Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Amsterdam, 10 september 2020

ECLI:NL:RBAMS:2020:4439Zaaknummer C/13/689003 / KG ZA 20-769

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10 september 2020
Publicatiedatum
14 augustus 2026
Zaaknummer
C/13/689003 / KG ZA 20-769
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

wedertoelating kind met Down tot reguliere basisschool hangende bezwaar - na oordeel GPO - tegen vewijderingsbesluit. artt 40 e.v., 63 WPO.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om [minderjarige] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis weer toe te laten tot de lessen en alle andere onderwijsactiviteiten van de [gedaagde] -school te Amsterdam totdat – na het advies van het GPO – is beslist op het bezwaar van [eiser 1] en [eiser 2] tegen het verwijderingsbesluit,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot op heden begroot op € 1.394,61,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2020.

type: MAH

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/689003 / KG ZA 20-769 CdK/MAH

Vonnis in kort geding van 10 september 2020

in de zaak van

1 [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers bij dagvaarding op verkorte termijn van 27 augustus 2020,

advocaat mr. I.P.M. Boelens te Zeist,

tegen

de vereniging

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. S.G. van der Galiën te Mijdrecht.

Partijen zullen hierna [eiser 1] en [eiser 2] (of: de ouders) en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Op de zitting van 2 september 2020 waren aanwezig:

- [eiser 1] en [eiser 2] met mr. Boelens,

- aan de zijde van [gedaagde]: [naam 1] en [naam 2] (beiden directeur-bestuurder) en [naam 3] (zorgcoördinator) met mr. Van der Galiën.

1.2.

Ter zitting is namens [eiser 1] en [eiser 2] de dagvaarding toegelicht. Namens [gedaagde] is, mede aan de hand van een tevoren ingediende conclusie van antwoord, verweer gevoerd en geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en [eiser 1] en [eiser 2] ook een pleitnota.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn de ouders van [minderjarige], geboren

op [geboortedatum] 2014. [minderjarige] heeft het syndroom van Down. Zij heeft een ontwikkelingsachterstand en praat niet. [minderjarige] heeft een oudere broer die sinds 2016 naar de [gedaagde] -school in [plaats] (de school) gaat. Het gezin woont aan het [adres 1], de school staat aan het [adres 2].

2.2.

[gedaagde] is het bevoegd gezag van de school. De school heeft een reguliere afdeling en een Montessori-afdeling.

2.3.

Nadat de ouders eind 2017 met [gedaagde] in gesprek waren gegaan over een mogelijke plaatsing van [minderjarige] op school en (onder meer) [naam 3] de voorschool van [minderjarige] had bezocht, heeft [naam 3] bij e-mail van 1 februari 2018 aan [eiser 1] en [eiser 2] geschreven:

“We hebben besloten, eigenlijk zoals al aangegeven, om [minderjarige] een plaats te geven op de [gedaagde].

(…)Voor de volledigheid wil ik aangeven dat we er van uit gaan dat [minderjarige] op de [gedaagde] in ieder geval groep 1 en 2 kan doorlopen; we zullen dit sowieso 2x per jaar evalueren in een gezamenlijk overleg, dan kijken we wat er nodig is voor zowel [minderjarige] als de leerkrachten. Voor aanvang van groep 3, maar dat is nog een heel eind weg, kijken we hoe we verder gaan en of de [gedaagde] echt een passende plaats is voor [minderjarige], wat we haar natuurlijk van harte gunnen, maar het moet wel haalbaar zijn voor alle partijen.

(…)”

2.4.

[minderjarige] is sinds 1 november 2018 ingeschreven als leerling van de school. Zij ging sindsdien twee en later drie ochtenden per week naar de Montessori-afdeling van de school. Er was naast de leerkracht permanent een externe begeleider voor [minderjarige] in de klas.

2.5.

