Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 21 december 2021

ECLI:NL:PHR:2021:1268Zaaknummer 20/01300

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21 december 2021
Publicatiedatum
15 februari 2022
Zaaknummer
20/01300
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 20/01289 en 20/01355.

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 31 maart 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van het voorarrest, wegens 1, 2, 3, 4, 5

“telkens: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,

- zich en/of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en,

- voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”; en

6 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet.”

Daarnaast heeft het hof (met verwijzing naar de lijst van in beslag genomen voorwerpen van 18 november 2015) een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard en de teruggave gelast van een Nederlands paspoort.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 20/01289 en 20/01355. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ingevolge art. 437, tweede lid, Sv dient op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie te zijn ingediend.[_b5951236-18ee-4e3c-948d-d27e197d8c42] Nu in de onderhavige zaak bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, dient de verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. PROCUREUR-GENERAAL
  2. BIJ DE
  3. CONCLUSIE
  4. AG

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01300

Zitting 21 december 2021

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 31 maart 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van het voorarrest, wegens 1, 2, 3, 4, 5

“telkens: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,

- zich en/of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en,

- voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”; en

6 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet.”

Daarnaast heeft het hof (met verwijzing naar de lijst van in beslag genomen voorwerpen van 18 november 2015) een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard en de teruggave gelast van een Nederlands paspoort.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 20/01289 en 20/01355. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ingevolge art. 437, tweede lid, Sv dient op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie te zijn ingediend.[_b5951236-18ee-4e3c-948d-d27e197d8c42] Nu in de onderhavige zaak bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, dient de verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.