Uitspraak · Europees strafrecht
Rechtbank Amsterdam, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10171Zaaknummer 13.192467-26
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13.192467-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Europees strafrecht
- Procedure
- Tussenuitspraak
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Roemeens overleveringsverzoek t.b.v. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Tussenuitspraak. Detentieomstandigheden. Meegedeeld is dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in een gesloten regime zal worden geplaatst en de rechtbank begrijpt uit de aanvullende informatie dat dit ‘mogelijk’ in Iaşi Penitentiary zal zijn. De rechtbank wil weten in welke penitentiaire inrichting de opgeëiste persoon ‘naar alle waarschijnlijkheid’ zal worden geplaatst aansluitend op zijn verblijf in Bucharest-Rahova Penitentiary. Voor het geval het antwoord luidt dat de opgeëiste persoon in Iaşi Penitentiary wordt geplaatst, ooordeelt de rechtbank dat - gelet op het meest recente CPT-rapport - het reeds aangenomen algemene gevaar niet wordt itgebreid t.a.v. Iaşi Penitentiary. Het rapport schetst weliswaar een zorgwekkend beeld, met name als het gaat om (de toename van) het geweld tussen gedetineerden en intimidatie, maar dit vindt voornamelijk plaats tussen jongvolwassenen die preventief gehecht zijn en gedetineerden die in de maximum security section zijn gedetineerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de informatie in het CPT-rapport niet toereikend om aan te nemen dat gedetineerden die in Iaşi Penitentiary een straf uitzitten in het algemeen aan inter-prisoner violence en intimidatie zullen worden blootgesteld en daarom aan een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest, zullen worden onderworpen. Evenmin kan worden vastgesteld dat een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in Iaşi Penitentiary vanwege hun seksuele geaardheid. Wat betreft de overige factoren is de rechtbank van oordeel dat deze, hoe zorgelijk ook, apart noch tezamen tot het oordeel leiden dat thans sprake is dat het reeds vastgestelde reële gevaar ten aanzien van Iaşi Penitentiary moet worden uitgebreid.
7 Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om het IRC in de gelegenheid te stellen de onder 6.4.1 geformuleerde vraag te stellen aan de Roemeense autoriteiten en bepaalt, gelet op de verlengde beslistermijn die afloopt op 2 november 2026, dat de zaak opnieuw wordt ingepland uiterlijk op 28 oktober 2026;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Roemeense taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.192467-26
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 21 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[_890e5518-b27d-4ece-a8dd-564b96307067]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2026 door de rechtbank Botoşani in Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
Zitting 9 september 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 9 september 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn advocaat zijn niet verschenen, omdat op voorhand is meegedeeld dat het onderzoek ter zitting zou worden aangehouden, omdat er geen tolk in de Roemeense taal voorhanden was die de opgeëiste persoon ter zitting kon bijstaan.
Zitting 30 september 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.[_9a33010f-5479-4d24-9697-862a1461c93c]
Ook heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft ten slotte, alvorens het onderzoek ter zitting te sluiten, de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering nogmaals met 30 dagen verlengd.[_238fa5c3-fe17-429c-b333-a695e935074f]
Bij separate beslissing van 30 september 2026 heeft de rechtbank ingevolge artikel 27, derde lid, OLW de vrijheidsbeneming met dezelfde termijn verlengd.[_eb3ad098-b978-453c-b819-43fbe06cf756]
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een vonnis van the Botosani Tribunal van 20 mei 2026, met kenmerk nr. 93 en dossiernummer 884/40/2025. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 9 juni 2026.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaren. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf nog in zijn geheel ondergaan in Roemenië.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.[_687216a3-a802-4ec5-b232-a1b043348593]
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
Ten behoeve van de opgeëiste persoon had een verzetgarantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW moeten worden verstrekt. De opgeëiste persoon heeft immers verklaard dat hij op twee van de drie zittingen aanwezig was, maar dat op die twee zittingen zijn strafzaak niet inhoudelijk is behandeld. Dit zal het geval zijn geweest op de derde en laatste zitting, maar toen was de opgeëiste persoon niet aanwezig en is ook direct uitspraak gedaan. Dat betekent dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid en er geen verzetgarantie is verstrekt. Subsidiair wordt om aanhouding van het onderzoek ter zitting verzocht voor het opvragen van een dergelijke garantie.