Naar aanleiding van zorgen bij [gedaagde] over de haalbaarheid voor [minderjarige] om het onderwijs op hun school te volgen, is in overleg met de ouders en het Samenwerkingsverband Amsterdam-Diemen onder meer [naam 4], specialist in het begeleiden van kinderen met Downsyndroom, ingeschakeld. Zij heeft [minderjarige] op 12 december 2019 op school en op 15 januari 2020 in haar praktijk geobserveerd. In het verslag daarvan staat onder meer:

“Anamnese:

[minderjarige] is 5,3 jaar op het moment dat de observaties plaatsvinden. Zij bezoekt sinds 1 november 2018 de school voor twee dagdelen van half 9 tot half 12. Daarnaast bezoekt zij nog het Zorg onderwijs groep Cordaan twee dagen van 9-14uur.

School krijgt ondersteuning in de begeleiding vanuit Cordaan te Amsterdam. Middels 1 op 1

begeleiding op alle uren dat [minderjarige] op school is en ondersteuning bij het opstellen van de

onderwijs doelen.

Bij de start is er geen kennis over het leren van kinderen met Downsyndroom binnen de school. De leerkracht heeft ook nu nog geen kennis over de gevolgen van het Downsyndroom voor het onderwijs.

Het onderwijs rust dus volledig op de kennis van de begeleidsters van Cordaan.

De school ervaart op dit moment nog geen basis voor onderwijs bij [minderjarige], maar ervaren datgene dat zij bieden als het aanbrengen van basale vaardigheden die het functioneren in de groep mogelijk maken. In zowel zelfstandig functioneren als in contact met groepsgenoten. Hierbij is veiligheid voor zowel [minderjarige] als haar groepsgenoten een voorwaarde.

(…)

Observatie van [minderjarige]:

Spraak- taalontwikkeling:

Er is bij [minderjarige] net als alle kinderen met Downsyndroom sprake van een disharmonisch profiel in de ontwikkeling van haar taal. Zo begrijpt zij veel meer dan zij kan zeggen. In zowel de observatie op school als in de praktijk is regelmatig zichtbaar dat [minderjarige] heel goed begrijpt wat er wordt

gezegd/verwacht.

[minderjarige] lijkt de interne motivatie om zelf gebruik te maken van actieve taal te zijn

verloren. Dit is zeer zorgwekkend.

Zij communiceert nu voornamelijk met oogcontact, gedrag en soms zelfs met gebaren. Dit laatste zag ik iets meer in de praktijk. En binnen de klas voornamelijk middels gedrag.

Bij de observatie in de klas werd duidelijk dat de interpretatie van haar gedrag niet altijd

overeenkomt met datgene dat [minderjarige] duidelijk maakt met het gedrag.

Er is zeer regelmatig sprake van een actie van [minderjarige] waarop wordt gereageerd, waarbij de

aanleiding van de actie niet altijd wordt gezien/erkend.

Dit geeft, naast frustratie bij [minderjarige], een verkeerde impuls in de benadering van [minderjarige]

en de verwachtingen rond de mogelijkheden van haar in het algemeen. Haar gedrag beïnvloeden kan namelijk alleen maar als we de trigger voorkomen, anders blijf je in de respons i.p.v. het aanleren van de vaardigheden die nodig zijn om het gedrag te voorkomen.

Door het niet erkennen van het hogere taalbegrip en de problemen die [minderjarige] ervaart in

het uiten van haar mogelijkheden op alle gebieden, lijkt de aanname te zijn ontstaan dat [minderjarige] verstandelijk op een lager niveau functioneert dan waar mogelijk sprake van is, Ook wordt gezien in beide observatie momenten dat er te weinig verwachting is op het gebied van communicatie van [minderjarige]. Er worden voor haar gebaren gemaakt, er worden verschillende keuze opties geboden waar zij enkel ja of nee op hoeft te zeggen en er haar handelen wordt snel overgenomen / begrenst of

gecorrigeerd als het niet datgene is dat haar omgeving verwacht. Waardoor de ruimte om zelf te ervaren, initiëren en te leren te beperkt is.

(…)”

Het verslag eindigt met een opsomming van concrete aanbevelingen voor het leerklimaat en de leerbehoefte van [minderjarige].

