Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 27 oktober 2026

ECLI:NL:PHR:2026:989Zaaknummer 24/04453

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
24/04453
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Dodelijk bedrijfsongeval op bouwlocatie Loosdrecht in 2019. Overtreding art. 32 Arbeidsomstandighedenwet. M1: kan bewezenverklaring worden gekwalificeerd onder art. 32 Arbeidsomstandighedenwet, nu “naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is” is weggestreept in bewezenverklaring? AG: betreft kennelijke misslag, hoeft in dit geval niet tot cassatie te leiden (art. 81 RO). M2: falende rechtsklacht art. 32 Arbeidsomstandighedenwet en falende bewijsklacht m.b.t. redelijkerwijs moest weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten was. Jaddoe. Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep.

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[A] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 27 november 2024 (parketnr. 23-002128-23) wegens “overtreding van het bepaalde krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon” veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,-. De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2 Waar het in cassatie om gaat

2.1

Op 30 oktober 2019 vond op een bouwlocatie aan de [a-straat] in [plaats] een dodelijk bedrijfsongeval plaats. Tijdens het omhoog hijsen van de betonslang is de aan die betonslang bevestigde (derde) lier klemgeraakt tussen de boormotor en het daaraan opgehangen werkplatform en is het werkplatform door het voortduren van de opgaande hijsbeweging van de boormotor afgebroken, naar beneden gevallen en terechtgekomen op het hoofd van een medewerker die als funderingsmedewerker op de bouwlocatie aan het werk was. De medewerker is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden.

2.2

Het eerste middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd onder art. 32 Arbeidsomstandighedenwet. Het tweede middel richt zich tegen het impliciete oordeel van het hof dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten dat ‘daardoor’ levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid is ontstaan of te verwachten was. Meer in het bijzonder wordt geklaagd over de uitleg door het hof van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet.

2.3

Deze conclusie houdt in dat de middelen falen.

3 Toepasselijke regelgeving

3.1

Art. 32 Arbeidsomstandighedenwet luidt:[_dbe7a295-2063-4eb1-91cf-7e64bbf4c4b4]

“Het is de werkgever verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.”

3.2

De volgens de bewezenverklaring door de verdachte geschonden voorschriften van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit luiden:

- Art. 5 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet:[_4df4ce6a-6d3a-4b0c-8a33-431537c0d7cc]

“Bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid legt de werkgever in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en -evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico’s voor bijzondere categorieën van werknemers.”

- Art. 8 lid 1, 2 en 3 Arbeidsomstandighedenwet:[_8518f329-fe3c-452a-94c3-bcb946dd6c69]

“1. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico’s te voorkomen of te beperken. Tevens zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de wijze waarop de deskundige bijstand, bedoeld in de artikelen 13, 14, 14a en 15, in zijn bedrijf of inrichting is georganiseerd.

2. De werkgever zorgt ervoor dat aan de werknemers doeltreffend en aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met betrekking tot de arbeidsomstandigheden.

3. Indien persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking van de werknemers worden gesteld en indien op arbeidsmiddelen of anderszins beveiligingen zijn aangebracht, zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers op de hoogte zijn van hun doel en werking en de wijze waarop zij deze dienen te gebruiken.”

- Art. 7.4 lid 3 Arbeidsomstandighedenbesluit:

“Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.”

3.3

De Wet op de economische delicten (verder: WED) hield ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen onder meer in:

- Art. 1 WED:

“Economische delicten zijn:

1° Overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:

[…]

“de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen […] 32 […];”

- Art. 2 lid 1 WED:

“De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2° […] zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.”

4 Het eerste middel

4.1

Het middel klaagt dat het hof het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd onder art. 32 Arbeidsomstandighedenwet, terwijl de bewezenverklaring niet inhoudt dat de verdachte weet of redelijkerwijs moet weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.

4.2

Op de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2024 heeft de advocaat-generaal een vordering wijziging tenlastelegging gedaan, welke vordering blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting is toegewezen. Gevorderd werd onder meer in om een sub e daaraan toe te voegen, waardoor blijkens die vordering het slot van de tenlastelegging als volgt moest komen te luiden (mijn onderstreping, PHvK):

“[…]

e. Artikel 7.18a (achtste en negende lid) van het Arbeidsomstandighedenbesluit door de handelingen voor het hijsen van de betonslang onvoldoende of onjuist te plannen en/of de handelingen (waaronder het hijsen van de betonslang) niet onder doeltreffend toezicht uit te voeren,

terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was;”

4.3

Aan de verdachte is na de wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep blijkens het arrest van het hof tenlastegelegd dat (mijn onderstreping, PHvK):

“zij op of omstreeks 30 oktober 2019 te [plaats], gemeente [plaats], als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet,

al dan niet opzettelijk,

handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen,

immers heeft zij, verdachte, toen aldaar aan of nabij een bouwlocatie aan de [a-straat], zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van genoemde wet, door een van haar

werknemers in de zin van genoemde wet, te weten [betrokkene 1], arbeid doen of laten verrichten als funderingsmedewerker (boorbaas),

bestaande die arbeid uit het als bouwplaats medewerker verrichten van voorbereidende werkzaamheden en/of geven van aanwijzingen (aan de machinist van een funderingsmachine) voor het vervaardigen en/of boren van funderingspalen en/of het verrichten van (hijs)werkzaamheden ten behoeve van het aanbrengen en/of monteren en/of verwijderen van de (bij die funderingsmachine behorende) betonslang, op die locatie,

terwijl niet was/werd voldaan aan

a. Artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, door bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet of onvoldoende in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico’s die (hijs)werkzaamheden voor de/die werknemer(s) met zich meebrachten en/of

b. Artikel 8, eerste lid en/of tweede lid en/of derde lid van de Arbeidsomstandighedenwet, door er niet voor te zorgen dat de werknemer(s) doeltreffend werd(en) ingelicht over de risico’s die verbonden zijn aan de te verrichten werkzaamheden, (waaronder het risico op vallende voorwerpen en/of beknelling veroorzaakt door klappende/draaiende betonslangen en/of koppelingen) en/of door het niet, althans onvoldoende, geven van instructies over de te verrichten (hijs)werkzaamheden (met die betonslang) en/of door na te laten om de betrokken werknemer ( [betrokkene 1]) doeltreffend te onderrichten met betrekking tot de arbeidsomstandigheden van zijn taken en/of door onvoldoende toezicht te houden op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de risico’s en/of

c. Artikel 7.5, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, door er niet voor te zorgen dat bij het hijsen van de betonslang, in elk geval de last, het dakraam van de machinistencabine niet beslagen was en/of de ruitenwisserinstallatie van die machinistencabine naar behoren functioneerde, in elk geval niet de nodige maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat de funderingsmachine, in elk geval het arbeidsmiddel, tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend onderhoud in een zodanige staat werd gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers zoveel mogelijk werd voorkomen en/of

d. Artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit door de funderingsmachine (829) in elk geval het arbeidsmiddel, niet op een zodanige wijze te plaatsen en/of te bevestigen en/of in te richten en/of zodanig te gebruiken dat het gevaar dat zich geen een ongewilde gebeurtenis voordeed voordoet zoals verschuiven en/of omvallen en/of kantelen en/of getroffen worden door het werkplatform, in elk geval door een onderdeel van het arbeidsmiddel, zoveel mogelijk is voorkomen immers zijn, door haar verdachte, geen maatregelen getroffen om te voorkomen dat de hijskabel van de (derde) lier vastliep tussen de boormotor en het aan die funderingsmachine bevestigde werkplatform (waardoor dat werkplatform los geraakte en de [betrokkene 1], althans die werknemer, door dat werkplatform werd getroffen) en/of

e. Artikel 7.18a (achtste en negende lid) van het Arbeidsomstandighedenbesluit door de handelingen voor het hijsen van de betonslang onvoldoende of onjuist te plannen en/of de handelingen (waaronder het hijsen van de betonslang) niet onder doeltreffend toezicht uit te voeren, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was.”