Standpunt van de officier van justitie
In het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon bij de zitting aanwezig is geweest die tot het vonnis heeft geleid en de opgeëiste persoon heeft dit ook ter zitting nogmaals bevestigd. Hij stelt alleen niet bij de zitting aanwezig te zijn geweest waar uitspraak werd gedaan. Daaruit kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon bij de zitting die leidde tot het vonnis aanwezig is geweest. Artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
Het EAB vermeldt in rubriek (d) dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Hetgeen de opgeëiste persoon heeft aangevoerd, biedt onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze mededeling. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank dan ook uit van de informatie in het EAB. Artikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
5 Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft twee van de drie strafbare feiten aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
informaticacriminaliteit.
Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Roemenië een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het derde strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.[_5cedeeba-9d07-4149-95c2-0a85818f5c09]
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal.
6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege overbevolking in de gevangenissen, een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).[_3663ffb1-f5ac-4ccf-b293-0bc737aff071]
In zo een geval rust op de rechtbank de verplichting om te beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon dit gevaar zal lopen vanwege de te verwachten omstandigheden van zijn detentie in de uitvaardigende lidstaat.[_0ffcfa26-e9a9-4db2-a914-0e9776f4f17b] In dat verband is de rechtbank verplicht uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis.[_79dbab22-bb2a-4417-a5a2-4b62065bd83e]
Op 5 augustus 2026 heeft de Chief Commissioner of Prison Police, Director General of the National Administration of Penitentiaries, na daartoe strekkende vragen van het Internationaal rechtshulpcentrum (IRC), het volgende meegedeeld:
"(...) Should the individual deprived of liberty be surrendered to the Romanian authorities at the Bucharest-Henri Coandă Airport, he will initially be placed at the Bucharest-Rahova Penitentiary for the purpose of undergoing the quarantine period, for a period of 21 days, in a room which will ensure a minimum individual space of 3 square metres. (...) Considering the length of the sentence, most likely the person will initially serve the custodial sentence under the closed regime. Moreover, considering the individual's domicile, it is possible that he will initially serve his sentence at the Iaşi Penitentiary. (...)
[opgeëiste persoon] will be provided with a minimum individual space of 3 square meters throughout the entire execution of the sentence, except when assigned to the open regime, during which he will be provided with 4 square meters, including the bed and related furniture, without including the space allocated for the sanitary group. The number of detainees is established in relation to the surface area of the room. Each detainee is provided with an individual bed equipped with the necessary bedding. (...)"
Standpunt van de verdediging
De opgeëiste persoon heeft ter zitting aangevoerd dat hij schulden bij woekeraars heeft en dat hij vreest dat zij er snel achter komen waar hij gedetineerd is. Verder heeft hij voorafgaand aan de zitting een brief aan de rechtbank gezonden waarin hij stelt dat hij vanwege zijn biseksualiteit gevaar loopt in Roemeense penitentiaire inrichtingen.
Zijn advocaat heeft betoogd dat uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in Iaşi Penitentiary en Botoşani Penitentiary wordt geplaatst. De antwoorden van de Roemeense autoriteiten zijn uitgebreid, maar in samenhang gelezen met het meest recente rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) blijkt dat de opgeëiste persoon nog steeds het gevaar loopt dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling wordt blootgesteld als hij in Roemenië gedetineerd raakt. In Iaşi Penitentiary en Botoşani Penitentiary is nog steeds sprake van overbevolking. Verder is sprake van inter-prisoner violence in Iaşi Penitentiary. In Litouwse zaken wordt bijvoorbeeld om een garantie gevraagd dat een opgeëiste persoon niet aan dergelijk geweld zal worden blootgesteld en dat zou in deze zaak ook moeten gebeuren.
