Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 5 februari 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10223Zaaknummer 13.234913.24

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
19 oktober 2026
Zaaknummer
13.234913.24
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Bewezenverklaring diefstal met geweld in vereniging gepleegd en gekwalificeerde poging tot doodslag. Vordering benadeelde partij toegewezen. Opgelegd is een jeugddetentie van twaalf maanden.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vijf is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

meerdaadse samenloop van de onder 1 tenlastegelegde

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en de onder 2 tenlastegelegde

poging tot doodslag, gevolgd, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beslissing ten aanzien van vordering benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 13.705,94 (zegge: dertienduizend zevenhonderdvijf euro en vierennegentig cent), bestaande uit € 3.705,94 (zegge: drieduizend zevenhonderdvijf euro en vierennegentig cent) aan materiële schade en € 10.000,- (zegge: tienduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 26 juni 2022, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer]

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 13.705,94 (zegge: dertienduizend zevenhonderdvijf euro en vierennegentig cent), bestaande uit € 3.705,94 (zegge: drieduizend zevenhonderdvijf euro en vierennegentig cent) aan materiële schade en € 10.000 (zegge: tienduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 26 juni 2022, tot aan de dag van de algehele voldoening. Behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.S. Crince Le Roy, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. K. Oldekamp-Bakker en A. van Luijck, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[...]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Onderzoek ter terechtzitting
  2. 2 Tenlastelegging
  3. 3 Voorvragen
  4. 4 Waardering van het bewijs voor feit 1 en feit 2
  5. 4 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2026.
  6. 5 Bewezenverklaring
  7. 6 Strafbaarheid van de feiten
  8. 7 Strafbaarheid van verdachte
  9. 8 Motivering van de straf
  10. 9 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
  11. 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
  12. 11 Beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummer: 13.234913.24 (Promis)

Datum uitspraak: 5 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,

wonende op het adres [adres 1],

momenteel uit andere hoofde gedetineerd in de [P.I.]

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 28 april 2025 en 22 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. V.C. Padberg en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T. Scheffer, naar voren hebben gebracht.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. A. van Kernebeek naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, kort gezegd, tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. diefstal met geweld tegen [slachtoffer], in vereniging gepleegd op 26 juni 2022 te Amsterdam;

2. een poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer], in vereniging gepleegd op 26 juni 2022 te Amsterdam.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs voor feit 1 en feit 2

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor de bij de straatroof gepleegde geweldshandelingen met het mes. Het opzet op de samenwerking voor die handelingen is niet bewezen. Verdachte bekent zijn aandeel in de diefstal met geweld, waarbij hij zichzelf in de beschrijving van de camerabeelden als NN2 aanwijst. Verdachte heeft geen beschikking of wetenschap over het mes gehad en de aanmerkelijke kans op gebruik daarvan was ook niet aan de orde. Dat er een mes is gebruikt, kan hem dus niet worden verweten. In het verlengde daarvan moet verdachte worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, nu het opzet voor de poging tot doodslag ontbreekt.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Op 26 juni 2022 spreekt aangever [slachtoffer], hierna te noemen ‘ [slachtoffer] ’, af met zijn schoolgenoten [naam 1] en [naam 2] bij [adres 2] te Amsterdam. Deze locatie had [naam 1] uitgekozen en aan [slachtoffer] doorgegeven. Rond 23:30 uur arriveert [slachtoffer] op zijn scooter bij [adres 2], waar hij [naam 1] en [naam 2] ontmoet. Nadat zij hem vertellen dat zij de situatie op die plek niet vertrouwen vanwege een paar jongens die zij hebben zien lopen, spreken zij af dat [slachtoffer] hen met de scooter naar een andere plek brengt. [slachtoffer] brengt eerst [naam 2] weg en spreekt met [naam 1] af dat hij daarna zal terugkomen om hem op te halen. Terwijl [slachtoffer] [naam 2] wegbrengt, raakt [naam 1] in contact met drie jongens; NN1, NN2 en NN3. [naam 1] spreekt kort met hen en vervolgens verstoppen NN2 en NN3 zich achter een bestelwagen, terwijl [naam 1] op straat blijft staan en NN1 bij hem in de buurt blijft. Op het moment dat [slachtoffer] op zijn scooter terugkeert, wordt aan [slachtoffer] verteld dat NN1 een vriend van [naam 2] zou zijn. [slachtoffer] vraagt aan NN1 of hij hem ook naar huis moet brengen. NN1 springt vervolgens achterop de scooter, zet de scooter uit en neemt [slachtoffer] in een wurggreep. Tussen NN1 en [slachtoffer] vindt een schermutseling plaats. NN2 en NN3 komen dan rennend tevoorschijn en komen NN1 te hulp. Terwijl [slachtoffer] over de grond wordt gesleept, trekt NN2 de helm van [slachtoffer] hoofd. NN3 legt de scooter van [slachtoffer] aan de kant en sluit zich direct weer aan bij de vechtpartij. De vechtpartij tussen [slachtoffer] en NN1 verplaatst zich intussen richting de muur van een naastgelegen gebouw. Daar staat [slachtoffer] met zijn handen voor zijn hoofd, terwijl NN1 met zijn rechterhand wilde slaande en hakkende bewegingen met een mes gericht op het hoofd van [slachtoffer] maakt. Op enig moment weet [slachtoffer] te ontsnappen, waarop NN2 en NN3 de jas, tas en helm van [slachtoffer] verzamelen en meenemen. NN1 rijdt weg op de scooter van [slachtoffer]. [naam 1] heeft daarvoor nog contact met NN1, NN2 en NN3 en loopt dan rustig weg. Later komt hij even terug, kijkt om de hoek en keert om.