4.4

Daarvan is door het hof bewezenverklaard dat:

“zij op 30 oktober 2019 te [plaats], gemeente [plaats], als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet,

opzettelijk,

handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen,

immers heeft zij, verdachte, toen aldaar aan of nabij een bouwlocatie aan de [a-straat], zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van genoemde wet, door een van haar

werknemers in de zin van genoemde wet, te weten [betrokkene 1], arbeid doen of laten verrichten als funderingsmedewerker (boorbaas),

bestaande die arbeid uit het als bouwplaats medewerker verrichten van voorbereidende werkzaamheden en geven van aanwijzingen (aan de machinist van een funderingsmachine) voor het verrichten van hijswerkzaamheden ten behoeve van het aanbrengen en/of monteren en/of verwijderen van de (bij die funderingsmachine behorende) betonslang, op die locatie,

terwijl niet werd voldaan aan

a. Artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, door bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid onvoldoende in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico’s die (hijs)werkzaamheden voor werknemer-met zich meebrachten en

b. Artikel 8, eerste lid en tweede lid van de Arbeidsomstandighedenwet, door er niet voor te zorgen dat de werknemer-doeltreffend werd-ingelicht over de risico’s die verbonden zijn aan de te verrichten werkzaamheden, (waaronder het risico op vallende voorwerpen en beknelling veroorzaakt door klappende/draaiende betonslangen en koppelingen) door na te laten om de betrokken werknemer ( [betrokkene 1]) doeltreffend te onderrichten met betrekking tot de arbeidsomstandigheden van zijn taken en

d. Artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit door de funderingsmachine (829, niet op een zodanige wijze in te richten en/of zodanig te gebruiken dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordeed zoals getroffen worden door het werkplatform, zoveel mogelijk is

voorkomen immers zijn, door haar verdachte, geen maatregelen getroffen om te voorkomen dat de hijskabel van de (derde) lier vastliep tussen de boormotor en het aan die funderingsmachine bevestigde werkplatform (waardoor dat werkplatform los geraakte en de [betrokkene 1], althans die werknemer, door dat werkplatform werd getroffen.”

4.5

Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als “overtreding van het bepaalde krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”.

4.6

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewezenverklaring weliswaar volgt dat de verdachte bepaalde handelingen heeft verricht en/of nagelaten, terwijl daarbij of daardoor bepaalde artikelen uit de Arbeidsomstandighedenwet niet werden nageleefd, maar dat daaruit niet blijkt dat de verdachte ten tijde van het handelen en nalaten “wist of redelijkerwijs moest weten” dat “daardoor […] levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is”. Volgens de steller van het middel heeft het hof door deze omissie het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd onder art. 32 Arbeidsomstandighedenwet en brengt dit kwalificatiegebrek mee dat het arrest niet in stand kan blijven.

4.7

Het hof heeft de tenlastegelegde zinsnede “terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was” niet opgenomen in de bewezenverklaring. Naar mijn oordeel berust dit op een kennelijke misslag. Het hof heeft namelijk in zijn bewijsoverwegingen geoordeeld dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat als gevolg van haar nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was. Bovendien sluit de zinsnede “terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was” in de door het hof gehanteerde opmaak van de tenlastelegging direct aan op onderdeel e, dus zonder dat daarbij een witregel is geplaatst, en blijkt uit het bestreden arrest dat het hof onderdeel e van de tenlastelegging niet bewezen acht. Gezien een en ander kom ik tot de conclusie dat het hof door deze ongelukkige opmaak van de tenlastelegging – welke opmaak afwijkt van de opmaak in de vordering wijziging tenlastelegging waarin immers wel een witregel na onderdeel e is geplaatst (vgl. onder 4.2 en 4.3) – bij het wegstrepen van onderdeel e omdat het hof dit onderdeel niet bewezen achtte, abusievelijk ook de slotzin “terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was” geheel heeft weggestreept.

4.8

De Hoge Raad kan de bewezenverklaring met verbetering van deze misslag lezen, zodat het middel niet tot cassatie hoeft te leiden.[_9fb8e5cf-1520-4b03-b99a-c53ead70c242]

5 Het tweede middel

5.1

Het middel klaagt dat het oordeel van het hof over de uitleg en reikwijdte van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, en/of dat niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten was.

5.2

Het bestreden arrest houdt voor zover van belang de volgende (promis)bewijsmotivering in, met weglating van de voetnoten:

“De raadsman heeft ter terechtzitting integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat in geen enkele instructie (ook niet vanuit de branche) het gevaar is onderkend dat bij het hijsen van een betonslang de kabel kan vastraken in een onderdeel van de funderingsmachine (waardoor het werkplatform kon bezwijken en vallen). Dat risico is ook niet door de ingeschakelde [deskundige] onderkend. Nu het risico door de gehele branche niet is onderkend, kan de verdachte ook niet verweten worden dat zij het slachtoffer niet doeltreffend heeft geïnstrueerd. [deskundige] heeft verder in het keuringsrapport geen opmerking gemaakt van de beschadigingen op de machine door het inslijten van de hijskabel. Daarnaast heeft [deskundige] geconcludeerd dat het werkplatform is gevallen door onvoldoende technische borging vanuit het ontwerp. Een ontwerpfout kan de verdachte niet worden aangerekend. De verdachte had dan ook geen daadwerkelijke wetenschap over het gevaar veroorzakende nalaten en over de potentieel levensgevaarlijke situatie, noch heeft zij opzettelijk gehandeld.

Oordeel van het hof

Algemeen

De Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) is erop gericht werkgevers een doeltreffend arbobeleid te laten voeren. Onderdeel van zo’n beleid is dat de werkgever een goed inzicht heeft in de gevaren die zich in zijn bedrijf kunnen voordoen. Daartoe geeft de Arbowet in artikel 5 de opdracht aan de werkgever om de risico’s vast te leggen die de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Onder bedoelde risico’s vallen ook de gevaren van de bij de arbeid gebruikte machines. Het is daarbij ook van belang dat werknemers inzicht krijgen in voornoemde risico’s en de wijze waarop die kunnen worden voorkomen of beperkt. Artikel 8 van de arbeidsomstandighedenwet verplicht de werkgever daarvoor te zorgen. Artikel 32 van de Arbowet omvat het algemene verbod voor de werkgever om in strijd met (onder meer) de voorgaande bepalingen te handelen, op het moment dat een werkgever weet of redelijkerwijs had moeten weten dat daarmee levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers kan ontstaan. Het hof stelt voorop dat het in artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet bedoelde gevaar ‘ontstaat of te verwachten is’ als arbeid wordt verricht in een situatie waarin levensgevaar of gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers bestaat, de werkgever voorschriften heeft geschonden die ertoe strekken te voorkomen dat dit gevaar zich realiseert, en het – gelet op de ernst van die schending – redelijk is het aldus ontstane of te verwachten gevaar aan de werkgever toe te rekenen. Aldus geldt dat ‘handelingen verrichten of nalaten’ in strijd met hetgeen bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald, bestaat uit een combinatie van het doen verrichten van arbeid in een gevaarlijke situatie en het niet naleven van toepasselijke voorschriften.

Toedracht van het ongeval en de bekendheid van het risico

Het hof ziet zich genoodzaakt de toedracht van het ongeval en het ongeval zelf te reconstrueren aan de hand van de bevindingen in het dossier, aangezien er geen getuigen zijn die het ongeval hebben gezien.

Het hof komt tot de volgende vaststelling van de feiten.

Op 30 oktober 2019 was het slachtoffer, [betrokkene 1], als funderingsmedewerker bij [A] B.V. (hierna: de verdachte) aan het werk op een bouwlocatie aan de [a-straat] in [plaats]. Hij was daar aanwezig met [betrokkene 2], de machinist van de ter plaatse gebruikte funderingsmachine en [betrokkene 3], de shovelmachinist. De drie medewerkers waren daar bezig met het aanbrengen van (DPA-)funderingspalen in de ondergrond. De makelaar van de funderingsmachine was voorzien van een boormotor. De boormotor was voorzien van twee ‘bussen’ waaraan een werkplatform was opgehangen. Alvorens die dag met die werkzaamheden kon worden begonnen, werd de betonslang in de nabijheid van de funderingsmachine klaar gelegd door machinist [betrokkene 2] en funderingsmedewerker [betrokkene 1]. Daarbij werd gebruik gemaakt van de derde lier van de funderingsmachine. De derde lier werd door [betrokkene 1] bevestigd aan de bocht (een onderdeel aan het uiteinde) van de betonslang die schuin achter de funderingsmachine op de grond lag. Vervolgens heeft [betrokkene 2] met behulp van de lier de betonslang in de richting van de funderingsmachine getrokken. [betrokkene 1] gaf hierbij aanwijzingen aan [betrokkene 2]. [betrokkene 1] bevond zich voor de funderingsmachine en had daarbij oogcontact met [betrokkene 2]. Tijdens het omhoog hijsen van de betonslang is de lier klem geraakt tussen de boormotor en het werkplatform, dat aan de boormotor bevestigd zat. Door het vervolgens voortduren van de opgaande hijsbeweging is het werkplatform van de boormotor afgebroken, naar beneden gevallen en op het hoofd van [betrokkene 1]

terechtgekomen. [betrokkene 1] is daarop ter plaatste aan zijn verwondingen overleden. Zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 3] hebben het ongeval niet zien gebeuren.

