dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
De handelingen van mr. Devis om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te horen, in de brief van 17 juli 2026 een samenvatting daarvan weer te geven, te vragen om zienswijzen en mee te delen dat een eventuele zitting wordt gehouden bij haar of mr. Zuiderbaan zijn aan te merken als procesbeslissingen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er tegen dat (de motivering van) een procesbeslissing grond kan vormen voor wraking. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter[_ba9b3fc8-283c-43df-a222-944a28cdca57]. Daarvan is hier naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake.
De wrakingskamer overweegt verder dat de incidenten met deze rechters die verzoekster naar voren brengt gaan over eerdere procedures in het verleden. Die kunnen geen grond vormen voor een geslaagde wraking in deze procedure. Dat juist deze rechters de zaak toebedeeld hebben gekregen volgt, zoals toegelicht op de zitting, uit landelijk beleid en wordt in het belang geacht van de kinderen. Dat verzoekster geen vertrouwen heeft in een correcte behandeling door de rechters is onvoldoende, juist omdat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn.
Naar het oordeel van de wrakingskamer leveren de door verzoekster genoemde feiten en omstandigheden – ook niet in onderlinge samenhang bezien – dus geen grond op voor de hiervoor genoemde zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid.
BESLISSING:
De rechtbank (wrakingskamer):
- wijst het wrakingsverzoek af;
- bepaalt dat de zaak met zaaknummer C/13/786622 / FA RK 26/3157 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond.
Aldus gegeven door mr. I.M. Bilderbeek, voorzitter, mrs. H.J. Tijselink en L. van Berkum, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026 in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.
Voetnoten
- Zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.