Conclusie · Personen- en familierecht
Parket bij de Hoge Raad, 23 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:1012Zaaknummer 25/03842
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 23 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/03842
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Uitleg van notariële samenlevingsovereenkomst. Aanvangsmoment van verjaringstermijn voor vordering uit hoofde van vergoedingsrechten.
4 Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03842
Zitting 23 oktober 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de vrouw],
eiseres tot cassatie,
hierna: de vrouw
tegen
[de man],
verweerder in cassatie,
hierna: de man
1 Inleiding
Deze zaak betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling van de beëindiging van de samenleving van partijen. In cassatie gaat het uitsluitend nog om het oordeel van het hof dat de vorderingen van de man uit hoofde van vergoedingsrechten zijn ingesteld voor het verstrijken van de verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3:307 lid 1 BW). Het hof heeft dit oordeel gebaseerd op een bepaling in de notariële samenlevingsovereenkomst tussen partijen, waarin het moment van de opeisbaarheid van een vordering uit hoofde van vergoedingsrechten wordt geregeld. Heeft het hof bij de uitleg van deze bepaling uit de samenlevingsovereenkomst de juiste maatstaf gehanteerd? En is het oordeel van het hof over het aanvangsmoment van de verjaringstermijn voldoende begrijpelijk?
2 Waar gaat deze zaak over?
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.[_a7020024-172b-4a20-84e2-966da362ed01]
Partijen hebben van 2000 tot juni 2020 een affectieve relatie gehad.
In 2000 heeft de man een eenmanszaak opgericht.
In 2006 hebben partijen gezamenlijk [de woning gekocht]. De aankoop is gefinancierd met een gezamenlijke aflossingsvrije hypothecaire geldlening van € 475.000,-.
Partijen hebben op 27 november 2006 een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
‘Gemeenschappelijk bewoonde woning
Artikel 7.
(...)
Indien door partijen een woning of een tweede woning gemeenschappelijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel in de koopsom en de kosten heeft betaald, voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij.
Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning, bij beëindiging overeenkomst, of op een ander door partijen overeengekomen tijdstip.
De vordering zal geen rente dragen.’
Op 22 juli 2011 heeft de man met geldmiddelen afkomstig uit de eenmanszaak de gehele op dat moment nog openstaande hypothecaire schuld van € 463.566,37 afgelost.
In 2014 hebben partijen [de woning] gesloopt en ter plaatse een nieuwe woning gebouwd (hierna: de woning).
De man heeft begin juni 2020 de woning verlaten. In maart 2022 is hij weer teruggekeerd in de woning en is hij in een afgescheiden gedeelte van de woning gaan wonen.
In deze procedure, ingeleid bij dagvaarding van 16 mei 2022, hebben partijen over en weer vorderingen ingesteld met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling van de beëindiging van hun samenleving. De vorderingen hebben betrekking op de woning (toebedeling, vergoedingsrechten en gebruiksvergoeding), het saldo op de privérekening van de man, het saldo op de en/of-rekening van partijen, en de winst van een onderneming. In cassatie gaat het uitsluitend nog om twee vorderingen van de man uit hoofde van vergoedingsrechten met betrekking tot de woning, te weten: (I) een vordering van (na eisvermindering) € 231.783,- in verband met een eenmalige volledige aflossing van de gezamenlijke hypotheek vanuit het vermogen van de eenmanszaak van de man, en (II) een vordering van (na eisvermindering) € 221.000,- in verband met investeringen in de bouw van de woning vanuit het vermogen van de eenmanszaak van de man.[_64678478-a25b-41dc-bf96-e345b7b95db5] De man heeft deze vorderingen gebaseerd op art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst.
Bij vonnis van 24 mei 2023 heeft de rechtbank Noord-Holland de vordering onder (I) afgewezen en de vordering onder (II) toegewezen tot een bedrag van € 28.900,-.[_ac03b956-704c-4658-97d5-e72f641c61ee]
Bij arrest van 22 juli 2025 heeft het gerechtshof Amsterdam de vordering onder (I) toegewezen, evenals de vordering onder (II) tot een bedrag van € 206.000,-.[_5d640c47-ecbc-46f8-9e14-2fe1fb08f7bd]
De vrouw is (tijdig) in cassatie gekomen van het arrest van het hof (hierna: het bestreden arrest). De man heeft verweer gevoerd en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. De vrouw heeft gerepliceerd.