Er wordt door de Roemeense justitiële autoriteiten hard gewerkt aan het terugdringen van overbevolking, maar er is nog steeds sprake van overbevolking. In de context van de brief die de opgeëiste persoon de rechtbank heeft doen toekomen, gelet op de door hem ter zitting geschetste achtergrond en zijn biseksualiteit waarover in het CPT-rapport ook in algemene termen wordt gesproken, bestaat het risico dat de opgeëiste persoon aan een onmenselijke of vernederende behandeling wordt blootgesteld in Roemeense penitentiaire inrichtingen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft betoogd dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Gelet op het meest recente rapport van het CPT bestaat het algemene gevaar dat ten aanzien van Roemeense penitentiaire inrichtingen is aangenomen nog steeds. Daarom is een individuele garantie verstrekt die specifiek op de opgeëiste persoon is gericht. Daarin wordt gegarandeerd dat hij voldoende leefruimte heeft, over een bed beschikt en voldoende tijd buiten de cel kan doorbrengen. Gelet daarop volstaat de garantie en is het algemene gevaar weggenomen voor de opgeëiste persoon. Wat betreft het geweld tussen gedetineerden in Iaşi Penitentiary, dat is een probleem onder jongvolwassenen. Bovendien neemt de verstrekte garantie ook dat gevaar weg.
Oordeel van de rechtbank
In welke penitentiaire inrichting zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid worden geplaatst na overlevering?
Uit de antwoorden van de Roemeense autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon een periode van maximaal drie weken zal doorbrengen in Bucharest-Rahova Penitentiary. Daarna zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in een gesloten regime worden geplaatst en de rechtbank begrijpt uit de aanvullende informatie dat dit ‘mogelijk’ in Iaşi Penitentiary zal zijn, gelet op zijn woon- en verblijfplaats in Roemenië. Ten aanzien van Botoşani Penitentiary is meegedeeld: “In the event that the detainee is subsequently placed under the semi-open regime, it is most likely that he would be transferred to the Botoşani Penitentiary to serve his sentence.”.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de aanvullende informatie alleen worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon aansluitend op zijn verblijf in Bucharest-Rahova Penitentiary ‘naar alle waarschijnlijkheid’ in een gesloten regime zal worden geplaatst. Klaarblijkelijk is in Iaşi Penitentiary sprake van (afdelingen met) een dergelijk regime en daarom wordt de opgeëiste persoon ‘mogelijk’ in die penitentiaire inrichting geplaatst, gelet op de passage “it is possible that he will initially serve his sentence at the Iaşi Penitentiary”. maar daaruit kan niet vastgesteld dat hij daar ook ‘naar alle waarschijnlijkheid’ wordt geplaatst.
De rechtbank sluit niet uit dat er sprake is van een vertaling die niet exact aansluit bij de originele Roemeense tekst, echter is de Roemeense tekst niet meegezonden en bovendien kan de rechtbank een dergelijke misvatting niet vaststellen in de Roemeense taal. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld in welke penitentiaire inrichting(en) de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid wordt geplaatst aansluitend op zijn korte verblijf in Bucharest-Rahova Penitentiary en daarmee kan de rechtbank dus niet beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij na overlevering aan Roemenië aan onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden zal worden onderworpen vanwege de overbevolking in Roemeense penitentiaire inrichtingen, dan wel of dit gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen.
Om die reden zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen en schorsen en wordt de officier van justitie verzocht voorgaande overweging door de rechtbank aan de uitvaardigende justitiële autoriteiten mee te delen, alsmede de volgende vraag te stellen:
“In welke penitentiaire inrichting zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid worden geplaatst aansluitend op zijn verblijf in Bucharest-Rahova Penitentiary?”