2.6.

Op 4 maart 2020 is dat verslag besproken door de ouders, [naam 4], [naam 5] (Cordaan) en [naam 3] ( [gedaagde] ). In de notulen van dat overleg staat onder meer:

“(…)Alle partijen spreken de intentie uit om, op basis van de huidige gegevens en in de huidige

organisatie door te gaan. Het moet helder zijn wat er voor de zomervakantie 2020 nog te onderzoeken valt, zodat er voor de zomervakantie een klap gegeven kan worden (liefst eerder) of [minderjarige] ook het volgende schooljaar welkom is op de [gedaagde] .(….)

“

2.7.

Op 15 maart 2020 werden alle scholen gesloten in verband met het coronavirus.

2.8.

Op 20 april 2020 heeft [gedaagde] met [eiser 1] en [eiser 2] besproken dat het niet haalbaar is om [minderjarige] passend onderwijs te bieden op school, ook niet in de toekomst; daarbij was er onvoldoende draagvlak binnen het team. Afgesproken is dat [minderjarige] nog tot de zomervakantie (4 juli t/m 16 augustus 2020) voor (inmiddels) 3 ochtenden per week op school zou blijven en dat de ouders intussen naar een andere school op zoek zouden gaan voor na de zomervakantie.

2.9.

Aanvankelijk wilden de ouders [minderjarige] aanmelden voor de instapklas voor kinderen met Down op de reguliere basisschool Parcival in Amstelveen, maar uiteindelijk vonden zij de school te ver weg (11 kilometer van huis) en hebben zij [gedaagde] in juni 2020 laten weten dat zij [minderjarige] niet op de Parcival zouden aanmelden en dat zij graag wilden overleggen over verder gaan op de [gedaagde] -school. Nadat de directeur hen daarop had bericht dan een toelaatbaarheidsverklaring te zullen aanvragen voor speciaal onderwijs bij het samenwerkingsverband, heeft hun advocaat op 28 juli 2020 geantwoord dat er wat hen betreft geen reden is om een toelaatbaarheidsverklaring aan te vragen, dat zij bewust voor een reguliere school hebben gekozen en dat zij na de zomervakantie graag in gesprek gaan met de school om verdere invulling te geven aan de onderwijsbehoefte van [minderjarige] op de [gedaagde].

2.10.

Bij e-mail van 21 augustus 2020 heeft [gedaagde] aan [eiser 1] en [eiser 2] bericht dat [minderjarige] per 24 augustus 2020 van school zal worden verwijderd en uitgeschreven, dat [gedaagde] een toelaatbaarheidsverklaring voor een school voor speciaal onderwijs zal aanvragen en dat [minderjarige] terecht kan op de Parcival school te Amstelveen.

2.11.

Op 1 september 2020 heeft de advocaat van [eiser 1] en [eiser 2] namens hen bij [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen het verwijderingsbesluit en per brief van dezelfde datum de Geschillencommissie Passend Onderwijs (GPO) gevraagd om een oordeel.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen kort gezegd, om [gedaagde] te veroordelen [minderjarige] weer toe te laten tot de [gedaagde] -school te Amsterdam totdat met inachtneming van het oordeel van GPO is beslist op hun bezwaar tegen het besluit tot verwijdering van [minderjarige] van die school, op straffe van dwangsommen en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Zij menen dat het voor [minderjarige] beter is om zo lang mogelijk naar regulier onderwijs te gaan in plaats van naar speciaal onderwijs. Zij vinden dat [gedaagde] niet voldoende haar best voor [minderjarige] heeft gedaan en onvoldoende kennis in huis heeft gehaald over Down, maar zien kansen voor verbetering op de [gedaagde]; zij baseren zich daarbij vooral op de observaties van [naam 4]. De [gedaagde] is bovendien dichtbij huis en wordt ook door de broer van [minderjarige] bezocht. In ieder geval willen zij dat [minderjarige] de kans krijgt om op de haar bekende [gedaagde] school te blijven totdat op het bezwaar is beslist. Dat is ook goed mogelijk; Cordaan staat klaar om weer de begeleiding van [minderjarige] in de klas te verzorgen. En diverse ouders van de school hebben hun steun betuigd. [eiser 1] en [eiser 2] achten de kans groot dat zij gelijk krijgen van de GPO; het zou zonde zijn als [minderjarige] nu de grote stap neemt naar een nieuwe, verre, school terwijl dat dan achteraf niet nodig blijkt te zijn geweest.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Dat komt in de kern op het volgende neer.