Op basis van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden acht de rechtbank de diefstal met geweld richting [slachtoffer], in vereniging gepleegd door NN1, NN2 en NN3, bewezen. Daarbij kan geen nauwe en bewuste samenwerking worden vastgesteld met betrekking tot het geweld met het mes door NN1. Dit geweld met het mes levert naar het oordeel een gekwalificeerde poging tot doodslag op gepleegd door NN1.

Rol van verdachte

De rechtbank overweegt het volgende met betrekking tot de rol van verdachte.

[slachtoffer] verklaart dat hij de degene die achterop zijn scooter is gesprongen goed heeft gezien. [slachtoffer] beschrijft deze jongen aan een vriend, die aanslaat op het signalement. Deze vriend laat een schoolfoto van die jongen zien. [slachtoffer] herkent de jongen op de foto aan zijn donkere haar, zijn licht getinte huidskleur, zijn gezichtsstructuur en de vorm van zijn ogen en geeft aan de politie door dat dit de verdachte is die achterop zijn scooter is gesprongen. De rechtbank heeft geen reden aan de verklaringen van [slachtoffer] te twijfelen en acht de herkenning betrouwbaar. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte die op de scooter is gesprongen eerst nog met [slachtoffer] heeft gesproken op een plek waar straatverlichting aanwezig was, zodat [slachtoffer] hem goed heeft kunnen zien. Hierdoor is het mogelijkheid geweest voor [slachtoffer] om specifieke uiterlijke kenmerken te kunnen waarnemen. Bovendien constateert de rechtbank dat het door [slachtoffer] aan de politie direct na de beroving opgegeven signalement ook aansluit bij het signalement van verdachte.

[slachtoffer] heeft niet kunnen zien wie de persoon was die hem met het mes te lijf ging. Echter aan de hand van het proces-verbaal van beschrijving van de camerabeelden wordt dit wel duidelijk. Hierin wordt de verdachte die achterop de scooter van [slachtoffer] sprong NN1 genoemd. Beschreven wordt ook dat NN1 degene is die vervolgens met het mes [slachtoffer] te lijf gaat. De rechtbank heeft de camerabeelden op zitting bekeken en onderschrijft de conclusie van de politie. Op de broek van NN1, degene die zich niet verstopt achter de bestelwagen maar nabij [naam 1] blijft en vervolgens achterop de scooter springt, is een duidelijke streep aan de zijkant te zien. De persoon met deze opvallende broek is ook de persoon die met het mes richting het hoofd van [slachtoffer] slaande en hakkende bewegingen maakt. Ondanks de korreligheid van deze camerabeelden ( [bedrijf 1], ook wel ‘ [alias bedrijf] ’ genoemd), is het beeldmateriaal van voldoende kwaliteit om de streep op de broek te kunnen waarnemen en deze broek te onderscheiden van de kleding van de andere verdachten. Hiermee staat voor de rechtbank vast dat degene die bij [slachtoffer] achterop de scooter springt en degene die hem met het mes te lijf gaat, een en dezelfde is.