Het hof kan achteraf niet vaststellen wat de precieze oorzaak van het klem lopen van de lier is geweest. Wel staat vast dat de lier vaker klem is gelopen, daarbij aan de zijkant van de boormotor terecht kwam waar het werkplatform bevestigd was en dat dit een bekend gevaar was. Dit blijkt uit het volgende. Op het werkplatform zaten zowel nieuwe als oude beschadigingen onder andere in de vorm van verticale groeven aan de zijde waar het platform aan de boormachine was bevestigd (zijde 1) die veroorzaakt waren door het inslijten van een (hijs)kabel. [betrokkene 4], onderhoudsmonteur bij de verdachte, heeft verklaard dat hij onderdelen van funderingsmachines repareert, waarbij het om schade gaat die veroorzaakt wordt door mechanische invloeden van het stoten van de korven en betonslang waardoor onder andere leuningen zijn ingedeukt. Hij heeft verklaard dat het voorkomt dat onderdelen zoals een betonkubel en betonslang tegen de boormotor of het werkbordes aankomen. Over de beschadigingen aan de betreffende boormotor, op de plek waar het werkplatform kan worden bevestigd, verklaart hij dat hij dat soort beschadigingen bij veel, al dan niet iedere, boormotoren ziet en dat deze veroorzaakt worden door het inslijten van de kabel. Ook de beschadigingen op het werkplatform herkent hij als kabelschades. Het is niet normaal dat een kabel langs/tegen een werkbordes aankomt. Een kabel heeft daar niets te zoeken. [betrokkene 4] heeft verder verklaard dat hij alles meldt wat stuk is en wat hij heeft gerepareerd. Ook [betrokkene 3] heeft verklaard dat het voorkwam dat de hijskabel tussen de boormotor en het werkbordes terecht komt. Het is een gemeen hoekje, de machinist kan het heel slecht zien. Ze hebben het met de ploeg ook wel gehad over de mogelijkheid dat de derde lier tussen het werkplatform en de boormotor kwam en dat dit binnen de ploeg bekend was. [betrokkene 6], die begeleider was van [betrokkene 1], heeft verklaard dat hij [betrokkene 1] niet gewezen heeft op het risico dat de lier bij het omhoog hijsen ergens achter kan blijven hangen en dat [betrokkene 1] door zijn onervarenheid niet heeft geweten dat de slang niet goed omhoog ging. [betrokkene 5] heeft verklaard dat de funderingswerker tijdens het begeleiden van de last erop moet letten dat de last of kabel nergens achter blijft hangen en dat het weleens gebeurt dat de lier tussen het werkplatform en de boormotor komt.

[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij als machinist geen zicht had op de betonslang en dat hij afging op de aanwijzingen van [betrokkene 1]. Ook [betrokkene 5] heeft verklaard dat een machinist geen volledig zich heeft op hetgeen wordt gehesen.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat het tussen de boormotor en werkplatform klem lopen van de lier een bekend gevaar was bij de medewerkers van de verdachte.

Verder blijkt dat de machinist van de funderingsmachine geen volledig zicht heeft op de lieren en dat de shovelmachinist ten tijde van het ongeval met andere werkzaamheden bezig was, waardoor [betrokkene 1] de enige was die het gevaar had kunnen zien. Alhoewel het gevaar wel bekend was binnen het bedrijf, blijkt uit niets dat dit aan [betrokkene 1] gecommuniceerd is. Ook zijn begeleider, [betrokkene 6], heeft [betrokkene 1] niet op dit gevaar gewezen. Gelet hierop en op de omstandigheid dat [betrokkene 1] pas vier weken werkzaam was bij het bouwbedrijf, kon van hem ook niet gevergd worden dat hij dit zou onderkennen.

- Onderdeel a (artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet)

De verdachte heeft voornoemd risico, dat komt kijken bij hijswerkzaamheden, niet schriftelijk vastgelegd in een [B] ( [B] ). Niet alleen heeft de verdachte dit risico niet vastgelegd, ook ontbreekt in het geheel een werkinstructie ten aanzien van hijswerkzaamheden met een betonslang.

[deskundige] heeft in een [B] -rapport opgemerkt dat een werkinstructie ontbreekt voor het opstellen en bevestigen van de betonslang, alsmede voor het hijsen van wapeningsnetten, waardoor risico ontstaat op schade en letsel. Ook wordt bij het risico van foutief gebruik van hijsgereedschap gewezen op het belang van voldoende opgeleid personeel. De verdachte heeft het risico van het klem lopen van de lier bij hijswerkzaamheden onvoldoende in kaart gebracht. Hiermee heeft de verdachte artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet overtreden.

- Onderdeel b (artikel 8, eerste, tweede en/of derde lid van de Arbeidsomstandighedenwet)

De verdachte heeft [betrokkene 1] voorts onvoldoende ingelicht omtrent voornoemd gevaar en hem daarover niet doeltreffend onderricht. [betrokkene 1] was ten tijde van het ongeval vier weken werkzaam bij de verdachte. [betrokkene 7] (vertegenwoordiger van de vennootschap) heeft verklaard dat [betrokkene 6] de leermeester van [betrokkene 1] was. [betrokkene 6] heeft verklaard dat [betrokkene 1] door zijn onervarenheid niet heeft gezien dat de betonslang niet goed omhoog ging. Hij heeft eveneens verklaard dat niet met hem is overlegd of [betrokkene 1] zelfstandig kon werken en over de dag van het ongeval dat hij dacht dat er iemand anders in zijn afwezigheid als begeleider van [betrokkene 1] optrad. [betrokkene 1] had de trainingen ‘aanslaan van lasten’ en ‘werken op hoogte’ niet gevolgd, alsmede geen van de door het NVAF voorgeschreven opleidingen. Uit het voorgaande blijkt dat aan de onervaren [betrokkene 1] onvoldoende doeltreffend en bij zijn taken passend onderricht is verstrekt en daarnaast dat niemand [betrokkene 1] heeft gewezen op het risico van het klem lopen van de lier bij de hijswerkzaamheden, zodat geconcludeerd kan worden dat de verdachte er niet voor heeft gezorgd dat [betrokkene 1] doeltreffend was ingelicht over de aan zijn werkzaamheden verbonden risico’s. De verdachte heeft hiermee artikel 8, eerste lid en tweede lid van de Arbeidsomstandighedenwet overtreden.

- Onderdeel d (art. 7.4, derde lid van het Arbeidsomstandigheden besluit)

Met de voorgaande vaststelling dat het risico bekend was binnen het bedrijf en dat er desondanks geen maatregelen zijn getroffen aan de funderingsmachine om te voorkomen dat de lier vastliep tussen de boormotor en het werkplatform, kan geconcludeerd worden dat artikel 7.4, derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit is overtreden. Pas na het dodelijke ongeval zijn de funderingsmachines aangepast zodat de lier niet meer klem kon komen te zitten tussen de boormotor en het werkplatform (door middel van een wig) en beveiligingen (borgkettingen) aangebracht teneinde te voorkomen dat het werkplatform er afvalt.

- Toerekening aan de verdachte rechtspersoon en opzet

De volgende vraag die beantwoord moet worden is of de (verboden) gedragingen – in dit geval het nalaten om bepaalde maatregelen te treffen – in redelijkheid aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de toerekening van een strafbare gedraging aan de rechtspersoon afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is het antwoord op de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering;

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en

zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon

aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Gelet op de achtergrond van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, dat voor een belangrijk deel is gestoeld op de gedachte dat werknemers dienen te worden behoed voor gevaarlijke werkomstandigheden, mag niet lichtvaardig worden geconcludeerd dat voldoende is gedaan om zeer risicovolle situaties het hoofd te bieden.

In dit geval werden de hijswerkzaamheden verricht door werknemers van de verdachte. De werkzaamheden vonden plaats in het kader van een door de verdachte aangenomen opdracht. Deze werkzaamheden passen in de normale bedrijfsvoering van het bouwbedrijf. De verdachte had zeggenschap over de wijze waarop en onder welke voorwaarden de hijswerkzaamheden werden uitgevoerd. Het treffen van maatregelen met het oog op de gezondheid en veiligheid van de werknemers was bij uitstek de verantwoordelijkheid van de verdachte als werkgever. De verdachte is hierin tekortgeschoten waardoor gezondheids- en levensgevaar ontstond voor haar werknemers. Zoals reeds is overwogen, was het risico op het klem lopen van de lier tijdens hijswerkzaamheden bekend onder hijs en onderhoudswerknemers binnen het bedrijf. Het risico op gezondheids- en levensgevaar door het klem lopen van een lier bij een opgaande hijsbeweging, ten gevolge waarvan een onderdeel van de funderingsmachine af kon breken, was niet denkbeeldig. Het gevaar heeft zich bovendien verwezenlijkt ten aanzien van het slachtoffer. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de verboden gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en dat deze kunnen worden toegerekend aan de verdachte. Het was aan de verdachte om zich ervan te vergewissen welke risico’s bij de werkzaamheden komen kijken en bekend zijn onder haar werknemers en hiervoor passende maatregelen te treffen.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat de verdachte op een aantal punten niet heeft voldoen aan de op haar rustende zorgplicht die volgt uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voor een bewezenverklaring van opzet hoeft dat opzet alleen gericht te zijn geweest op de gedraging zelf, in dit geval een nalaten. In het nalaten de benodigde maatregelen te treffen en zodoende de op de verdachte rustende zorgplicht na te leven, ligt het opzet op de gedraging besloten en moest de verdachte redelijkerwijs weten dat als gevolg van dat nalaten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was.