[gedaagde] heeft 2,5 jaar haar best gedaan maar is tot de conclusie gekomen dat zij niet in de ondersteuningsbehoefte van [minderjarige] kan voorzien, met andere woorden dat zij handelingsverlegen is. [minderjarige] is beter af op het speciaal onderwijs. Onder de leerkrachten is ook geen draagvlak meer. [gedaagde] wijst ter onderbouwing op de volgende punten:

  • [minderjarige] is afhankelijk van 1-op-1-begeleiding door de externe begeleider; volgens het Schoolondersteuningsprofiel (p. 9) kan [gedaagde] dergelijke leerlingen niet begeleiden;
  • Er is te weinig ontwikkeling zichtbaar, [minderjarige] maakt in feite geen deel uit van de klas en van onderwijs is geen sprake; zie ook het rapport van [naam 4], het Groeidocument en het Onderwijs Arrangement;
  • op 4 maart en 21 april 2020 is met de ouders besproken dat het niet haalbaar was voor [minderjarige] op [gedaagde];
  • de ouders vonden dat jammer, maar accepteerden het en zouden [minderjarige] aanmelden voor de instapklas van de Vrijeschool Parcival te Amstelveen;
  • op het laatste moment voor de zomervakantie hebben zij die aanmelding ingetrokken en wilden ze toch doorgaan op de [gedaagde];
  • [gedaagde] kon tot verwijdering overgaan omdat er een plek op een andere school beschikbaar is, de [naam school] heeft bevestigd dat dat nu nog het geval is; of dat nog het geval is als de bezwaarprocedure over circa 3 maanden is afgerond is zeer de vraag;
  • de instapklas van de [naam school] is ideaal voor [minderjarige], omdat er ook – de door de ouders zo wenselijk gevonden – integratie met kinderen van het regulier onderwijs plaatsvindt;
  • voor de zekerheid heeft [gedaagde] ook nog een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal basisonderwijs aangevraagd binnen het samenwerkingsverband.
3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser 1] en [eiser 2] vragen in feite om schorsende werking toe te kennen aan hun bezwaar tegen het verwijderingsbesluit. Zij menen dat de school meer voor [minderjarige] had moeten en kunnen doen en dat de GPO hen hierin gelijk zal geven. [gedaagde] heeft dat gemotiveerd betwist. [minderjarige] is leerplichtig en staat niet ingeschreven op een andere school. De scholen zijn na de zomervakantie op 17 augustus 2020 weer begonnen. Nu [gedaagde] haar verwijderingsbesluit niet wenst op te schorten in afwachting van het oordeel van de GPO en haar daarop volgende beslissing op bezwaar, hebben [eiser 1] en [eiser 2] een spoedeisend belang bij hun vordering.

4.2.

Op grond van artikel 40 lid 11 WPO vindt definitieve verwijdering van een leerling niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorg gedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Dat kan ook een school voor speciaal onderwijs zijn. Tegen een verwijderingsbesluit kunnen ouders bezwaar aantekenen bij het bevoegd gezag. Geschillen over een verwijderingsbesluit met betrekking tot een leerling met een extra ondersteuningsbehoefte kunnen worden voorgelegd aan de GPO, die binnen 10 weken een oordeel uitbrengt aan het bevoegd gezag, rekening houdend met het schoolondersteuningsprofiel en het ondersteuningsplan (artikel 43 WPO).