Gelet op de herkenning van [slachtoffer] leidt het bovenstaande de rechtbank tot de conclusie dat verdachte NN1 is. De rechtbank ziet die conclusie bovendien bevestigd in de omstandigheid dat op de foto’s en video’s die in de telefoon van verdachte zijn aangetroffen en die een dag na de beroving en de steekpartij zijn gemaakt, verdachte is te zien met een zelfde broek met streep terwijl hij op de gestolen scooter van [slachtoffer] rijdt. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte NN1 is. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij NN2 zou zijn in het licht van het voorgaande ongeloofwaardig en verwerpt om die reden het verweer van de raadsman.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de hierna te noemen bewijsmiddelen worden bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.

4.4.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2022132550-4 van 27 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1], doorgenummerde pag. 1-4.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Op 26 juni 2022 had ik met mijn vrienden afgesproken om te gaan chillen. Ik had afgesproken op [adres 2] te Amsterdam. De vrienden waarmee ik had afgesproken zijn: [naam 1] en [naam 2] (bijnaam [naam 2] ). De locatie waar ik had afgesproken was een open plek met straatverlichting. Er zitten vooral bedrijven. Ik ging op mijn bromfiets met kenteken [kenteken]. Ik kwam omstreeks 23:30 uur aan bij [adres 2] te Amsterdam en ik zag dat [naam 1] en [naam 2] daar stonden. Zij vertelden mij dat ze de situatie niet vertrouwden, want ze zagen een paar jongens staan. Zij zeiden dat ze weg wilden gaan. Toen we daar aankwamen zag ik dat er drie jongens, in het zwart gekleed, stonden. Ik zag dat deze jongens in onze richting liepen. (..) Toen ik zag dat de drie jongens op mij afkwamen, reed ik met mijn scooter weg. (..) We spraken af dat ik zou omrijden en dat zij zouden teruglopen in de richting van [straat 1]. Ik pikte [naam 2] met de scooter op. Ik vroeg aan [naam 1] waar ik hem moest oppikken, want ik zou hem ook wegbrengen. Ik hoorde [naam 1] zeggen dat ik hem moest oppikken ter hoogte van [adres 3]. Ik zette [naam 2] af en ik reed terug om [naam 1] op te halen. Ik zag toen dat de drie jongens, die mij later hebben beroofd, op de kruising van het fietspad [straat 2] met [straat 1] stonden. Omstreeks 23:35 uur kwam ik bij [straat 1] ter hoogte van huisnummer [huisnummer 1] om [naam 1] op te halen. Ik zag dat [naam 1] verderop met een jongen stond. [naam 1] zei tegen mij dat die jongen een vriend van [naam 2] zou zijn. Ik vroeg of ik die jongen ook moest wegbrengen. Ik zag op dat moment dat diezelfde jongen bij mij achterop de scooter sprong. Ik voelde dat de jongen mij wurgde. Ik probeerde mijn kin op mijn borst te doen zodat ik niet zou flauwvallen. Ik voelde dat de jongen mijn helm probeerde af te doen. Het bandje van mijn helm ging voor mijn gezicht en de jongen trok mijn helm van mijn hoofd af. Terwijl er aan mijn helm getrokken werd, werd ik over de grond gesleept.