Het hof is zodoende van oordeel dat de verdachte de bewezenverklaarde gedragingen opzettelijk heeft begaan.

Het hof acht de onderdelen c en e niet bewezen, zodat de verdachte te dien aanzien zal worden vrijgesproken.”

5.3

In de toelichting op de klachten voert de steller van het middel aan dat het hof in zijn overwegingen – anders dan de rechtbank – lijkt uit te gaan van “een soort risicoaansprakelijkheid” door bij de uitleg van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet niet de eis van “daadwerkelijke wetenschap” te stellen. Daarmee zou het oordeel van het hof blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet begrijpelijk zijn, in aanmerking genomen dat de Hoge Raad in HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2417 ondubbelzinnig heeft aangegeven dat die eis wel degelijk moet worden gesteld. Volgens de steller van het middel houden de bewijsmiddelen in dit geval bovendien onvoldoende in voor het oordeel dat “daardoor” (door het handelen of nalaten van de verdachte), naar zij (ten tijde van dit handelen of nalaten) wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te verwachten was. Het levensgevaar of de ernstige schade aan de gezondheid zou niet zijn ontstaan door de onder a, b en d bewezenverklaarde gedragingen, in aanmerking genomen dat de risico’s waar het uiteindelijk om ging niet bekend waren.

5.4

Zoals bij de bespreking van het eerste middel is gebleken, is de bewezenverklaring toegesneden op art. 32 Arbeidsomstandighedenwet. Uit de memorie van toelichting blijkt dat art. 32 Arbeidsomstandighedenwet[_018e61a1-88e7-41d9-a6f6-70f9960fac3e] een algemene verbodsbepaling is om “in strijd met de wet te handelen, zodanig dat daardoor ernstige schade aan de gezondheid van werknemers is of kan ontstaan”.[_f27c6f87-9d55-4271-ac76-df76b21d98a2] De wetgever beoogde met deze bepaling in combinatie met de strafbaarstelling strafrechtelijke handhaving mogelijk te maken “als in een concreet geval ernstige risico’s kunnen optreden en dit aan de werkgever verweten kan worden”.[_5a13e1a2-18cc-4393-95b0-26a14eae3f94] Een nadere toelichting op art. 32 Arbeidsomstandighedenwet wordt in de memorie van toelichting niet gegeven. In de memorie van antwoord bij het voorstel van Wet tot Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en enige andere wetten in verband met het vergroten van de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbeidsomstandighedenbeleid is verder over art. 32 Arbeidsomstandighedenwet opgemerkt dat overtreding van dit artikel niet altijd opzettelijk hoeft plaats te vinden, maar dat het voldoende is dat de werkgever redelijkerwijs had moeten weten dat levensgevaar of ernstig gevaar voor werknemers kan ontstaan of te verwachten is, waarbij het redelijkerwijs moeten weten onder meer bewezen kan worden aan de hand van waarschuwingen van personeel.[_2b23eb24-342c-403d-b83b-f2bf96ad32ff]

5.5

In de onderhavige zaak houdt de tenlastelegging in dat de verdachte al dan niet opzettelijk bepaalde handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen, terwijl daardoor naar zij wist of redelijkerwijs moest weten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was. Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen geoordeeld dat de verdachte de bewezenverklaarde gedragingen (die in dit geval bestaan in nalaten) opzettelijk heeft begaan en dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat als gevolg van dat nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was. Hiermee heeft het hof mijns inziens tot uitdrukking gebracht dat het bewezen acht dat de verdachte opzet had op het nalaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen en dat de verdachte daarbij schuld had (“redelijkerwijs moest weten”)[_04c009a6-d2cc-49ef-a149-b6fb22af0b08] ten aanzien van het gevolg van dat nalaten.[_e30e76d2-d3d0-42ba-a9c3-326863f0324d]

5.6

In dit laatste opzicht wijkt de onderhavige zaak af van de zaak die ten grondslag lag aan HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2417, op welk arrest de steller van het middel een beroep doet. In die zaak was namelijk bewezenverklaard dat “daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers te verwachten was”. Het bevreemdt gezien deze bewezenverklaring dan ook niet dat de Hoge Raad in dit arrest oordeelde dat uit de bewijsvoering moest blijken dat de verdachte daadwerkelijk ervan op de hoogte was dat asbest was achtergebleven in de te saneren flat na de uitvoering van sloopwerkzaamheden en dat de situatie in deze flat zodanig was dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers te verwachten was door het achterwege laten van beschermende maatregelen. Uit dit arrest kan mijns inziens echter niet worden afgeleid dat daadwerkelijke wetenschap ook vereist is in een geval als het onderhavige, waarin niet “weten”, maar “redelijkerwijs moest weten” is bewezenverklaard.[_ef9569ca-634f-4edd-8f1b-4c9bde19b3dd]Het oordeel van het hof getuigt ook in dit opzicht niet van een onjuiste rechtsopvatting zodat het middel in zoverre faalt.

5.7

Het middel richt zich meer in het bijzonder ook tegen de volgende overweging van het hof: “In het nalaten de benodigde maatregelen te treffen en zodoende de op de verdachte rustende zorgplicht na te leven, ligt het opzet op de gedraging besloten en moest de verdachte redelijkerwijs weten dat als gevolg van dat nalaten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was”. Deze overweging kan moeilijk glashelder worden genoemd. De zin kan zo worden gelezen dat de verdachte opzet op het nalaten heeft en daarnaast redelijkerwijs moest weten dat als gevolg van dat nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was. Bij die lezing kan de overweging in elk geval standhouden. De redenering in de overweging is echter moeilijk te volgen voor zover het hof daarmee zou hebben bedoeld dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat als gevolg van dat nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was omdat de verdachte opzettelijk gedragingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen.

5.8

Mijns inziens kan worden uitgegaan van de eerste lezing. Maar ook wanneer de gemankeerde formulering in de tweede bedoelde zin wordt gelezen, is dit naar mijn oordeel niet fataal, aangezien het hof de bewezenverklaring van het bestanddeel “redelijkerwijs moest weten” heeft kunnen afleiden uit de bewijsmiddelen die het in de bewijsoverweging noemt. Zo blijkt daaruit dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat het voorkwam dat de hijskabel tussen de boormotor en het werkbordes terechtkomt en dat ze het met de ploeg “ook wel gehad [hebben] over de mogelijkheid dat de derde lier tussen het werkplatform en de boormotor kwam en dat dit binnen de ploeg bekend was”. Tevens blijkt daaruit dat op het werkplatform zowel oude als nieuwe beschadigingen zaten, onder andere in de vorm van verticale groeven aan de zijde waar het platform aan de boormachine was bevestigd die veroorzaakt waren door het inslijten van een (hijs)kabel. Ten slotte houden de bewijsmiddelen in dat [betrokkene 4], onderhoudsmonteur bij de verdachte, heeft verklaard (i) dat het voorkomt dat onderdelen zoals een betonkubel en betonslang tegen de boormotor of het werkbordes aankomen, (ii) dat hij beschadigingen op de plek waar het werkplatform kan worden bevestigd ziet bij veel, al dan niet iedere boormotor(en) en dat deze worden veroorzaakt door het inslijten van de kabel, (iii) dat het niet normaal is dat een kabel langs/tegen een werkbordes aankomt en (iv) dat hij alles meldt wat stuk is en wat hij heeft gerepareerd. De bewijsvoering weerspreekt hiermee de stelling in de toelichting op het middel dat het levensgevaar of de ernstige schade aan de gezondheid niet ontstond door, kort gezegd, overtredingen van voorschriften van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit “in aanmerking genomen dat de risico’s waar het uiteindelijk om ging niet bekend waren”.

5.9

De bewezenverklaring is gelet op het voorgaande toereikend gemotiveerd.

5.10

Het middel faalt.

6 Afronding

6.1

De middelen falen. Gezien de vrijspraak in eerste aanleg ligt het niet in de rede om het tweede middel af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

6.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Inleiding
  2. 2 Waar het in cassatie om gaat
  3. 3 Toepasselijke regelgeving
  4. 4 Het eerste middel
  5. 5 Het tweede middel
  6. 6 Afronding

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04453

Zitting 27 oktober 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[A] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 27 november 2024 (parketnr. 23-002128-23) wegens “overtreding van het bepaalde krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon” veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,-. De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2 Waar het in cassatie om gaat

2.1

Op 30 oktober 2019 vond op een bouwlocatie aan de [a-straat] in [plaats] een dodelijk bedrijfsongeval plaats. Tijdens het omhoog hijsen van de betonslang is de aan die betonslang bevestigde (derde) lier klemgeraakt tussen de boormotor en het daaraan opgehangen werkplatform en is het werkplatform door het voortduren van de opgaande hijsbeweging van de boormotor afgebroken, naar beneden gevallen en terechtgekomen op het hoofd van een medewerker die als funderingsmedewerker op de bouwlocatie aan het werk was. De medewerker is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden.