3 Bespreking van het cassatiemiddel
In het cassatiemiddel wordt geklaagd over het oordeel van het hof met betrekking tot het verjaringsverweer van de vrouw. Hiervoor is het volgende van belang. De vrouw heeft verschillende verweren gevoerd tegen de vorderingen van de man onder (I) en (II). Zij heeft onder meer een beroep gedaan op verjaring.
In eerste aanleg heeft de vrouw het volgende verjaringsverweer gevoerd:
‘50. Zijn vergoedingsvordering met het oog op de bouwkosten mist elke (wettelijke) grondslag. Mocht die er zijn, dan is die vordering reeds lang verjaard. Ook is artikel 7.4 van de samenlevingsovereenkomst geen grondslag hiervoor, nu dit artikellid ziet op de verkrijging van een woning. Dit ziet op de koopsom bij aankoop van een nieuwe woning, maar niet op de kosten van oprichting. (…).’[_8a6bc462-192b-4a21-92d6-6a2a241e26b0]
De man heeft hierop als volgt gereageerd:
‘Met betrekking tot het punt van verjaring merk ik op dat [dit] niet aan de orde is. Als al sprake is van verjaring dan is dat vanaf het einde van de samenleving of de overdracht van het onroerend goed.’[_7b1e8c10-5803-4463-86a4-8ddd5b7d76dd]
Het vonnis van de rechtbank van 24 mei 2023 bevat geen oordeel met betrekking tot het verjaringsverweer van de vrouw.
In hoger beroep heeft de vrouw het volgende verjaringsverweer gevoerd:
‘18. (…) De aflossing van de hypothecaire geldlening is wat anders dan een betaling van de koopsom. De koopsom van de woning is vijf jaar voorafgaand aan de aflossing en een half jaar voor het sluiten van het samenlevingsovereenkomst voldaan. Bovendien is met de aflossing geen woning verkregen. De woning is na de aflossing gesloopt. Het is te ver gezocht om artikel 7.4 van het samenlevingscontract daarop van toepassing te laten zijn. Bovendien zou de man bij toepasselijkheid van artikel 7.4 wel – in verband met verjaring – binnen vijf jaar na de sloop van de woning om terugbetaling hebben gevraagd. In artikel 7.4 van het samenlevingscontract staat immers vermeld, dat een eventuele vordering bij vervreemding van de woning opeisbaar is. Sinds de sloop van de woning, hebben partijen de woning niet meer. (…)
(…)
20. De man heeft geen andere rechtsgrond voor zijn ingestelde vorderingen genoemd, dan artikel 7.4 van het samenlevingscontract. Als zich wel een andere rechtsgrond zou voordoen, is die vordering verjaard. De man heeft niet binnen vijf jaar na 20 juli 2011 [de datum waarop de hypothecaire schuld met betrekking tot de woning door de man is afgelost; A-G] enig bedrag gevorderd.’[_88abe3e5-84fa-4e78-aeec-c7a6fcd7dd5e]
De man heeft onder meer het volgende opgemerkt:
‘45. Uit de jurisprudentie blijkt bovendien dat er zeer strenge eisen worden gesteld aan een gesteld gerechtvaardigd vertrouwen dat een partij afstand zou hebben gedaan van een recht. De man meent dat daaraan niet is voldaan doordat hij tijdens de relatie geen aanspraak heeft gemaakt op vergoeding. Daar bestond ook geen aanleiding toe aangezien die vergoedingsvorderingen pas opeisbaar waren bij het einde van de relatie.’[_62b63f6e-6ed7-4c09-b379-0d0c6d389930]
Het hof heeft het verjaringsverweer van de vrouw verworpen. Het hof heeft dit als volgt gemotiveerd:
‘3.12 De vrouw voert diverse verweren om te voorkomen dat zij de door de man op grond van de samenlevingsovereenkomst gevorderde vergoedingsrechten moet voldoen. Het hof zal deze hierna bespreken.