Ten aanzien van de stelling van de raadsman dat de opgeëiste persoon ook in Botoşani Penitentiary zal worden geplaatst is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de woorden “in the event that”, niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in Botoşani Penitentiary zal worden geplaatst. De opgeëiste persoon wordt immers alleen in die penitentiaire inrichting geplaatst als hij in het kader van detentiefasering in een semi-open regime zal worden geplaatst en dat is klaarblijkelijk nog geen uitgemaakte zaak, daarom hoeft de rechtbank deze detentie-instelling niet te onderzoeken.
Nieuw rapport van het CPT
Voor het geval het antwoord op voormelde vraag luidt dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in Iaşi Penitentiary zal worden geplaatst, overweegt de rechtbank het volgende.
Op 3 september 2026 is een nieuw rapport van het CPT uitgebracht betreffende een bezoek van 28 april tot 9 mei 2025 aan Roemenië waarbij onder meer Iaşi Penitentiary is bezocht. In dat rapport is over Iaşi Penitentiary onder andere het volgende opgenomen met betrekking tot de volgende onderwerpen:
Interpersoonlijk geweld tussen gedetineerden
(…)
At Iaşi Prison, inter-prisoner violence appeared significantly more prevalent notably amongst young adults in pre-trial detention and persons in the maximum-security unit, with serious incidents including sexual violence. While the response to isolated acts was adequate, the detection and the prevention require the development of a coherent strategy to combat inter-prisoner violence and intimidation in this prison.
(…)
102. At Iaşi Prison, inter-prisoner violence appeared to be significantly more prevalent. The delegation heard a few accounts of newly arrived young adults placed in pre-trial detention being subjected to physical violence (kicks, punches and blows with objects) and forced to clean the sanitary facilities by other young adults in their cells. The delegation also received an allegation of sexual assault of a remanded young adult by a cellmate. Further, two adult male prisoners, one of whom had been classified as vulnerable reportedly on account of his sexual orientation, alleged having been subjected to sexual assault and physical violence in various cells to which they had been moved after prior incidents. At the time of the visit, both were accommodated in cells where they stated that they felt safe. Entries in the trauma register showed that incidents of inter-prisoner violence occurred every two to three days and generally involved young adults in pre-trial detention and prisoners placed in the maximum security section. Most of the incidents recorded involved punching, beatings and slapping. A recent incident recorded involved blows with an iron rod and another involved attempted strangulation, whereas in a third case, the victim of a beating had been hospitalised with a hemopneumothorax. Two allegations of sexual violence were also recorded.
103. The response to isolated acts of inter-prisoner violence from both staff and the prison management was prompt and appropriate, in terms of separating prisoners, ensuring their presentation for medical examinations, reporting cases to the PPO and conducting disciplinary proceedings. However, the delegation heard that staff were not always aware of such incidents, in particular amongst young adult pre-trial prisoners; the detection of instances of inter-prisoner violence and intimidation needs to be improved. The delegation further found that more could be done at establishment level in relation to the prevention of inter-prisoner violence, including the response to repeated incidents involving the same individuals, which at the time of the visit appeared limited to relocating the victims to another cell. This is particularly significant to the situation of prisoners classified as vulnerable, as the prison’s policy was to avoid their segregation and instead have the front-line custodial, healthcare and social reintegration staff engage with them and monitor them more closely.
104. The CPT recommends that the Romanian authorities, together with the management of Iaşi Prison, devise a coherent strategy to combat inter-prisoner violence and intimidation in this prison. Such a strategy should include implementing an individualised risk and needs assessment of prisoners, as well as the classification and allocation of individual prisoners with a view to ensuring that they are not exposed to other inmates who may cause them harm. Ongoing monitoring of prisoner behaviour (including the situation in the cells, for example, where justified by the risk assessment, through more frequent, random visits by staff), as well as training of staff to take proactive measures to identify suspicions of any risk of inter- prisoner violence and report it to management, should also form part of such a strategy. This will require sufficient staffing levels and the presence of staff in direct contact with prisoners to enable prison officers to adequately supervise prisoners and support each other effectively in the exercise of their tasks (see also paragraph 148).