2.2

Het eerste middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd onder art. 32 Arbeidsomstandighedenwet. Het tweede middel richt zich tegen het impliciete oordeel van het hof dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten dat ‘daardoor’ levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid is ontstaan of te verwachten was. Meer in het bijzonder wordt geklaagd over de uitleg door het hof van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet.

2.3

Deze conclusie houdt in dat de middelen falen.

3 Toepasselijke regelgeving

3.1

Art. 32 Arbeidsomstandighedenwet luidt:[_dbe7a295-2063-4eb1-91cf-7e64bbf4c4b4]

“Het is de werkgever verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.”

3.2

De volgens de bewezenverklaring door de verdachte geschonden voorschriften van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit luiden:

- Art. 5 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet:[_4df4ce6a-6d3a-4b0c-8a33-431537c0d7cc]

“Bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid legt de werkgever in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en -evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico’s voor bijzondere categorieën van werknemers.”

- Art. 8 lid 1, 2 en 3 Arbeidsomstandighedenwet:[_8518f329-fe3c-452a-94c3-bcb946dd6c69]

“1. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico’s te voorkomen of te beperken. Tevens zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de wijze waarop de deskundige bijstand, bedoeld in de artikelen 13, 14, 14a en 15, in zijn bedrijf of inrichting is georganiseerd.

2. De werkgever zorgt ervoor dat aan de werknemers doeltreffend en aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met betrekking tot de arbeidsomstandigheden.

3. Indien persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking van de werknemers worden gesteld en indien op arbeidsmiddelen of anderszins beveiligingen zijn aangebracht, zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers op de hoogte zijn van hun doel en werking en de wijze waarop zij deze dienen te gebruiken.”

- Art. 7.4 lid 3 Arbeidsomstandighedenbesluit:

“Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.”

3.3

De Wet op de economische delicten (verder: WED) hield ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen onder meer in:

- Art. 1 WED:

“Economische delicten zijn:

1° Overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:

[…]

“de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen […] 32 […];”

- Art. 2 lid 1 WED:

“De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2° […] zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.”

4 Het eerste middel

4.1

Het middel klaagt dat het hof het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd onder art. 32 Arbeidsomstandighedenwet, terwijl de bewezenverklaring niet inhoudt dat de verdachte weet of redelijkerwijs moet weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.

4.2

Op de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2024 heeft de advocaat-generaal een vordering wijziging tenlastelegging gedaan, welke vordering blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting is toegewezen. Gevorderd werd onder meer in om een sub e daaraan toe te voegen, waardoor blijkens die vordering het slot van de tenlastelegging als volgt moest komen te luiden (mijn onderstreping, PHvK):

“[…]

e. Artikel 7.18a (achtste en negende lid) van het Arbeidsomstandighedenbesluit door de handelingen voor het hijsen van de betonslang onvoldoende of onjuist te plannen en/of de handelingen (waaronder het hijsen van de betonslang) niet onder doeltreffend toezicht uit te voeren,

terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was;”

4.3

Aan de verdachte is na de wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep blijkens het arrest van het hof tenlastegelegd dat (mijn onderstreping, PHvK):

“zij op of omstreeks 30 oktober 2019 te [plaats], gemeente [plaats], als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet,

al dan niet opzettelijk,

handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen,

immers heeft zij, verdachte, toen aldaar aan of nabij een bouwlocatie aan de [a-straat], zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van genoemde wet, door een van haar

werknemers in de zin van genoemde wet, te weten [betrokkene 1], arbeid doen of laten verrichten als funderingsmedewerker (boorbaas),

bestaande die arbeid uit het als bouwplaats medewerker verrichten van voorbereidende werkzaamheden en/of geven van aanwijzingen (aan de machinist van een funderingsmachine) voor het vervaardigen en/of boren van funderingspalen en/of het verrichten van (hijs)werkzaamheden ten behoeve van het aanbrengen en/of monteren en/of verwijderen van de (bij die funderingsmachine behorende) betonslang, op die locatie,

terwijl niet was/werd voldaan aan

a. Artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, door bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet of onvoldoende in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico’s die (hijs)werkzaamheden voor de/die werknemer(s) met zich meebrachten en/of

b. Artikel 8, eerste lid en/of tweede lid en/of derde lid van de Arbeidsomstandighedenwet, door er niet voor te zorgen dat de werknemer(s) doeltreffend werd(en) ingelicht over de risico’s die verbonden zijn aan de te verrichten werkzaamheden, (waaronder het risico op vallende voorwerpen en/of beknelling veroorzaakt door klappende/draaiende betonslangen en/of koppelingen) en/of door het niet, althans onvoldoende, geven van instructies over de te verrichten (hijs)werkzaamheden (met die betonslang) en/of door na te laten om de betrokken werknemer ( [betrokkene 1]) doeltreffend te onderrichten met betrekking tot de arbeidsomstandigheden van zijn taken en/of door onvoldoende toezicht te houden op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de risico’s en/of

c. Artikel 7.5, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, door er niet voor te zorgen dat bij het hijsen van de betonslang, in elk geval de last, het dakraam van de machinistencabine niet beslagen was en/of de ruitenwisserinstallatie van die machinistencabine naar behoren functioneerde, in elk geval niet de nodige maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat de funderingsmachine, in elk geval het arbeidsmiddel, tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend onderhoud in een zodanige staat werd gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers zoveel mogelijk werd voorkomen en/of

d. Artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit door de funderingsmachine (829) in elk geval het arbeidsmiddel, niet op een zodanige wijze te plaatsen en/of te bevestigen en/of in te richten en/of zodanig te gebruiken dat het gevaar dat zich geen een ongewilde gebeurtenis voordeed voordoet zoals verschuiven en/of omvallen en/of kantelen en/of getroffen worden door het werkplatform, in elk geval door een onderdeel van het arbeidsmiddel, zoveel mogelijk is voorkomen immers zijn, door haar verdachte, geen maatregelen getroffen om te voorkomen dat de hijskabel van de (derde) lier vastliep tussen de boormotor en het aan die funderingsmachine bevestigde werkplatform (waardoor dat werkplatform los geraakte en de [betrokkene 1], althans die werknemer, door dat werkplatform werd getroffen) en/of

e. Artikel 7.18a (achtste en negende lid) van het Arbeidsomstandighedenbesluit door de handelingen voor het hijsen van de betonslang onvoldoende of onjuist te plannen en/of de handelingen (waaronder het hijsen van de betonslang) niet onder doeltreffend toezicht uit te voeren, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was.”

4.4

Daarvan is door het hof bewezenverklaard dat:

“zij op 30 oktober 2019 te [plaats], gemeente [plaats], als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet,

opzettelijk,

handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen,

immers heeft zij, verdachte, toen aldaar aan of nabij een bouwlocatie aan de [a-straat], zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van genoemde wet, door een van haar

werknemers in de zin van genoemde wet, te weten [betrokkene 1], arbeid doen of laten verrichten als funderingsmedewerker (boorbaas),

bestaande die arbeid uit het als bouwplaats medewerker verrichten van voorbereidende werkzaamheden en geven van aanwijzingen (aan de machinist van een funderingsmachine) voor het verrichten van hijswerkzaamheden ten behoeve van het aanbrengen en/of monteren en/of verwijderen van de (bij die funderingsmachine behorende) betonslang, op die locatie,

terwijl niet werd voldaan aan

a. Artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, door bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid onvoldoende in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico’s die (hijs)werkzaamheden voor werknemer-met zich meebrachten en

b. Artikel 8, eerste lid en tweede lid van de Arbeidsomstandighedenwet, door er niet voor te zorgen dat de werknemer-doeltreffend werd-ingelicht over de risico’s die verbonden zijn aan de te verrichten werkzaamheden, (waaronder het risico op vallende voorwerpen en beknelling veroorzaakt door klappende/draaiende betonslangen en koppelingen) door na te laten om de betrokken werknemer ( [betrokkene 1]) doeltreffend te onderrichten met betrekking tot de arbeidsomstandigheden van zijn taken en

d. Artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit door de funderingsmachine (829, niet op een zodanige wijze in te richten en/of zodanig te gebruiken dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordeed zoals getroffen worden door het werkplatform, zoveel mogelijk is

voorkomen immers zijn, door haar verdachte, geen maatregelen getroffen om te voorkomen dat de hijskabel van de (derde) lier vastliep tussen de boormotor en het aan die funderingsmachine bevestigde werkplatform (waardoor dat werkplatform los geraakte en de [betrokkene 1], althans die werknemer, door dat werkplatform werd getroffen.”

4.5

Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als “overtreding van het bepaalde krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”.

4.6

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewezenverklaring weliswaar volgt dat de verdachte bepaalde handelingen heeft verricht en/of nagelaten, terwijl daarbij of daardoor bepaalde artikelen uit de Arbeidsomstandighedenwet niet werden nageleefd, maar dat daaruit niet blijkt dat de verdachte ten tijde van het handelen en nalaten “wist of redelijkerwijs moest weten” dat “daardoor […] levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is”. Volgens de steller van het middel heeft het hof door deze omissie het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd onder art. 32 Arbeidsomstandighedenwet en brengt dit kwalificatiegebrek mee dat het arrest niet in stand kan blijven.

