Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 11 december 2018
ECLI:NL:PHR:2018:1479Zaaknummer 17/01303
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 11 december 2018
- Publicatiedatum
- 5 februari 2019
- Zaaknummer
- 17/01303
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
-
Volledige tekst
| Nr. 17/01303 Zitting: 11 december 2018 (bij vervroeging) | Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 11 februari 2005 vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde en de verdachte wegens 1 meer subsidiair “mishandeling” veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis, waarvan een bedrag van € 250,00, subsidiair vijf dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd het verkort arrest aan te vullen met de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:
- Bij brief d.d. 3 juli 2017 heeft de strafgriffie van het hof de Hoge Raad der Nederlanden laten weten dat de bewijsmiddelen, noch het proces-verbaal van de zitting van het hof Leeuwarden d.d. 28 januari 2005, zijn uitgewerkt. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de griffiersaantekeningen van vóór 2009, die in het Centrale Archief werden bewaard, inmiddels volgens voorschriften zijn vernietigd.
- Naar aanleiding van een verzoek van de raadsman om toezending van een afschrift van het bewijsmiddelenoverzicht, dat op de voet van art. 4.8.2 van het Procesreglement Hoge Raad tijdig is gedaan, is op 21 augustus 2017 genoemde brief van het hof d.d. 3 juli 2017 aan de raadsman van de verdachte toegezonden.
5. In deze zaak heeft het hof een verkort arrest gewezen in de zin van art. 138b Sv. Ingevolge art. 415, lid 1, Sv in verbinding met art. 365a, lid 2, Sv wordt een verkort vonnis waartegen een gewoon rechtsmiddel is aangewend aangevuld met de bewijsmiddelen. In afwijking van het bepaalde in art. 365a, lid 2, vindt op grond van art. 415, lid 1, Sv aanvulling ook plaats indien het cassatieberoep meer dan drie maanden na de dag van de uitspraak is ingesteld.
6. Uit de brief d.d. 3 juli 2017 van de strafgriffie van het hof blijkt dat de griffiersaantekeningen van vóór 2009, en daarmee dus ook de griffiersaantekeningen met betrekking tot deze zaak, inmiddels zijn vernietigd. Gelet daarop is het niet meer mogelijk een bewijsmiddelenoverzicht uit te werken.
7. Bij gebreke van een aanvulling bewijsmiddelen voldoet het verkorte arrest niet aan het bepaalde in art. 359, lid 2, Sv. Aangezien het bepaalde in dit voorschrift is voorgeschreven op straffe van nietigheid (art. 359, lid 8, Sv), kan het bestreden arrest niet in stand blijven.[_c6ac48e9-6187-40db-bda4-ecfef3fce3eb]
8. Het eerste middel slaagt. M.i. kan het tweede middel buiten bespreking blijven. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen en behoefte heeft aan een aanvullende conclusie waarin het tweede middel alsnog wordt besproken, zal ik daartoe overgaan.
9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2019:170 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2019:170 Hoge Raad, 5 februari 2019 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.