Het eerste verweer is dat de vorderingen van de man verjaard zijn. Het hof is van oordeel dat van verjaring geen sprake is. In artikel 7.4 van de samenlevingsovereenkomst is immers opgenomen dat de vordering die op grond van deze bepaling ontstaat opeisbaar is bij vervreemding van de woning, bij beëindiging van de samenlevingsovereenkomst, of op een ander door partijen overeengekomen tijdstip. Dit betekent dat de verjaringstermijn van 5 jaar vanaf één van die momenten is gaan lopen (artikel 3:307 lid 1 BW). Vaststaat dat de man zijn vorderingen vóór het verstrijken van die termijn heeft ingesteld.(…)’.
Uit rov. 3.12 leid ik af dat het hof het verjaringsverweer van de vrouw aldus heeft opgevat dat dit verweer betrekking heeft op beide vorderingen van de man onder (I) en (II). Dit wordt als zodanig niet bestreden in cassatie.
Het verjaringsoordeel van het hof in rov. 3.12 wordt in cassatie bestreden met twee onderdelen. Volgens onderdeel 1 heeft het hof met zijn verjaringsoordeel miskend dat art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst uitgelegd dient te worden aan de hand van Haviltex, terwijl het hof (klaarblijkelijk) heeft volstaan met een uitleg die is gebaseerd op de (letterlijke) tekst van art. 7 lid 4 van de overeenkomst. Het hof heeft nagelaten om te beoordelen welke zin partijen over en weer redelijkerwijs aan art. 7 lid 4 van de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit heeft het hof wel gedaan in rov. 3.11 bij de beoordeling of de vorderingen van de man onder (I) en (II) binnen de reikwijdte van art. 7 lid 4 vallen. Volgens onderdeel 2 is het verjaringsoordeel van het hof, mede in het licht van het verjaringsverweer van de vrouw, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, omdat niet inzichtelijk wordt gemaakt waarop het oordeel is gebaseerd dat de man zijn vorderingen voor het verstrijken van de verjaringstermijn van vijf jaar heeft ingesteld.
Bij de behandeling van het middel stel ik het volgende voorop. Art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst bepaalt, voor zover van belang:
‘Indien door partijen een woning of een tweede woning gemeenschappelijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel in de koopsom en de kosten heeft betaald, voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij.
Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning, bij beëindiging overeenkomst, of op een ander door partijen overeengekomen tijdstip.’
In rov. 3.11 van het bestreden arrest heeft het hof beoordeeld of de vorderingen van de man onder (I) en (II) binnen de reikwijdte van art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst vallen. Hiervoor heeft het hof de overeenkomst uitgelegd aan de hand van Haviltex[_9ab8bdf3-bb46-4321-9426-a73939cae557]. Zie rov. 3.11, tweede volzin:
‘Volgens vaste jurisprudentie kan de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.’
Ten aanzien van de vordering van de man onder (I) heeft het hof in rov. 3.11 als volgt overwogen:
‘(…) Waar het om gaat is dat partijen ten tijde van de aflossing geen gemeenschappelijk vermogen hadden. In dat geval ligt het naar het oordeel van het hof veel meer voor de hand om het bedrag dat de man als eigenaar van de eenmanszaak uit zijn privévermogen heeft afgelost op de gemeenschappelijke hypotheek aan te merken als hetgeen een partij uit eigen middelen voor meer dan zijn aandeel in de kosten van de gemeenschappelijke woning heeft betaald, voor welk meerdere deze partij bij ontbinding van de samenlevingsovereenkomst een opeisbare vordering op de vrouw heeft, zoals artikel 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst bepaalt (…). Dat het niet gaat om een betaling door de man bij de aankoop van de woning in 2006, maar om een eenmalige aflossing van de op de woning rustende aflossingsvrije hypotheek in 2011, derhalve vijf jaar na aankoop van de woning, acht het hof niet doorslaggevend. (…).’