Ik hoorde dat de jongens zeiden: ‘Doe je tas af.’ Voordat ik de kans kreeg om mijn tas af te doen zag ik dat één van hen uithaalde met een groot mes in de richting van mijn hoofd. Ik zag dat hij het mes in zijn rechterhand hield. Ik zag dat het mes inclusief het handvat ongeveer 30 centimeter groot was. Ik zag dat hij het mes bovenhands vasthield. Ik voelde dat het mes mijn hoofd aan de bovenkant raakte. Ik weet niet precies wanneer het gebeurde, maar ik kreeg nog een tweede klap met het mes op mijn hoofd. Ik deed toen mijn tas af en mijn jas uit. Vervolgens lukte het mij om weg te rennen. Ik voelde dat er een gat in mijn hoofd zat. Ik zag dat er overal bloed op mij zat. Ik hoorde dat mijn scooter wegreed. Ik herkende het geluid van een 2takt.

Letsel

Ik heb twee wonden bovenop mijn hoofd. Eén snijwond is 5 centimeter groot en de

andere is 10 centimeter groot. Ik heb ook een snijwond in mijn buik van 4 centimeter

groot. In het ziekenhuis heb ik 7 hechtingen in de linkersnijwond en 5 hechtingen in

de rechtersnijwond in mijn hoofd gehad. Ook heb ik 4 hechtingen in mijn buik gehad.

Ik heb ook een lichte hersenschudding.

[naam 1] heeft ook tegen mij gezegd dat het beter is als ik niet naar de politie zou gaan.

Signalement

Ik heb maar één van de vier personen gezien die mij hebben beroofd.

NN1: man, tussen de 16 en 20 jaar oud, Marokkaanse afkomst, slank, donkergrijs trainingspak.

NN2: man, Surinaamse of Antilliaanse afkomst

NN3: zwarte kleding, hij droeg het mes

Gestolen goederen

Bromfiets

Merk: Piaggo

Type: Zip 2takt

Kleur: donkergrijs met roze remhendels, chrome uitlaat en Vespa velgen

Tas

Merk: Prada

Jas

Merk: Stone Island

Helm

Merk: Roof

Type: Boxxer R09.

2. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer ADR022076-51 van 30 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3], doorgenummerde pag. 19-21.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Ik heb tegen mijn vriend [naam 3] gezegd, die andere verdachte heet blijkbaar [verdachte] (…). Hij heeft vervolgens een schoolfoto weten te regelen en hierop herkende ik [verdachte]. Ik zag dat dit de persoon was die tijdens het incident achter op mijn scooter kwam zitten en die mij gewurgd heeft. Ik heb [verdachte] in goed licht in zijn gezicht gekeken, hij stond naast mijn scooter tijdens het incident. Er waren straatlantaarns en het gezicht van [verdachte] was belicht.

Ik zal jullie een foto geven van [verdachte], de foto die ik van [naam 3] heb gekregen.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2022132550-46 van 11 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 5], doorgenummerde pag. 1-3.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Toen ik de foto van [verdachte] zag herkende ik hem onmiddellijk uit volle overtuiging als zijnde de dader. Ik herkende hem aan het volgende:

- donker haar

- licht getinte huidskleur

- gezichtsstructuur

- vorm van zijn ogen

4 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2026.

Deze verklaring van verdachte houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Ik werd gebeld om iemand te beroven met een vriend. Ik was daar die avond en ik heb meegedaan aan de beroving. We waren met z’n drieën. Het klopt dat ik wist dat er spullen te halen waren bij het slachtoffer. De spullen zijn door ons drieën verkocht. We hebben allemaal ons aandeel gehad. U toont mij de foto die aangever [slachtoffer] van zijn vriend heeft gekregen en u toont mij de foto’s die in mijn telefoon zijn gevonden van een persoon op een scooter. Op de foto’s die u mij toont, ben ik te zien.

5. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van de forensisch arts, drs. [naam arts], van 11 juli 2022, doorgenummerde pag. p. 14-18

Deze verklaring van voornoemde arts houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Er zijn veertien dagen verstreken sinds het incident. De schatting van verdere genezing is vier dagen. Het letsel zal genezen met achterblijven van een litteken. Het letsel betreft samengevat snij- en steekverwondingen op het hoofd en op de buik, en enkele oppervlakkige snij- en krasverwondingen op de linkerhand. Het letsel past goed bij de gemelde toedracht van geslagen/gestoken te zijn met een mes.