4.7

Het hof heeft de tenlastegelegde zinsnede “terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was” niet opgenomen in de bewezenverklaring. Naar mijn oordeel berust dit op een kennelijke misslag. Het hof heeft namelijk in zijn bewijsoverwegingen geoordeeld dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat als gevolg van haar nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was. Bovendien sluit de zinsnede “terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was” in de door het hof gehanteerde opmaak van de tenlastelegging direct aan op onderdeel e, dus zonder dat daarbij een witregel is geplaatst, en blijkt uit het bestreden arrest dat het hof onderdeel e van de tenlastelegging niet bewezen acht. Gezien een en ander kom ik tot de conclusie dat het hof door deze ongelukkige opmaak van de tenlastelegging – welke opmaak afwijkt van de opmaak in de vordering wijziging tenlastelegging waarin immers wel een witregel na onderdeel e is geplaatst (vgl. onder 4.2 en 4.3) – bij het wegstrepen van onderdeel e omdat het hof dit onderdeel niet bewezen achtte, abusievelijk ook de slotzin “terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was” geheel heeft weggestreept.

4.8

De Hoge Raad kan de bewezenverklaring met verbetering van deze misslag lezen, zodat het middel niet tot cassatie hoeft te leiden.[_9fb8e5cf-1520-4b03-b99a-c53ead70c242]

5 Het tweede middel

5.1

Het middel klaagt dat het oordeel van het hof over de uitleg en reikwijdte van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, en/of dat niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten was.

5.2

Het bestreden arrest houdt voor zover van belang de volgende (promis)bewijsmotivering in, met weglating van de voetnoten:

“De raadsman heeft ter terechtzitting integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat in geen enkele instructie (ook niet vanuit de branche) het gevaar is onderkend dat bij het hijsen van een betonslang de kabel kan vastraken in een onderdeel van de funderingsmachine (waardoor het werkplatform kon bezwijken en vallen). Dat risico is ook niet door de ingeschakelde [deskundige] onderkend. Nu het risico door de gehele branche niet is onderkend, kan de verdachte ook niet verweten worden dat zij het slachtoffer niet doeltreffend heeft geïnstrueerd. [deskundige] heeft verder in het keuringsrapport geen opmerking gemaakt van de beschadigingen op de machine door het inslijten van de hijskabel. Daarnaast heeft [deskundige] geconcludeerd dat het werkplatform is gevallen door onvoldoende technische borging vanuit het ontwerp. Een ontwerpfout kan de verdachte niet worden aangerekend. De verdachte had dan ook geen daadwerkelijke wetenschap over het gevaar veroorzakende nalaten en over de potentieel levensgevaarlijke situatie, noch heeft zij opzettelijk gehandeld.

Oordeel van het hof

Algemeen

De Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) is erop gericht werkgevers een doeltreffend arbobeleid te laten voeren. Onderdeel van zo’n beleid is dat de werkgever een goed inzicht heeft in de gevaren die zich in zijn bedrijf kunnen voordoen. Daartoe geeft de Arbowet in artikel 5 de opdracht aan de werkgever om de risico’s vast te leggen die de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Onder bedoelde risico’s vallen ook de gevaren van de bij de arbeid gebruikte machines. Het is daarbij ook van belang dat werknemers inzicht krijgen in voornoemde risico’s en de wijze waarop die kunnen worden voorkomen of beperkt. Artikel 8 van de arbeidsomstandighedenwet verplicht de werkgever daarvoor te zorgen. Artikel 32 van de Arbowet omvat het algemene verbod voor de werkgever om in strijd met (onder meer) de voorgaande bepalingen te handelen, op het moment dat een werkgever weet of redelijkerwijs had moeten weten dat daarmee levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers kan ontstaan. Het hof stelt voorop dat het in artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet bedoelde gevaar ‘ontstaat of te verwachten is’ als arbeid wordt verricht in een situatie waarin levensgevaar of gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers bestaat, de werkgever voorschriften heeft geschonden die ertoe strekken te voorkomen dat dit gevaar zich realiseert, en het – gelet op de ernst van die schending – redelijk is het aldus ontstane of te verwachten gevaar aan de werkgever toe te rekenen. Aldus geldt dat ‘handelingen verrichten of nalaten’ in strijd met hetgeen bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald, bestaat uit een combinatie van het doen verrichten van arbeid in een gevaarlijke situatie en het niet naleven van toepasselijke voorschriften.

Toedracht van het ongeval en de bekendheid van het risico

Het hof ziet zich genoodzaakt de toedracht van het ongeval en het ongeval zelf te reconstrueren aan de hand van de bevindingen in het dossier, aangezien er geen getuigen zijn die het ongeval hebben gezien.

Het hof komt tot de volgende vaststelling van de feiten.

Op 30 oktober 2019 was het slachtoffer, [betrokkene 1], als funderingsmedewerker bij [A] B.V. (hierna: de verdachte) aan het werk op een bouwlocatie aan de [a-straat] in [plaats]. Hij was daar aanwezig met [betrokkene 2], de machinist van de ter plaatse gebruikte funderingsmachine en [betrokkene 3], de shovelmachinist. De drie medewerkers waren daar bezig met het aanbrengen van (DPA-)funderingspalen in de ondergrond. De makelaar van de funderingsmachine was voorzien van een boormotor. De boormotor was voorzien van twee ‘bussen’ waaraan een werkplatform was opgehangen. Alvorens die dag met die werkzaamheden kon worden begonnen, werd de betonslang in de nabijheid van de funderingsmachine klaar gelegd door machinist [betrokkene 2] en funderingsmedewerker [betrokkene 1]. Daarbij werd gebruik gemaakt van de derde lier van de funderingsmachine. De derde lier werd door [betrokkene 1] bevestigd aan de bocht (een onderdeel aan het uiteinde) van de betonslang die schuin achter de funderingsmachine op de grond lag. Vervolgens heeft [betrokkene 2] met behulp van de lier de betonslang in de richting van de funderingsmachine getrokken. [betrokkene 1] gaf hierbij aanwijzingen aan [betrokkene 2]. [betrokkene 1] bevond zich voor de funderingsmachine en had daarbij oogcontact met [betrokkene 2]. Tijdens het omhoog hijsen van de betonslang is de lier klem geraakt tussen de boormotor en het werkplatform, dat aan de boormotor bevestigd zat. Door het vervolgens voortduren van de opgaande hijsbeweging is het werkplatform van de boormotor afgebroken, naar beneden gevallen en op het hoofd van [betrokkene 1]

terechtgekomen. [betrokkene 1] is daarop ter plaatste aan zijn verwondingen overleden. Zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 3] hebben het ongeval niet zien gebeuren.

Het hof kan achteraf niet vaststellen wat de precieze oorzaak van het klem lopen van de lier is geweest. Wel staat vast dat de lier vaker klem is gelopen, daarbij aan de zijkant van de boormotor terecht kwam waar het werkplatform bevestigd was en dat dit een bekend gevaar was. Dit blijkt uit het volgende. Op het werkplatform zaten zowel nieuwe als oude beschadigingen onder andere in de vorm van verticale groeven aan de zijde waar het platform aan de boormachine was bevestigd (zijde 1) die veroorzaakt waren door het inslijten van een (hijs)kabel. [betrokkene 4], onderhoudsmonteur bij de verdachte, heeft verklaard dat hij onderdelen van funderingsmachines repareert, waarbij het om schade gaat die veroorzaakt wordt door mechanische invloeden van het stoten van de korven en betonslang waardoor onder andere leuningen zijn ingedeukt. Hij heeft verklaard dat het voorkomt dat onderdelen zoals een betonkubel en betonslang tegen de boormotor of het werkbordes aankomen. Over de beschadigingen aan de betreffende boormotor, op de plek waar het werkplatform kan worden bevestigd, verklaart hij dat hij dat soort beschadigingen bij veel, al dan niet iedere, boormotoren ziet en dat deze veroorzaakt worden door het inslijten van de kabel. Ook de beschadigingen op het werkplatform herkent hij als kabelschades. Het is niet normaal dat een kabel langs/tegen een werkbordes aankomt. Een kabel heeft daar niets te zoeken. [betrokkene 4] heeft verder verklaard dat hij alles meldt wat stuk is en wat hij heeft gerepareerd. Ook [betrokkene 3] heeft verklaard dat het voorkwam dat de hijskabel tussen de boormotor en het werkbordes terecht komt. Het is een gemeen hoekje, de machinist kan het heel slecht zien. Ze hebben het met de ploeg ook wel gehad over de mogelijkheid dat de derde lier tussen het werkplatform en de boormotor kwam en dat dit binnen de ploeg bekend was. [betrokkene 6], die begeleider was van [betrokkene 1], heeft verklaard dat hij [betrokkene 1] niet gewezen heeft op het risico dat de lier bij het omhoog hijsen ergens achter kan blijven hangen en dat [betrokkene 1] door zijn onervarenheid niet heeft geweten dat de slang niet goed omhoog ging. [betrokkene 5] heeft verklaard dat de funderingswerker tijdens het begeleiden van de last erop moet letten dat de last of kabel nergens achter blijft hangen en dat het weleens gebeurt dat de lier tussen het werkplatform en de boormotor komt.

