Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 27 februari 2024

ECLI:NL:PHR:2024:220Zaaknummer 22/00832

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27 februari 2024
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
22/00832
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. ‘IJsberg’-zaak. Profijtontneming. Het namens de betrokkene voorwaardelijk voorgestelde middel behoeft geen bespreking om de reden dat de voorwaarde – dat (een van) de middel(en) in de hoofdzaak slaagt/slagen – niet wordt vervuld. Het middel omtrent de overschrijding van de redelijke termijn is daarmee het enige voorgestelde middel. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid betrokkene. Samenhang met 22/00470, 22/00391, 22/00406, 22/00487, 22/00485, 22/00729 P, 22/00787 P, 22/00484, 22/00896 P, en 22/00488.

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 1 maart 2022 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 45.952,07 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.

2. Cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. L.C. de Lange, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Deze ontnemingszaak maakt – tezamen met de tien samenhangende zaken waarin ik vandaag ook concludeer[_ee61e0c3-5ec0-4677-aa42-5607b6c04f2f] – deel uit van het onderzoek met de naam ‘IJsberg’. Centraal in dit onderzoek staan de handel in en het contant maken van bitcoins, waarbij een verdenking van witwassen is gerezen.

De strafzaak

4. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof de verdachte wegens “schuldwitwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

Het eerste middel

5. Het eerste middel betreft een voorwaardelijk middel, waarbij als voorwaarde is gesteld dat het arrest in de strafzaak wordt vernietigd.

6. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (22/00485) heb ik geconcludeerd dat de alle door het OM ingediende middelen en alle namens de verdachte voorgestelde middelen falen, met uitzondering van het middel ten aanzien van de opgelegde straf. Indien de Hoge Raad mij volgt, wordt de gestelde voorwaarde – in essentie – niet vervuld. Daarmee moet aan dit middel voorbijgegaan worden.

Het tweede middel

7. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

8. Nu het middel over de schending van de inzendtermijn het enige voorgestelde middel is, stel ik mij op het standpunt dat de Hoge Raad de betrokkene op grond van artikel 80a RO niet-ontvankelijk kan verklaren.

9. Ook indien de Hoge Raad de betrokkene in zijn beroep zou willen ontvangen, behoeft het tweede middel overigens niet tot cassatie te leiden. Immers, ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt (22/00485), is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak heb ik om die reden geadviseerd tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. Gelet daarop kan in deze ontnemingszaak worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.[_71cd47f6-3e47-4afd-931b-a3269eefd301]

Slotsom

10. De betrokkene is niet-ontvankelijk in het beroep.

11. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Nummer22/00832 P
  2. Inleiding
  3. De strafzaak
  4. Het eerste middel
  5. Het tweede middel
  6. Slotsom

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00832 P

Zitting 27 februari 2024

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 1 maart 2022 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 45.952,07 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.

2. Cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. L.C. de Lange, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Deze ontnemingszaak maakt – tezamen met de tien samenhangende zaken waarin ik vandaag ook concludeer[_ee61e0c3-5ec0-4677-aa42-5607b6c04f2f] – deel uit van het onderzoek met de naam ‘IJsberg’. Centraal in dit onderzoek staan de handel in en het contant maken van bitcoins, waarbij een verdenking van witwassen is gerezen.

De strafzaak

4. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof de verdachte wegens “schuldwitwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

Het eerste middel

5. Het eerste middel betreft een voorwaardelijk middel, waarbij als voorwaarde is gesteld dat het arrest in de strafzaak wordt vernietigd.

6. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (22/00485) heb ik geconcludeerd dat de alle door het OM ingediende middelen en alle namens de verdachte voorgestelde middelen falen, met uitzondering van het middel ten aanzien van de opgelegde straf. Indien de Hoge Raad mij volgt, wordt de gestelde voorwaarde – in essentie – niet vervuld. Daarmee moet aan dit middel voorbijgegaan worden.

Het tweede middel

7. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

8. Nu het middel over de schending van de inzendtermijn het enige voorgestelde middel is, stel ik mij op het standpunt dat de Hoge Raad de betrokkene op grond van artikel 80a RO niet-ontvankelijk kan verklaren.

9. Ook indien de Hoge Raad de betrokkene in zijn beroep zou willen ontvangen, behoeft het tweede middel overigens niet tot cassatie te leiden. Immers, ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt (22/00485), is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak heb ik om die reden geadviseerd tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. Gelet daarop kan in deze ontnemingszaak worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.[_71cd47f6-3e47-4afd-931b-a3269eefd301]

Slotsom

10. De betrokkene is niet-ontvankelijk in het beroep.

11. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.