Ten aanzien van de vordering van de man onder (II) heeft het hof in rov. 3.11 overwogen dat ‘een redelijke uitleg’ van de samenlevingsovereenkomst meebrengt dat de bedragen die partijen bij de bouw van de nieuwe woning in 2014 uit hun privévermogen hebben bijgedragen, alsnog dienen te worden verrekend. Het hof heeft dit als volgt gemotiveerd (voorlaatste alinea van rov. 3.11):
‘Een huis zelf nieuw laten bouwen is een zodanig met de verkrijging van een huis vergelijkbare situatie dat toepassing van artikel 7.4 van de samenlevingsovereenkomst ook daarop alleszins gerechtvaardigd is.’
Deze oordelen worden in cassatie niet bestreden, zodat als uitgangspunt geldt dat de vorderingen van de man onder (I) en (II) hun grondslag hebben in art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst.[_88a8033d-480e-47c9-ada5-c44dac6c827e]
Vervolgens is het hof in rov. 3.12 van het bestreden arrest ingegaan op verschillende verweren van de vrouw om te voorkomen dat zij de door de man gevorderde vergoedingsrechten op grond van art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst moet voldoen. Het eerste verweer van de vrouw, dat de vorderingen van de man zijn verjaard, heeft het hof verworpen. Het hof heeft dit als volgt gemotiveerd (tweede alinea van rov. 3.12):
‘In artikel 7.4 van de samenlevingsovereenkomst is immers opgenomen dat de vordering die op grond van deze bepaling ontstaat opeisbaar is bij vervreemding van de woning, bij beëindiging van de samenlevingsovereenkomst, of op een ander door partijen overeengekomen tijdstip. Dat betekent dat de verjaringstermijn van 5 jaar vanaf één van die momenten is gaan lopen (artikel 3:307 lid 1 BW). Vaststaat dat de man zijn vorderingen vóór het verstrijken van die termijn heeft ingesteld.’
De verwijzing naar ‘die termijn’ in de aangehaalde overweging maakt niet meteen duidelijk welk moment van opeisbaarheid van een vordering op grond van art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst het hof voor ogen heeft gehad. Uit het vervolg van rov. 3.12 (vierde alinea), bij de behandeling van een ander verweer van de vrouw (‘Voor zover de vrouw zich beroept op een tussen partijen gemaakte stilzwijgende afspraak dat de man geen aanspraak zou maken op zijn vergoedingsrechten, rechtsverwerking, de bevoordelingsbedoeling en de wils- en vertrouwensleer (…)’), blijkt dat het hof ‘het einde van de samenleving’ als moment van opeisbaarheid van een vordering op grond van art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst voor ogen heeft gehad.[_966f7a1b-28ce-4d15-834c-bb34123e07b3]
Indien de motivering van het oordeel van het hof over de uitleg van art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst in rov. 3.11 en rov. 3.12 naast elkaar wordt gelegd, valt het volgende op. In rov. 3.11, bij de afbakening van de reikwijdte van art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst, legt het hof de verkrijging van een woning in de zin van deze bepaling (op basis van Haviltex) ruim uit door hieronder ook te verstaan het zelf nieuw laten bouwen van een huis (‘Een huis zelf nieuw laten bouwen is een zodanig met de verkrijging van een huis vergelijkbare situatie dat toepassing van artikel 7.4 van de samenlevingsovereenkomst ook daarop alleszins gerechtvaardigd is.’). In rov. 3.12, bij het bepalen van het moment van opeisbaarheid van de vorderingen van de man op grond van art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst, besteedt het hof geen aandacht aan wat moet worden verstaan onder ‘vervreemding van de woning’ in de zin van art. 7 lid 4 van de overeenkomst, maar knoopt het hof aan bij de ‘beëindiging van de samenlevingsovereenkomst’. Waarom het hof bij dit aanvangsmoment van de verjaringstermijn heeft aangeknoopt en niet bij het moment van vervreemding van de woning, volgt niet uit de motivering van het hof. Mede in het licht van het betoog van de vrouw dat de sloop van de oude woning in 2014, met het oog op de verjaring van de vordering van de man onder (I),[_952b508f-2e44-48c3-86d0-8427114a1ce7] gelijkgesteld moet worden aan de vervreemding van de woning in de zin van art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst, had het hof inzichtelijk moeten maken waarom het in rov. 3.11 de sloop van de oude woning wel heeft gelijkgesteld aan de verkrijging van een woning in de zin van art. 7 lid 4, eerste volzin van de overeenkomst, maar in rov. 3.12 niet heeft beoordeeld of de sloop van de oude woning gelijkgesteld kan worden aan de vervreemding van een woning in de zin van art. 7 lid 4, tweede volzin van de overeenkomst. Door dit na te laten heeft het hof geen, althans onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang die ten grondslag ligt aan het verjaringsoordeel in rov. 3.12 van het bestreden arrest. Dit levert een gebrek in de motivering op.
