Conclusie · Civiel recht
Parket bij de Hoge Raad, 24 mei 2019
ECLI:NL:PHR:2019:628Zaaknummer 19/01453
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 24 mei 2019
- Publicatiedatum
- 21 juni 2019
- Zaaknummer
- 19/01453
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Wet Bopz. Voorwaardelijke machtiging. Afgifte machtiging zonder dat betrokkene is gehoord, o.g.v. apparaatsfout. Art. 8 Wet Bopz en art. 24 Rv.
3 Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugverwijzing naar de rechtbank Rotterdam.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/01453
Zitting 24 mei 2019
CONCLUSIE
F.F. Langemeijer
In de zaak
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Rotterdam
In deze Bopz-zaak heeft de rechtbank als gevolg van een ‘apparaatsfout’ een voorwaardelijke machtiging verleend zonder te voldoen aan de hoorplicht.
1 Feiten en procesverloop
Bij verzoekschrift van 20 december 2018, op dezelfde datum ter griffie ingekomen, heeft de officier van justitie aan de rechtbank Rotterdam verzocht ten aanzien van verzoeker tot cassatie (geb. 1964, hierna betrokkene) een voorwaardelijke machtiging te verlenen. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater die betrokkene kort te voren met het oog hierop heeft onderzocht. Ook was bijgevoegd een behandelplan met een mede door betrokkene ondertekend voorwaardenplan d.d. 11 december 2018.
Naar aanleiding van dit verzoekschrift is bij brief van de griffier van 4 januari 2019 aan de advocaat van betrokkene medegedeeld dat op 10 januari 2019 een zitting zal worden gehouden. De advocaat heeft bij (fax)brief d.d. 8 januari 2019 aan de rechtbank verzocht een nieuwe zittingsdatum te bepalen. In een proces-verbaal van 10 januari 2019 is vastgelegd dat de rechtbank een nieuwe datum voor de zitting heeft bepaald op 8 februari 2019.
Bij beschikking van 28 januari 2019 heeft de rechtbank de verzochte voorwaardelijke machtiging voor het tijdvak tot en met 28 juli 2019, met de voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan. In deze beschikking heeft de rechtbank onder 1.1 verwezen naar “de referteverklaring, ingekomen op 22 januari 2019”[_0e18398d-54e4-4ecf-89a6-21078e067ce9].
Op 8 februari 2019 heeft de rechtbank een zitting gehouden in aanwezigheid van betrokkene, zijn advocaat en de behandelaar. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal vermeldt op blz. 1:
“De rechter deelt mede dat de rechtbank een fout heeft gemaakt. Er zijn dossiers verwisseld en er is een referteverklaring in het dossier van betrokkene terecht gekomen die niet van hem afkomstig is. Dit is niet opgemerkt en op basis van deze verklaring is ten onrechte een beschikking afgegeven. De rechtbank heeft besloten de zitting door te laten gaan om hierover met elkaar van gedachten te wisselen. Voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat een herstelbeschikking zal worden afgegeven wordt het verzoek inhoudelijk behandeld.”
Na de zitting is de rechtbank niet overgegaan tot het geven van een herstelbeschikking.[_49302f4e-e019-4ae0-a22d-c8f770961fde]
Namens betrokkene is - tijdig - cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2 Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel klaagt onder 1.a dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door op grond van een referteverklaring die niet van betrokkene afkomstig was maar abusievelijk in zijn griffiedossier is opgenomen, de verzochte machtiging te verlenen zonder eerst betrokkene te horen en hem gelegenheid tot verweer te bieden. Onder 1.b wordt toegevoegd dat de rechtbank in strijd met art. 24 Rv heeft geoordeeld op grond van een stuk dat niet behoorde tot de gedingstukken. Onder 2 bevat het middel nog een klacht over schending van art. 5 EVRM.
Op grond van art. 14a lid 4 en 14c lid 7 is de hoorplicht als bedoeld in art. 8 lid 1 Wet Bopz ook van toepassing op een verzoek tot verlening van een voorwaardelijke machtiging: de rechter dient degene die het betreft vooraf te horen. Wanneer de rechter constateert dat de betrokkene niet gehoord wenst te worden, kan de rechter beschikken op het verzoek zonder hem of haar te horen.[_f5dd973d-6f64-4c85-afd8-7de7b657e191]
In dit geval moet op grond van de inhoud van het proces-verbaal van 8 februari 2019, hiervoor aangehaald, worden vastgesteld dat de hoorplicht door een vergissing aan de zijde van de rechtbank (een ‘apparaatsfout’ of ‘bedrijfsongeval’) niet is nageleefd. Het gevolg daarvan is dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. [_d6274b65-09e3-434e-84bf-3350c25fb6df] Het middel slaagt. Hierbij verdient nog opmerking dat een ernstig processueel verzuim zoals het (abusievelijk) schenden van de hoorplicht niet een kennelijke fout is die zich leent voor eenvoudig herstel op de voet van art. 31 Rv, zoals de rechtbank blijkbaar onder ogen heeft gezien.[_3e6daea7-4433-430a-aef6-5bac9c06d6fe] Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt hier mee dat de beschikking slechts kan worden aangetast door de Hoge Raad op een daartoe strekkend cassatieberoep.[_10206b8e-d0ae-4126-9bb3-39de1b48662a]
3 Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugverwijzing naar de rechtbank Rotterdam.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2019:1053 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2019:1053 Hoge Raad, 28 juni 2019 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.