Uitspraak · Europees strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 28 juni 2022

ECLI:NL:RBAMS:2022:3719Zaaknummer 13/752321-21

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
4 juli 2022
Zaaknummer
13/752321-21
Rechtsgebied
Strafrecht, Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

EAB Polen; verweren m.b.t. de genoegzaamheid en dubbele strafbaarheid verworpen; overlevering toegestaan

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Radom (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Aldus gedaan door

mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,

mrs. J. van Zijl en W.B. van Bockel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 juni 2022.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
  2. 1 Procesgang
  3. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon
  4. 3 Grondslag en inhoud van het EAB
  5. 4 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
  6. 6 Slotsom
  7. 7 Toepasselijke wetsartikelen
  8. 8 Beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752321-21

RK nummer: 22/105

Datum uitspraak: 28 juni 2022

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 december 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 16 augustus 2021 door the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Radom (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn advocaat, mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een decision on temporary arrest of the Regional Court in Radom of 13 December 2019 (II K 81/18).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

3.1

Genoegzaamheid

De advocaat heeft betoogd dat het EAB niet genoegzaam is, omdat de feitsomschrijving te summier is met betrekking tot de rol van de opgeëiste persoon.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitsomschrijving voldoende duidelijk is.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak geldt het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving in het EAB - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van strafrechtelijk onderzoek - duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, namelijk betrokkenheid bij wederrechtelijke vrijheidsberoving. Met betrekking tot de rol van de opgeëiste persoon leest de rechtbank het EAB in samenhang met Form A, waarin staat dat de opgeëiste persoon de rol van perpetrator heeft. De rol van de opgeëiste persoon is daardoor ook voldoende duidelijk. Het verweer van de advocaat wordt verworpen.

4 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De advocaat heeft aangevoerd dat het feit niet dubbel strafbaar is, omdat de opgeëiste persoon volgens het EAB alleen zou hebben geholpen bij het plegen van het feit. Dat is niet strafbaar naar Nederlands recht. Hij wist niet en kon niet weten dat het slachtoffer zijn vrijheid zou worden afgenomen en dat blijkt ook niet uit de feitsomschrijving. De overlevering moet daarom worden geweigerd.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan, mede gelet op de omstandigheid dat de rol van de opgeëiste persoon is omschreven als perpetrator, hetgeen veronderstelt dat de Poolse autoriteiten hem ervan verdenken willens en wetens betrokken te zijn geweest bij de vrijheidsberoving.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

medeplichtigheid aan opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden.

5. Artikel 11 OLW; Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.[_cdab0aa2-3539-44e4-a6fb-2c2dc3157551]

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.[_c69fb8ef-76be-4c1e-b135-8e0e2c32eb1e]

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 48 en 282 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Radom (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Aldus gedaan door

mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,

mrs. J. van Zijl en W.B. van Bockel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 juni 2022.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.