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2022132550-10 van 6 juli 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6], doorgenummerde pag. 29-34.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Datum

De camerabeelden zijn van 26 januari 2022, in het proces verbaal zal verder alleen het tijdstip, zichtbaar op de beelden, worden beschreven.

[bedrijf 1] CAM 15

22:57:10

Er loopt een persoon, wat later [naam 1] blijkt te zijn, over [straat 1] ter hoogte van perceel [huisnummer 2] te Amsterdam komende uit de richting [straat 3], in de richting van [straat 4]. Persoon is herkenbaar aan zijn lichtkleurige/grijze broek.

22:57:20

[naam 1] lijkt even te wachten, maar steekt uiteindelijk de rijbaan over naar de overzijde.

22:57:45

Onder uit het beeld verschijnen 3 personen, die ik verder NN1, NN2 en NN3 zal noemen.

Deze personen komen uit de richting van de [straat 3], en lopen rustig in de richting van [straat 4], over [straat 1]. Het lijkt alsof [naam 1] deze personen aanspreekt, en met z'n vieren lopen ze in de richting van [straat 4] over [straat 1].

22:58:06

Net voorbij een aldaar geparkeerd voertuig splitsen de vier (4) personen zich op. [naam 1] en NN1 blijven staan, NN2 en NN3 lopen verder.

22:58:24

[naam 1] loopt weer richting de [straat 3], over [straat 1], langs de rijbaan, op de voet gevolgd door NN1. Als [naam 1] naast de rijbaan loopt, steekt hij zijn rechterhand op. Dit blijkt gericht te zijn op het SO, deze komt uit de richting van de [straat 3], in de richting van [straat 4], op zijn scooter aanrijden over [straat 1].

22:58:37

SO stopt bij [naam 1] en NN1, er volgt een soort gesprek. Zichtbaar is dat [naam 1] na enkele seconden achter het SO langsloopt, welke nog steeds op zijn scooter zit, en aan de andere kant van het SO gaat staan, het gesprek lijkt verder te gaan tussen SO en NN1.

22:59:03

[naam 1] neemt enkele stappen naar achter, en zichtbaar is dat er een schermutseling plaatsvindt óp de scooter, tussen SO en NN1. NN1 lijkt achterop de scooter te klimmen. [naam 1] bemoeit zich af en aan met de schermutseling.

22:59:08

Boven in het beeld is het zichtbaar dat NN2 en NN3, aan komen rennen en NNI helpen bij de schermutseling. Deze vindt nog steeds plaats op de scooter van het SO.

22:59:14

Eén (1) van de daders die aan komt rennen, verder NN2 genoemd, mengt zich aansluitend direct in de ontstane vechtpartij. Ik zag dat NN2 in gevecht raakt met het SO, en uiteindelijk de helm afhandig maakt bij SO. NN2 blijft de helm vasthouden in zijn linkerhand.

22:59:17

NN3 loopt met de scooter in aan zijn hand in de richting van de [straat 3], over [straat 1]. Na een paar meter legt NN3 de scooter op de rechter zijkant op de rijbaan, om direct terug te keren naar de vechtpartij/mishandeling van het SO.

22:59:29

[naam 1] wordt door NN3 uit de vechtpartij geduwd en naar de overkant van de rijbaan gedwongen. Hier wordt hij op de grond gegooid, waarna NN3 zich ook weer meldt bij de mishandeling van het SO.

22:59:55

Het SO blijkt zich te hebben losgerukt uit de vechtpartij, en komt uit de hoek rennen. NNI, NN2 en NN3 komen achter hem aan, maar staken de achtervolging al snel. NNI, NN2 en NN3 lijken zich om de scooter te bekommeren.

23:00:14

Twee van de daders dragen wat goederen bij zich, ik neem aan dat dit de goederen van het SO zijn. Dader drie (3) tracht de scooter te starten.

23:00:30

Terwijl NN1 en NN3 bezig zijn met het starten van de scooter, is NN2 druk met het oprapen van (kleine) voorwerpen van de rijbaan.

23:00:47

NN3 loopt, mogelijk met de jas van het SO, samen met NN2 richting de [straat 3], NN1 lijkt toch de scooter gestart te krijgen.

