Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 31 maart 2015

ECLI:NL:PHR:2015:586Zaaknummer 14/02990

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31 maart 2015
Publicatiedatum
13 mei 2015
Zaaknummer
14/02990
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

HR: art. 80a RO. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2011:BQ6702. In aanmerking genomen dat het p-v van de tz. in h.b. van 24 april 2013 en dat van 9 mei 2014 enerzijds telkens inhoudt dat verdachte aldaar is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouwe, en anderzijds telkens niet inhoudt dat het verweer is gevoerd dat niet is gebleken dat door betrokkene een klacht is ingediend, kan daarover niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd. De HR verklaart daarom - gezien art. 80a RO - het beroep in cassatie n-o.

Volledige tekst

Nr. S 14/02990 Zitting: 31 maart 2015T.N.B.M. Spronken Standpunt/conclusie inzake: [verdachte]

Na bestudering van de zaak ben ik van mening dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.