Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 10 maart 2015

ECLI:NL:PHR:2015:394Zaaknummer 14/02690

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10 maart 2015
Publicatiedatum
8 april 2015
Zaaknummer
14/02690
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

HR: art. 80a RO. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat in de aantekening van het mondeling arrest wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen slechts in het geval als bedoeld in art. 359.3 tweede volzin, Sv (bekennende verdachte) mag worden verwezen naar de processtukken vindt geen steun in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) noch in de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van art. 359.3 tweede volzin, Sv. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2012:BX0146. Daarin is als aan de wetsgeschiedenis ontleend voorbeeld van een klacht die geen behandeling in cassatie rechtvaardigt, genoemd de klacht “waarin de duidelijke strekking van de wet of vaste rechtspraak wordt miskend”. Gelet hierop verklaart de HR - gezien art. 80a RO - het beroep in cassatie n-o.

Volledige tekst

Nr. 14/02690 Zitting: 10 maart 2015P.C. Vegter Standpunt/conclusie inzake: [verdachte]

Na bestudering van de zaak ben ik van mening dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.