Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 11 november 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1196Zaaknummer 25/00577
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 11 november 2025
- Publicatiedatum
- 13 november 2025
- Zaaknummer
- 25/00577
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Herzieningsverzoek in strafzaak uit opsporingsonderzoek Maggiora. Verdediging brengt nieuwe feiten in die afkomstig zijn uit het hoger beroep van de voormalige medeverdachten van aanvrager, die zelf niet in hoger beroep is gegaan. Voorgestelde novum houdt in dat de rechtbank bij bekendheid met de ingebrachte gegevens tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie had beslist in verband met een schending van art. 6 EVRM. Conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening. Samenhang met de zaken 25/00561 en 25/00562.
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[aanvrager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de aanvrager
Inleiding
1. De rechtbank Noord-Nederland heeft de aanvrager bij vonnis van 1 augustus 2017 wegens
onder 1. “medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door: voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd”;
onder 4. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod”;
onder 5. “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;
onder 6. “gewoontewitwassen”;
onder 7. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III”
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.[_9e7bafff-a5d3-42ed-82c6-79aa3f66044c]
2. De advocaten N. van Schaik en H. Brentjes (hierna: de verdediging) hebben namens de aanvrager een verzoek ingediend tot herziening van de veroordeling die bij dit vonnis is uitgesproken. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00561 en 25/00562, waarin de verdediging eveneens een herzieningsverzoek heeft ingediend. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
De bespreking en beoordeling van het herzieningsverzoek
3. In de zaak van de voormalige medeverdachte van de aanvrager met zaaknummer 25/00562 heeft de verdediging mutatis mutandis een identiek herzieningsverzoek ingediend. In de conclusie die ik vandaag in die zaak neem, leg ik uit waarom de Hoge Raad dat herzieningsverzoek naar mijn mening zou moeten afwijzen. Voor de redenen waarom het herzieningsverzoek (ook) in deze zaak ongegrond is, verwijs ik daarom naar mijn opmerkingen onder de randnummers 4 tot en met 37 in mijn conclusie in die zaak (gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2025:1194).
Slotsom
4. Deze conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Volledige tekst
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00577 H
Zitting 11 november 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[aanvrager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de aanvrager
Inleiding
1. De rechtbank Noord-Nederland heeft de aanvrager bij vonnis van 1 augustus 2017 wegens
onder 1. “medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door: voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd”;
onder 4. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod”;
onder 5. “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;
onder 6. “gewoontewitwassen”;
onder 7. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III”
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.[_9e7bafff-a5d3-42ed-82c6-79aa3f66044c]
2. De advocaten N. van Schaik en H. Brentjes (hierna: de verdediging) hebben namens de aanvrager een verzoek ingediend tot herziening van de veroordeling die bij dit vonnis is uitgesproken. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00561 en 25/00562, waarin de verdediging eveneens een herzieningsverzoek heeft ingediend. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
De bespreking en beoordeling van het herzieningsverzoek
3. In de zaak van de voormalige medeverdachte van de aanvrager met zaaknummer 25/00562 heeft de verdediging mutatis mutandis een identiek herzieningsverzoek ingediend. In de conclusie die ik vandaag in die zaak neem, leg ik uit waarom de Hoge Raad dat herzieningsverzoek naar mijn mening zou moeten afwijzen. Voor de redenen waarom het herzieningsverzoek (ook) in deze zaak ongegrond is, verwijs ik daarom naar mijn opmerkingen onder de randnummers 4 tot en met 37 in mijn conclusie in die zaak (gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2025:1194).
Slotsom
4. Deze conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2026:651 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2026:651 Hoge Raad, 14 april 2026 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.