Overbevolking
(…)
80. In the four prisons visited, overcrowding remained an issue and significantly undermined the clear efforts noted on the part of the prisons’ administration to provide adequate living conditions to the prisoners. For a number of persons held in each of these establishments, the cumulative effect of being accommodated in overcrowded cells with poor material conditions, combined with a regime offering extremely limited time out-of-cell (see below) could amount to inhuman or degrading treatment.
90. Iaşi Prison, located close to the Iaşi city centre in north-east Romania, was accommodating 573 adult male prisoners at the time of the visit. The sentenced population included 57 men under the maximum-security regime and 87 under the closed regime. There were also 223 prisoners in pre-trial detention, including 20 young adults, and 16 prisoners in admission. 23 other persons were held in the prison’s infirmary. These prisoners were held in a three-storey accommodation block (Block B) within an inner secure perimeter.
91.(..) The operational capacity of the prison reported by the management to the delegation at the start of the visit was 410 places, meaning that the prison was operating at almost 40% above its capacity.
Hieruit blijkt dat in Iaşi Penitentiary onder andere sprake is van overbevolking en enkele meldingen van seksueel geweld waarvan twee meldingen zijn gedaan door gedetineerden die als kwetsbaar werden gezien vanwege hun seksuele geaardheid. Ook blijkt dat onderling geweld en intimidatie tussen gedetineerden aanzienlijk vaker voorkomt.
De rechtbank is van oordeel dat het rapport een zorgwekkend beeld schetst, met name als het gaat om (de toename van) het geweld tussen gedetineerden en intimidatie. Dit vindt echter voornamelijk plaats tussen jongvolwassenen die preventief gehecht zijn en gedetineerden die in de maximum security section zijn gedetineerd. Voor de overige gevallen wordt in het CPT-rapport gesteld dat de reactie op de incidentele gevallen van interpersoonlijk geweld tussen gedetineerden snel en passend was. Naar het oordeel van de rechtbank is de informatie in het CPT-rapport niet toereikend om aan te nemen dat gedetineerden die in Iaşi Penitentiary een straf uitzitten in het algemeen aan inter-prisoner violence en intimidatie zullen worden blootgesteld en daarom aan een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest, zullen worden onderworpen.
Evenmin kan worden vastgesteld dat een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in Iaşi Penitentiary vanwege hun seksuele geaardheid. In het CPT-rapport worden in dit verband twee incidenten genoemd. Tegelijkertijd blijkt uit het CPT-rapport dat de bij deze incidenten betrokken gedetineerden daarna zijn ondergebracht in accommodaties waar ze zich naar eigen zeggen veilig voelden. Op grond van het CPT-rapport kan de rechtbank dan ook niet concluderen dat gedetineerden in Iaşi Penitentiary in het algemeen aan een onmenselijke of vernederende behandeling worden onderworpen vanwege hun seksuele geaardheid.
Wat betreft de overige factoren is de rechtbank van oordeel dat deze, hoe zorgelijk ook, apart noch tezamen tot het oordeel leiden dat thans sprake is dat het reeds vastgestelde reële gevaar ten aanzien van Iaşi Penitentiary moet worden uitgebreid.
7 Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om het IRC in de gelegenheid te stellen de onder 6.4.1 geformuleerde vraag te stellen aan de Roemeense autoriteiten en bepaalt, gelet op de verlengde beslistermijn die afloopt op 2 november 2026, dat de zaak opnieuw wordt ingepland uiterlijk op 28 oktober 2026;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Roemeense taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
- Zie artikel 23 Overleveringswet.
- Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
- Zie artikel 22, vijfde lid, OLW.
- Zie artikel 27, derde lid, OLW
- Zie onderdeel e) van het EAB.
- Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.
- O.a rb. Amsterdam 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rb. Amsterdam 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.
- HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 92.
- HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 (Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije)), punt 117.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 27 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 12 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 11 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 29 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 23 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 22 OLW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 7 OLW meer uitspraken over dit artikel
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.