23:00:51

Scooter blijkt gestart, en NN1 rijdt erop weg, in de richting van de [straat 3].

NN2 en NN3 lopen over [straat 1], in de richting van de [straat 3], het beeld uit.

[bedrijf 1] CAM 13

22:57:44

Zichtbaar is dat [naam 1] een drietal personen aanspreekt, welke aan komen lopen op [straat 1], ter hoogte van perceel [huisnummer 2] te Amsterdam.

22:57:59

Mede door de schaduwen, is zichtbaar dat [naam 1], NNI, NN2 en NN3 rechts het beeld uitlopen.

22:58:29

Van boven uit het beeld komt het SO op zijn scooter aanrijden. Hij rijdt over [straat 1]. Komende uit de richting van de [straat 3], gaande in de richting van de [straat 4].

Zichtbaar is dat het SO afremt, maar buiten beeld stopt het SO daadwerkelijk.

22:59:20

In een soort van mistige waas is zichtbaar dat NN3 met de scooter aan de hand het beeld in loopt, en deze scooter op de rechter zijkant op de rijbaan legt. Hierop loopt NN3 richting [straat 4], alwaar met veel moeite, door de mistige waas, een schermutseling is waar te nemen.

22:59:35

Het SO komt in beeld, met zijn armen omhoog, en handen voor zijn hoofd, als zijnde

beschermend/dekkend. Meteen naast hem verschijnt NN1 in beeld welke met zijn rechterhand wilde slaande en hakkende bewegingen richting het hoofd van SO maakt. In de daaropvolgende beeldfragmenten is te zien dat NN1 in zijn rechterhand een mes vasthoud. Het mes houdt deze persoon aan het lemmet vast, met het snijvlak aan de wijsvingerzijde. Ook wel "bovenhands" genoemd. Ik zag dat deze NN1 zeker driemaal (3x) deze hakkende beweging richting het hoofd van het SO maakte.

22:59:48

NN2 Komt in beeld, en lijkt NN1 (met het mes) te willen kalmeren. Ik zag namelijk dat hij probeerde de rechterarm van NN1 vast te grijpen. Ik zag dat NN2 in zijn rechterhand nog steeds de helm van het SO vasthield.

23:00:00

Het SO weet te ontsnappen, en NNI, NN2, NN3 en [naam 1] lopen richting [straat 3], uit de hoek vandaan.

23:00:05

NN1, NN2, en NN3 lopen over de rijbaan weer richting [straat 4], [naam 1] loopt de andere kant op, richting [straat 3], en slaat dan rechtsaf.

23:00:10

[naam 1] lijkt terug te komen om de hoek, kijkt even, maar gaat er toch weer vandoor.

Beelden [bedrijf 2] Camera Buiten Rechts

23:45:55

NN2 en NN3 verschijnen rechts boven in beeld. NN2 loopt voorop, gevolgd door NN3.

NN2 heeft een lichtkleurige joggingbroek aan, en draagt een zwart/donkerblauw petje. Maakt een relaxte indruk. NN3 is geheel in het zwart gekleed, draagt een capuchon en maakt een nerveusere indruk. Loopt heen en weer. NN2 en NN3 nemen positie in achter een Mercedes Sprinter van [bedrijf 2].

23:46:37

NN3 kijkt onder de voorbumper langs, om te kijken of het SO reeds in aantocht is.

7. Eigen waarneming van de rechtbank van de bekeken camerabeelden ter terechtzitting van 22 januari 2026.

Op de beelden [alias bedrijf] (WA0000, CAM 15), zijnde de hiervoor onder 6. genoemde camerabeelden van [bedrijf 1] CAM 15, ziet de rechtbank dat degene die achteraan loopt en met [naam 1] naar rechts uit het beeld loopt, een broek draagt met een streep aan de zijkant van de broek. De andere twee jongens verstoppen zich dan achter de bestelwagen. Op de beelden van [bedrijf 2] 963452506 (7), zijnde de hiervoor onder 6. genoemde camerabeelden van [bedrijf 2] Camera Buiten Rechts,