[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij als machinist geen zicht had op de betonslang en dat hij afging op de aanwijzingen van [betrokkene 1]. Ook [betrokkene 5] heeft verklaard dat een machinist geen volledig zich heeft op hetgeen wordt gehesen.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat het tussen de boormotor en werkplatform klem lopen van de lier een bekend gevaar was bij de medewerkers van de verdachte.

Verder blijkt dat de machinist van de funderingsmachine geen volledig zicht heeft op de lieren en dat de shovelmachinist ten tijde van het ongeval met andere werkzaamheden bezig was, waardoor [betrokkene 1] de enige was die het gevaar had kunnen zien. Alhoewel het gevaar wel bekend was binnen het bedrijf, blijkt uit niets dat dit aan [betrokkene 1] gecommuniceerd is. Ook zijn begeleider, [betrokkene 6], heeft [betrokkene 1] niet op dit gevaar gewezen. Gelet hierop en op de omstandigheid dat [betrokkene 1] pas vier weken werkzaam was bij het bouwbedrijf, kon van hem ook niet gevergd worden dat hij dit zou onderkennen.

- Onderdeel a (artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet)

De verdachte heeft voornoemd risico, dat komt kijken bij hijswerkzaamheden, niet schriftelijk vastgelegd in een [B] ( [B] ). Niet alleen heeft de verdachte dit risico niet vastgelegd, ook ontbreekt in het geheel een werkinstructie ten aanzien van hijswerkzaamheden met een betonslang.

[deskundige] heeft in een [B] -rapport opgemerkt dat een werkinstructie ontbreekt voor het opstellen en bevestigen van de betonslang, alsmede voor het hijsen van wapeningsnetten, waardoor risico ontstaat op schade en letsel. Ook wordt bij het risico van foutief gebruik van hijsgereedschap gewezen op het belang van voldoende opgeleid personeel. De verdachte heeft het risico van het klem lopen van de lier bij hijswerkzaamheden onvoldoende in kaart gebracht. Hiermee heeft de verdachte artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet overtreden.

- Onderdeel b (artikel 8, eerste, tweede en/of derde lid van de Arbeidsomstandighedenwet)

De verdachte heeft [betrokkene 1] voorts onvoldoende ingelicht omtrent voornoemd gevaar en hem daarover niet doeltreffend onderricht. [betrokkene 1] was ten tijde van het ongeval vier weken werkzaam bij de verdachte. [betrokkene 7] (vertegenwoordiger van de vennootschap) heeft verklaard dat [betrokkene 6] de leermeester van [betrokkene 1] was. [betrokkene 6] heeft verklaard dat [betrokkene 1] door zijn onervarenheid niet heeft gezien dat de betonslang niet goed omhoog ging. Hij heeft eveneens verklaard dat niet met hem is overlegd of [betrokkene 1] zelfstandig kon werken en over de dag van het ongeval dat hij dacht dat er iemand anders in zijn afwezigheid als begeleider van [betrokkene 1] optrad. [betrokkene 1] had de trainingen ‘aanslaan van lasten’ en ‘werken op hoogte’ niet gevolgd, alsmede geen van de door het NVAF voorgeschreven opleidingen. Uit het voorgaande blijkt dat aan de onervaren [betrokkene 1] onvoldoende doeltreffend en bij zijn taken passend onderricht is verstrekt en daarnaast dat niemand [betrokkene 1] heeft gewezen op het risico van het klem lopen van de lier bij de hijswerkzaamheden, zodat geconcludeerd kan worden dat de verdachte er niet voor heeft gezorgd dat [betrokkene 1] doeltreffend was ingelicht over de aan zijn werkzaamheden verbonden risico’s. De verdachte heeft hiermee artikel 8, eerste lid en tweede lid van de Arbeidsomstandighedenwet overtreden.

- Onderdeel d (art. 7.4, derde lid van het Arbeidsomstandigheden besluit)

Met de voorgaande vaststelling dat het risico bekend was binnen het bedrijf en dat er desondanks geen maatregelen zijn getroffen aan de funderingsmachine om te voorkomen dat de lier vastliep tussen de boormotor en het werkplatform, kan geconcludeerd worden dat artikel 7.4, derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit is overtreden. Pas na het dodelijke ongeval zijn de funderingsmachines aangepast zodat de lier niet meer klem kon komen te zitten tussen de boormotor en het werkplatform (door middel van een wig) en beveiligingen (borgkettingen) aangebracht teneinde te voorkomen dat het werkplatform er afvalt.

- Toerekening aan de verdachte rechtspersoon en opzet

De volgende vraag die beantwoord moet worden is of de (verboden) gedragingen – in dit geval het nalaten om bepaalde maatregelen te treffen – in redelijkheid aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de toerekening van een strafbare gedraging aan de rechtspersoon afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is het antwoord op de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering;

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en

zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon

aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Gelet op de achtergrond van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, dat voor een belangrijk deel is gestoeld op de gedachte dat werknemers dienen te worden behoed voor gevaarlijke werkomstandigheden, mag niet lichtvaardig worden geconcludeerd dat voldoende is gedaan om zeer risicovolle situaties het hoofd te bieden.

In dit geval werden de hijswerkzaamheden verricht door werknemers van de verdachte. De werkzaamheden vonden plaats in het kader van een door de verdachte aangenomen opdracht. Deze werkzaamheden passen in de normale bedrijfsvoering van het bouwbedrijf. De verdachte had zeggenschap over de wijze waarop en onder welke voorwaarden de hijswerkzaamheden werden uitgevoerd. Het treffen van maatregelen met het oog op de gezondheid en veiligheid van de werknemers was bij uitstek de verantwoordelijkheid van de verdachte als werkgever. De verdachte is hierin tekortgeschoten waardoor gezondheids- en levensgevaar ontstond voor haar werknemers. Zoals reeds is overwogen, was het risico op het klem lopen van de lier tijdens hijswerkzaamheden bekend onder hijs en onderhoudswerknemers binnen het bedrijf. Het risico op gezondheids- en levensgevaar door het klem lopen van een lier bij een opgaande hijsbeweging, ten gevolge waarvan een onderdeel van de funderingsmachine af kon breken, was niet denkbeeldig. Het gevaar heeft zich bovendien verwezenlijkt ten aanzien van het slachtoffer. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de verboden gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en dat deze kunnen worden toegerekend aan de verdachte. Het was aan de verdachte om zich ervan te vergewissen welke risico’s bij de werkzaamheden komen kijken en bekend zijn onder haar werknemers en hiervoor passende maatregelen te treffen.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat de verdachte op een aantal punten niet heeft voldoen aan de op haar rustende zorgplicht die volgt uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voor een bewezenverklaring van opzet hoeft dat opzet alleen gericht te zijn geweest op de gedraging zelf, in dit geval een nalaten. In het nalaten de benodigde maatregelen te treffen en zodoende de op de verdachte rustende zorgplicht na te leven, ligt het opzet op de gedraging besloten en moest de verdachte redelijkerwijs weten dat als gevolg van dat nalaten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was.

Het hof is zodoende van oordeel dat de verdachte de bewezenverklaarde gedragingen opzettelijk heeft begaan.

Het hof acht de onderdelen c en e niet bewezen, zodat de verdachte te dien aanzien zal worden vrijgesproken.”

5.3

In de toelichting op de klachten voert de steller van het middel aan dat het hof in zijn overwegingen – anders dan de rechtbank – lijkt uit te gaan van “een soort risicoaansprakelijkheid” door bij de uitleg van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet niet de eis van “daadwerkelijke wetenschap” te stellen. Daarmee zou het oordeel van het hof blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet begrijpelijk zijn, in aanmerking genomen dat de Hoge Raad in HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2417 ondubbelzinnig heeft aangegeven dat die eis wel degelijk moet worden gesteld. Volgens de steller van het middel houden de bewijsmiddelen in dit geval bovendien onvoldoende in voor het oordeel dat “daardoor” (door het handelen of nalaten van de verdachte), naar zij (ten tijde van dit handelen of nalaten) wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te verwachten was. Het levensgevaar of de ernstige schade aan de gezondheid zou niet zijn ontstaan door de onder a, b en d bewezenverklaarde gedragingen, in aanmerking genomen dat de risico’s waar het uiteindelijk om ging niet bekend waren.

