Conclusie · Civiel recht
Parket bij de Hoge Raad, 3 november 2017
ECLI:NL:PHR:2017:1399Zaaknummer 17/04818
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 3 november 2017
- Publicatiedatum
- 22 december 2017
- Zaaknummer
- 17/04818
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Bopz. Voorwaardelijke machtiging. Geestelijke stoornis en daaruit voortvloeiend gevaar.
3 Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in zijn cassatieberoep, op de voet van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
plv
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Zaaknr: 17/04818
mr. F.F. Langemeijer
Zitting: 3 november 2017
Conclusie (art. 80a RO) inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Noord-Holland
1 Feiten en procesverloop
Bij beschikking van 10 juli 2017 heeft de rechtbank Noord-Holland op verzoek van de officier van justitie een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) voor de duur van een jaar. Tegen die beslissing is namens betrokkene tijdig[_d191bb2d-1cf6-49eb-bf48-0a2627df22df] beroep in cassatie ingesteld.
2 Bespreking van het cassatiemiddel
Middelonderdeel I heeft betrekking op het voor een dergelijke machtiging vereiste gevaar (zie art. 14c lid 3, in verbinding met art. 1 lid 1, art. 2 en art. 14a Wet Bopz). De klacht houdt in dat de overwegingen van de rechtbank op dit punt onjuist zijn, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken, ten aanzien van (a) het innemen van medicatie; (b) het risico van gevaarzettend gedrag; (c) de mening van betrokkene.
Ad a: de klacht dat hetgeen de rechtbank overweegt ten aanzien van de mededeling van de ter zitting gehoorde sociaal-psychiatrisch verpleegkundige niet overeenstemt met de weergave van die verklaring in het proces-verbaal van de zitting, kan niet tot vernietiging leiden[_8a895de5-23ba-4bba-9c6e-726a9d7803e4]. Ook indien van de weergave in het p.-v. zou worden uitgegaan, is de overweging niet onbegrijpelijk: de wet vereist een oorzakelijk verband tussen de stoornis van de geestvermogens en het gevreesde gevaar. Dit verband heeft de rechtbank afgeleid en kunnen afleiden uit (rubriek 4 van) de geneeskundige verklaring waarnaar de rechtbank verwijst. Indien dat gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend, is een (nieuwe) voorwaardelijke machtiging mogelijk. De wet vereist niet dat het eventueel ‘opvlammen van het ziektebeeld’ wordt verklaard door het niet innemen van de voorgeschreven medicatie.
Ad b: de klacht voldoet m.i. niet aan de eisen van precisie die art. 426a lid 2 Rv daaraan stelt. Het betoogde stuit gedeeltelijk af op hetgeen bij bespreking van de klacht onder a reeds is opgemerkt over de wettelijke criteria. De stellingen dat niet vaststaat dat betrokkene de voorgeschreven medicatie niet zal innemen en dat betrokkene deze altijd bij zich draagt voor het geval dat hij een psychose krijgt, noopte de rechtbank niet tot een andere beslissing. Voor de lezer is duidelijk dat de rechtbank bedoelt dat de voorwaarde niet beperkt is tot curatieve medicatie (slechts in te nemen als betrokkene in een psychotische toestand geraakt), maar preventieve medicatie omvat (teneinde te voorkomen dat betrokkene, ten aanzien van wie de diagnose schizofrenie is gesteld, in een psychotische toestand geraakt die tot verwezenlijking van het gevreesde gevaar kan leiden). Het alternatief van een vrijwillige behandeling met medicatie zonder de prikkel van een voorwaardelijke machtiging is in (rubriek 6.a van) de geneeskundige verklaring en door de rechtbank in ogenschouw genomen.
Ad c: ook deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. De aangevallen overweging maakt duidelijk dat de rechtbank het oog heeft op de actuele toestand van betrokkene; zo ook de geneeskundige verklaring. Het argument dat het te duchten gevaar zich voor het laatst in 2009 heeft verwezenlijkt – betrokkene doelt op een in het medisch dossier beschreven geweldsdelict in dat jaar, waarvoor hem in een strafzaak TBS is opgelegd – sluit logisch niet uit dat de rechtbank in 2017 tot de slotsom komt dat het te duchten gevaar nog steeds bestaat.
Onderdeel II bestrijdt met een motiveringsklacht het oordeel dat het afwenden van het gevaar een nieuwe machtiging vereist. Voor zover de klacht luidt dat belangrijk is dat duidelijk wordt vastgesteld hoe de achterliggende feiten zijn en dat niet jaarlijks dezelfde conclusies worden getrokken op basis van zelfs oude informatie zonder dat werkelijk onderzoek plaatsvindt naar de vraag of een en ander wel noodzakelijk is, voldoet zij niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. Het oordeel van de rechtbank is in lijn met de recente geneeskundige verklaring, welke berust op onderzoek van betrokkene. Uit de beschikking blijkt bovendien dat de rechtbank uitdrukkelijk is ingegaan op het standpunt van betrokkene, die ter zitting is gehoord; in zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Voor zover betrokkene zelf van mening is dat met behandeling op vrijwillige basis kan worden volstaan, is niet onbegrijpelijk waarom de rechtbank dat risico niet heeft willen nemen; de geneeskundige verklaring maakt melding van ontbrekend ziektebesef en –inzicht. Bovendien vergt dat een beoordeling van de feiten die aan de rechtbank toekomt en niet onbegrijpelijk is.
3 Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in zijn cassatieberoep, op de voet van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
plv
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2017:3249 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2017:3249 Hoge Raad, 22 december 2017 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.