ziet de rechtbank dat het beeld overloopt en [naam 1] en de jongen met de streep op zijn broek in beeld komen lopen, waarna zij vervolgens weer richting de straatkant lopen. Op de beelden [alias bedrijf] (WA0000, CAM 15) is vervolgens te zien dat ze [slachtoffer] ontmoeten. [naam 1] loopt dan een aantal stappen naar achteren en de jongen met de broek met de streep springt dan achterop de scooter. Op beelden van [alias bedrijf] (WA0002, CAM 13) ), zijnde de hiervoor onder 6. genoemde camerabeelden van [bedrijf 1] CAM 13, is te zien dat de jongen die slaande en hakkende bewegingen met het mes richting het hoofd van [slachtoffer] maakt, een broek met dezelfde streep aan de zijkant draagt. De rechtbank neemt waar dat NN2 en NN3 geen streep aan de zijkant van hun broek hebben.

8. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 21643837-67 van 11 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 7], doorgenummerde pag. 1-16.

Vaststellen gebruiker iPhone 11

De iPhone 11 is in gebruik geweest bij [verdachte] gezien de bevindingen in het onderzoek. Uit onderzoek in de data van de telefoon is tot heden niet gebleken dat een ander persoon dan [verdachte] gebruik heeft gemaakt van deze telefoon.

Gezien deze feiten en omstandigheden is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de gestolen

scooterhelm van het slachtoffer van [slachtoffer] te koop aanbood aan “ [naam 4] ” voor 200 euro.

Foto’s scooter

In de opgeslagen foto's van de telefoon zag ik, verbalisant, meerdere foto's van een scooter die qua uiterlijk signalement sterk overeenkwamen met de gestolen scooter van het slachtoffer van [slachtoffer], zoals omschreven in zijn aangifte met proces-verbaalnummer PL1300-2022132550-4. De overeenkomsten waren als volgt:

  • Het merk Piaggo;
  • Donkergrijs van kleur;
  • Roze remhendels.

Foto’s scooter

In de opgeslagen foto's van de telefoon zag ik, verbalisant, meerdere foto's van een scooter die qua uiterlijk signalement sterk overeenkwamen met de gestolen scooter van het slachtoffer van [slachtoffer], zoals omschreven in zijn aangifte met proces-verbaalnummer PL1300-2022132550-4. De overeenkomsten waren als volgt:

Het merk Piaggio;

Donkergrijs van kleur;

Roze remhendels.

In de bovenstaande video viel het mij, verbalisant, op dat de scooter geen kenteken heeft.

Het is tevens zeer aannemelijk dat [verdachte] in de bovenstaande video's de bestuurder van de scooter is, wegens de opvallende joggingbroek van de bestuurder. De joggingbroek heeft namelijk lichtgroene en witgekleurde strepen aan de zijkant van de broekspijpen. In de opgeslagen foto’s zag ik, verbalisant, meerdere foto’s van [verdachte] waarin hij dezelfde joggingbroek aanheeft als de bestuurder van de scooter:

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in 4.4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

op 26 juni 2022 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een jas (merk Stone Island) en een tas (merk Prada) en een helm en een scooter (Piaggio model zip; kenteken [kenteken] ), die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te vergemakkelijken, door onverhoeds achterop de scooter van [slachtoffer] te springen en vervolgens de nek van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en vast te houden en deze dicht te knijpen en vervolgens voornoemde [slachtoffer] van voornoemde scooter te trekken en vervolgens met kracht meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te slaan;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