5.4

Zoals bij de bespreking van het eerste middel is gebleken, is de bewezenverklaring toegesneden op art. 32 Arbeidsomstandighedenwet. Uit de memorie van toelichting blijkt dat art. 32 Arbeidsomstandighedenwet[_018e61a1-88e7-41d9-a6f6-70f9960fac3e] een algemene verbodsbepaling is om “in strijd met de wet te handelen, zodanig dat daardoor ernstige schade aan de gezondheid van werknemers is of kan ontstaan”.[_f27c6f87-9d55-4271-ac76-df76b21d98a2] De wetgever beoogde met deze bepaling in combinatie met de strafbaarstelling strafrechtelijke handhaving mogelijk te maken “als in een concreet geval ernstige risico’s kunnen optreden en dit aan de werkgever verweten kan worden”.[_5a13e1a2-18cc-4393-95b0-26a14eae3f94] Een nadere toelichting op art. 32 Arbeidsomstandighedenwet wordt in de memorie van toelichting niet gegeven. In de memorie van antwoord bij het voorstel van Wet tot Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en enige andere wetten in verband met het vergroten van de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbeidsomstandighedenbeleid is verder over art. 32 Arbeidsomstandighedenwet opgemerkt dat overtreding van dit artikel niet altijd opzettelijk hoeft plaats te vinden, maar dat het voldoende is dat de werkgever redelijkerwijs had moeten weten dat levensgevaar of ernstig gevaar voor werknemers kan ontstaan of te verwachten is, waarbij het redelijkerwijs moeten weten onder meer bewezen kan worden aan de hand van waarschuwingen van personeel.[_2b23eb24-342c-403d-b83b-f2bf96ad32ff]

5.5

In de onderhavige zaak houdt de tenlastelegging in dat de verdachte al dan niet opzettelijk bepaalde handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen, terwijl daardoor naar zij wist of redelijkerwijs moest weten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de [betrokkene 1] ontstond of te verwachten was. Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen geoordeeld dat de verdachte de bewezenverklaarde gedragingen (die in dit geval bestaan in nalaten) opzettelijk heeft begaan en dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat als gevolg van dat nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was. Hiermee heeft het hof mijns inziens tot uitdrukking gebracht dat het bewezen acht dat de verdachte opzet had op het nalaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen en dat de verdachte daarbij schuld had (“redelijkerwijs moest weten”)[_04c009a6-d2cc-49ef-a149-b6fb22af0b08] ten aanzien van het gevolg van dat nalaten.[_e30e76d2-d3d0-42ba-a9c3-326863f0324d]

5.6

In dit laatste opzicht wijkt de onderhavige zaak af van de zaak die ten grondslag lag aan HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2417, op welk arrest de steller van het middel een beroep doet. In die zaak was namelijk bewezenverklaard dat “daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers te verwachten was”. Het bevreemdt gezien deze bewezenverklaring dan ook niet dat de Hoge Raad in dit arrest oordeelde dat uit de bewijsvoering moest blijken dat de verdachte daadwerkelijk ervan op de hoogte was dat asbest was achtergebleven in de te saneren flat na de uitvoering van sloopwerkzaamheden en dat de situatie in deze flat zodanig was dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers te verwachten was door het achterwege laten van beschermende maatregelen. Uit dit arrest kan mijns inziens echter niet worden afgeleid dat daadwerkelijke wetenschap ook vereist is in een geval als het onderhavige, waarin niet “weten”, maar “redelijkerwijs moest weten” is bewezenverklaard.[_ef9569ca-634f-4edd-8f1b-4c9bde19b3dd]Het oordeel van het hof getuigt ook in dit opzicht niet van een onjuiste rechtsopvatting zodat het middel in zoverre faalt.

5.7

Het middel richt zich meer in het bijzonder ook tegen de volgende overweging van het hof: “In het nalaten de benodigde maatregelen te treffen en zodoende de op de verdachte rustende zorgplicht na te leven, ligt het opzet op de gedraging besloten en moest de verdachte redelijkerwijs weten dat als gevolg van dat nalaten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was”. Deze overweging kan moeilijk glashelder worden genoemd. De zin kan zo worden gelezen dat de verdachte opzet op het nalaten heeft en daarnaast redelijkerwijs moest weten dat als gevolg van dat nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was. Bij die lezing kan de overweging in elk geval standhouden. De redenering in de overweging is echter moeilijk te volgen voor zover het hof daarmee zou hebben bedoeld dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat als gevolg van dat nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was omdat de verdachte opzettelijk gedragingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen.

5.8

Mijns inziens kan worden uitgegaan van de eerste lezing. Maar ook wanneer de gemankeerde formulering in de tweede bedoelde zin wordt gelezen, is dit naar mijn oordeel niet fataal, aangezien het hof de bewezenverklaring van het bestanddeel “redelijkerwijs moest weten” heeft kunnen afleiden uit de bewijsmiddelen die het in de bewijsoverweging noemt. Zo blijkt daaruit dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat het voorkwam dat de hijskabel tussen de boormotor en het werkbordes terechtkomt en dat ze het met de ploeg “ook wel gehad [hebben] over de mogelijkheid dat de derde lier tussen het werkplatform en de boormotor kwam en dat dit binnen de ploeg bekend was”. Tevens blijkt daaruit dat op het werkplatform zowel oude als nieuwe beschadigingen zaten, onder andere in de vorm van verticale groeven aan de zijde waar het platform aan de boormachine was bevestigd die veroorzaakt waren door het inslijten van een (hijs)kabel. Ten slotte houden de bewijsmiddelen in dat [betrokkene 4], onderhoudsmonteur bij de verdachte, heeft verklaard (i) dat het voorkomt dat onderdelen zoals een betonkubel en betonslang tegen de boormotor of het werkbordes aankomen, (ii) dat hij beschadigingen op de plek waar het werkplatform kan worden bevestigd ziet bij veel, al dan niet iedere boormotor(en) en dat deze worden veroorzaakt door het inslijten van de kabel, (iii) dat het niet normaal is dat een kabel langs/tegen een werkbordes aankomt en (iv) dat hij alles meldt wat stuk is en wat hij heeft gerepareerd. De bewijsvoering weerspreekt hiermee de stelling in de toelichting op het middel dat het levensgevaar of de ernstige schade aan de gezondheid niet ontstond door, kort gezegd, overtredingen van voorschriften van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit “in aanmerking genomen dat de risico’s waar het uiteindelijk om ging niet bekend waren”.

5.9

De bewezenverklaring is gelet op het voorgaande toereikend gemotiveerd.

5.10

Het middel faalt.

6 Afronding

6.1

De middelen falen. Gezien de vrijspraak in eerste aanleg ligt het niet in de rede om het tweede middel af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

6.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

  1. Bij de Wet van 11 december 2024, (Stb. 2024, 409) is de tekstregel die bij wijze van opschrift boven art. 32 Arbeidsomstandighedenwet is geplaatst gewijzigd. Deze wijziging betreft geen wijziging van de tekst van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet.
  2. Bij de Wet van 11 december 2024, (Stb. 2024, 409) is de tekstregel die bij wijze van opschrift boven art. 5 Arbeidsomstandighedenwet is geplaatst gewijzigd. Deze wijziging betreft geen wijziging van de tekst van art. 5 Arbeidsomstandighedenwet.
  3. Bij de Wet van 11 december 2024, (Stb. 2024, 409) is de tekstregel die bij wijze van opschrift boven art. 8 Arbeidsomstandighedenwet is geplaatst gewijzigd. Deze wijziging betreft geen wijziging van de tekst van art. 8 Arbeidsomstandighedenwet.
  4. Vgl. HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:845, r.o. 2.3.
  5. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was het nog art. 31 Arbeidsomstandighedenwet. Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 879, 1-2, p. 16.
  6. Kamerstukken II 1997/89, 24 879, 3, p. 25.
  7. Kamerstukken II 1997/89, 24 879, 3, p. 47. Zie ook Kamerstukken II 1997/98, 25 879, nr. 6, p. 27: “Verder is het op basis van artikel 31 mogelijk om in geval van overtreding van regels, waarin in eerste instantie is uitgegaan van een bestuurlijke boete, terug te vallen op het strafrecht als in de concrete situatie sprake is van levensgevaar of gevaar op gezondheidsschade.”
  8. Kamerstukken I 2006/07, 30552, D, p. 8.
  9. Vgl. A-G Keulen, conclusie voor HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1053, randnr. 26.
  10. Vgl. A-G Harteveld, conclusie voor HR 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:645, randnr. 7.3.
  11. In zijn annotatie van HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2417 in M en R 2017/141 gaat Velthuis in op de vraag waarop de benodigde wetenschap opgenomen in art. 32 Arbeidsomstandighedenwet betrekking moet hebben. Zijns inziens kan uit het arrest worden afgeleid “dat voor een bewezenverklaring van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet vereist is ‘daadwerkelijke wetenschap’ over het gevaar veroorzakende handelen of nalaten en dat de situatie dusdanig is dat hierdoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is bij het uitblijven van maatregelen”. Die conclusie lijkt mij juist voor zover het gaat om een bewezenverklaring van het bestanddeel “naar hij weet” (zoals in die zaak) maar deze geldt dus niet ingeval de bewezenverklaring het bestanddeel “redelijkerwijs moet weten” betreft (zoals in de onderhavige zaak). Wel zal in beide gevallen daadwerkelijk sprake moeten zijn van een situatie waarin er “levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is”.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.