Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Amsterdam, 17 maart 2020
ECLI:NL:RBAMS:2020:1802Zaaknummer 13/201847-19
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 maart 2020
- Publicatiedatum
- 23 maart 2020
- Zaaknummer
- 13/201847-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ontneming; OM niet ontvankelijk vanwege vrijspraak
4 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het Openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,
mrs. W.H. van Benthem en M.C. Eggink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 maart 2020.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/201847-19 (ontneming)
Datum uitspraak: 17 maart 2020
Tegenspraak
VONNIS
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/201847-19, tegen:
[persoon], hierna te noemen veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres], [plaats], gedetineerd in [plaats detentie].
1 Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 3 maart 2020.
2 Vordering
De vordering van de officier van justitie van 11 februari 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 1.428,65. De rechtbank verstaat de vordering aldus dat deze betrekking heeft op de onderliggende strafzaak tegen [persoon].
3 Beoordeling
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering aangepast en verzocht de vordering slechts met betrekking tot feit 5 toe te wijzen. De raadsvrouw heeft bepleit om de vordering af te wijzen. De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over de ontnemingsvordering.
De rechtbank heeft [persoon] in de onderliggende strafzaak op 17 maart 2020 vrijgesproken van feit 5, op welk feit de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ziet. Daarom bestaat er geen grondslag ten aanzien van dit deel van de vordering, omdat er alleen geld kan worden ontnomen als er een strafrechtelijke veroordeling is. Het Openbaar Ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de ontnemingsvordering.
4 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het Openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,
mrs. W.H. van Benthem en M.C. Eggink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 maart 2020.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.