hij op 26 juni 2022 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met kracht meermalen een mes op het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te slaan en met een mes tegen de buik van voornoemde [slachtoffer] te steken en te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging doodslag werd gevolgd en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging van een jas (merk Stone Island) en een tas (merk Prada) en een helm en een scooter (Piaggio, model zip; kenteken [kenteken] ), en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 14 maanden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte te berechten volgens het jeugdstrafrecht en de latere veroordelingen niet mee te laten wegen bij het bepalen van de huidige straf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het rapport van Reclassering Nederland van 11 april 2025, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een straatroof. [slachtoffer] is door een medeverdachte naar een afgelegen plek gelokt. Daar is hij door drie daders gewelddadig van zijn spullen beroofd. Verdachte heeft bij deze beroving excessief geweld toegepast. Hij heeft gezwaaid, gesneden en gestoken met een mes, terwijl hij [slachtoffer] in een hoek had gedreven waar hij niet makkelijk weg kon. [slachtoffer] is door verdachtes toedoen fiks gewond geraakt. Hiermee heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging gekwalificeerde doodslag. De daders zijn zeer planmatig te werk gegaan en zij hebben alleen gedacht aan hun eigen financiële gewin. Er is ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft grote angst gehad. Hoe groot de impact van de straatroof is geweest blijkt ook uit de voorgelezen slachtofferverklaring. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Feiten als deze veroorzaken ook in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid.

De rechtbank weegt het gebruik van een mes, de ernst van het geweld en het letsel, het georganiseerde karakter en het grote aandeel van verdachte als strafverzwarend mee.

Persoon van de verdachte

Uit de documentatie op naam van verdachte blijkt dat hij vóór het plegen van dit feit niet strafrechtelijk is veroordeeld. Nadien is verdachte meerdere malen voor diverse feiten veroordeeld. De rechtbank merkt hem daarom voor deze feiten aan als first offender en acht artikel 63 Sr van toepassing.

De Reclassering adviseert bij een bewezenverklaring een straf zonder voorwaarden op te leggen. Binnen het kader van een voorwaardelijk stafdeel ziet de Reclassering onvoldoende interventiemogelijkheden om aan de huidige risicofactoren en een gedragsverandering te werken.

Conclusie

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, strafverzwarende omstandigheden en gelet op straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd acht de rechtbank een jeugddetentie passend en geboden. De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte destijds first offender was en slaat zij acht op de moeilijke jeugd van verdachte met verwaarlozing en geweld, waarbij niet eerder passende hulpverlening is ingezet. Ook vindt de rechtbank het positief dat verdachte ter zitting heeft aangegeven te begrijpen dat [slachtoffer] recht heeft op een schadevergoeding na wat hij [slachtoffer] heeft aangedaan en zich daarom niet te verzetten tegen de vordering van [slachtoffer]. Na een weging van alle voornoemde factoren komt de rechtbank uit op de een jeugddetentie van 12 maanden.

9 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] verzoekt schadevergoeding van € 3.705,94 aan materiële schade en €10.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft de vordering niet betwist, nu de benadeelde partij de schadepost ten aanzien van de studievertraging heeft ingetrokken.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de vordering ten aanzien van de materiële schade voor toewijzing vatbaar is en wijst die post zoals gevorderd toe.

Immateriële schade

Vaststaat ook dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Uit de aard van het feit en hetgeen onderbouwd is gesteld volgt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft ondervonden door de bewezenverklaarde feiten. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en daarom zal zij de vordering tot immateriële schadevergoeding geheel toewijzen tot een bedrag van € 10.000.

De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 3.705.94 en de vordering tot immateriële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 10.000 toewijzen, en bepaalt dat beide bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 26 juni 2022.

De verdachte wordt veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [slachtoffer] wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77gg, 288 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde golden, dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vijf is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

meerdaadse samenloop van de onder 1 tenlastegelegde

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en de onder 2 tenlastegelegde

poging tot doodslag, gevolgd, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beslissing ten aanzien van vordering benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 13.705,94 (zegge: dertienduizend zevenhonderdvijf euro en vierennegentig cent), bestaande uit € 3.705,94 (zegge: drieduizend zevenhonderdvijf euro en vierennegentig cent) aan materiële schade en € 10.000,- (zegge: tienduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 26 juni 2022, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer]

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 13.705,94 (zegge: dertienduizend zevenhonderdvijf euro en vierennegentig cent), bestaande uit € 3.705,94 (zegge: drieduizend zevenhonderdvijf euro en vierennegentig cent) aan materiële schade en € 10.000 (zegge: tienduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 26 juni 2022, tot aan de dag van de algehele voldoening. Behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.S. Crince Le Roy, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. K. Oldekamp-Bakker en A. van Luijck, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[...]

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.