De keuze voor het moment van opeisbaarheid van de vorderingen van de man op grond van art. 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst en daarmee voor het aanvangsmoment van de verjaringstermijn van vijf jaar maakt in dit geval verschil uit. Indien de beëindiging van de samenlevingsovereenkomst als moment van opeisbaarheid van de vorderingen wordt gehanteerd, zijn de vorderingen van de man niet verjaard. De man heeft zijn vorderingen onder (I) en (II) immers ingesteld (op 6 juli 2022)[_4307c924-0647-4c0f-9ce8-f759fd69b094] voor het verstrijken van vijf jaren na de beëindiging van de samenlevingsovereenkomst (in juni 2020).[_6dd066f9-a45c-4519-9078-75b8df2ff941] Indien de sloop van de oude woning in 2014 als aanvangsmoment wordt gehanteerd, zijn de vorderingen van de man onder (I) en (II) daarentegen wel verjaard (namelijk in 2019).
Op grond van het voorgaande meen ik dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
4 Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
- Zie rov. 2.1 e.v. van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1894, JPF 2025/94, m.nt. A.G.F.M. Flos.
- Zie rov. 5.12 en 5.14 van het vonnis van 24 mei 2023 van de rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2023:4714; rov. 1.4 van het in cassatie bestreden arrest.
- Zie rov. 5.12 t/m 5.17 van het vonnis van 24 mei 2023 van de rechtbank Noord-Holland.
- Het dictum van dit arrest luidt, voor zover van belang: ‘veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 231.783,- (tweehonderdeenendertigduizend zevenhonderddrieëntachtig euro) (wegens aflossing van de hypothecaire geldlening in 2011 door de man); veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 206.000,- (tweehonderdeenentwintigduizend euro) (wegens door de man bij de bouw van de woning geïnvesteerde gelden)’. De laatstgenoemde veroordeling bevat een kennelijke fout: de veroordeling tot een bedrag van € 206.000,- is juist, maar de vermelding van dit bedrag voluit tussen haakjes (‘tweehonderdeenentwintigduizend euro’) is niet correct.
- Conclusie van antwoord in reconventie, nr. 50.
- Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 3 april 2023, p. 3.
- Pleitnota in hoger beroep van 20 maart 2025, p. 5.
- Pleitnota in hoger beroep van 20 maart 2025, p. 5-6.
- HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635, m.nt. C.J.H. Brunner.
- Vgl. de laatste volzin van rov. 3.11: ‘(…) Kortom, het hof is van oordeel dat de man zijn beide vergoedingsvorderingen terecht baseert op artikel 7.4 van de samenlevingsovereenkomst.’
- Zie ook het slot van de vierde alinea van rov. 3.12: ‘(…) Na afloop van de samenlevingsovereenkomst heeft de man zijn vergoedingsrechten tijdig opgeëist.’
- Zie 3.4 van mijn conclusie.
- Bij zijn conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van 6 juli 2022.
- Zie rov. 2.2 van het bestreden arrest: ‘Partijen hebben van 2000 tot juni 2020 een affectieve relatie gehad, waarbij zij hebben samengewoond. (…)’ alsmede rov. 2.11: ‘De man heeft begin juni 2020 de woning verlaten. (…)’. Vgl. memorie van grieven, nr. 1; memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, nr. 1; memorie van antwoord in incidenteel appel, nr. 159. Zie in dit verband art. 10 aanhef en onder d van de samenlevingsovereenkomst: ‘Deze overeenkomst eindigt: (…) indien partijen de overeenkomst vrijwillig feitelijk hebben beëindigd en geen gemeenschappelijke huishouding meer voeren’.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.