Het bevoegd gezag neemt de beslissing op bezwaar niet dan nadat de commissie heeft geoordeeld en binnen uiterlijk 4 weken na dat oordeel (artikelen 43 en 63 WPO).

4.3.

[gedaagde] heeft zich blijkens het Groeidocument, het Onderwijs Arrangement en de verslagen van de gesprekken met de ouders op 4 juni 2018, 4 juli 2019 en 4 maart 2020, samen met Cordaan, zeker ingespannen voor [minderjarige]. Ook is duidelijk dat de huidige 1-op1-begeleiding van [minderjarige] door een externe begeleider in de klas veel vraagt van de school en niet past in het Schoolondersteuningsprofiel. Aan de andere kant heeft [gedaagde] zich in februari 2018 welbewust gecommitteerd om het te proberen met [minderjarige], ook al had de school op dat moment geen kennis over en ervaring met Down-kinderen. Op grond daarvan mocht worden verwacht dat de betrokken leerkrachten bijvoorbeeld cursussen zouden gaan volgen op dit gebied. Dat is niet of nauwelijks gebeurd. Verder is niet duidelijk geworden waarom de school niet met de aanbevelingen van [naam 4] aan de slag is gegaan - zoals de ouders op grond van het gesprek op 4 maart 2020 wel mochten verwachten -, maar integendeel op 20 april 2020 liet weten dat [minderjarige] na de zomervakantie van school moest. Al met al valt, met name op grond van de bevindingen van [naam 4], niet uit te sluiten dat [eiser 1] en [eiser 2] van de GPO gelijk zullen krijgen. Uit het verslag van [naam 4] blijkt immers dat regulier onderwijs voor [minderjarige] wel haalbaar is en 1-op-1- begeleiding niet meer voortdurend nodig zal zijn als de school meer kennis over Down in huis haalt en daardoor meer begrip voor de ondersteuningsbehoefte van [minderjarige] krijgt. De school is verplicht doeltreffende aanpassingen te verrichten ten behoeve van [minderjarige] tenzij deze voor de school een onevenredige belasting vormen. De aanbevelingen van [naam 4] lijken relatief eenvoudige, althans doenlijke aanpassingen voor [gedaagde]. [gedaagde] heeft voorshands niet aannemelijk gemaakt dat deze als onevenredige belasting zijn aan te merken.

4.4.

Er is dus een kans op een voor de ouders positief oordeel van het GPO en daarmee ook op een positieve beslissing op hun bezwaar. Het zou zonde zijn als [minderjarige] nu de grote stap neemt naar een nieuwe, verre, school terwijl dat achteraf niet nodig blijkt te zijn. Voor de school is het misschien lastig, maar niet onhaalbaar om [minderjarige] in ieder geval tot die tijd weer toe te laten tot school. Daarbij is van belang dat de ouders hebben verzekerd dat Cordaan klaar staat om weer de begeleiding van [minderjarige] in de klas te verzorgen. Verder is niet voldoende aannemelijk geworden dat het over circa 3 maanden (vrijwel) onmogelijk is om een andere school voor [minderjarige] te vinden als zij toch niet op de [gedaagde] zou kunnen blijven. Alle belangen afwegend zal daarom de gevraagde voorlopige wedertoelating worden toegewezen.

4.5.

[gedaagde] heeft toegezegd een eventuele veroordeling ook zonder dwangsom te zullen nakomen. Er is geen reden om eraan te twijfelen dat [gedaagde] die toezegging zal nakomen. Er zal daarom geen dwangsom worden opgelegd.

4.6.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:

- dagvaardingskosten € 110,61

- griffierecht 304,00

- salaris advocaat 980,00

_____________

Totaal € 1.394,61

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om [minderjarige] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis weer toe te laten tot de lessen en alle andere onderwijsactiviteiten van de [gedaagde] -school te Amsterdam totdat – na het advies van het GPO – is beslist op het bezwaar van [eiser 1] en [eiser 2] tegen het verwijderingsbesluit,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot op heden begroot op € 1.394,61,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2020.

type: MAH

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.